PREKENBOEKENPLANK

 

BIJBELLESSEN

Waar het in de Bijbel over gaat!

 

 

 

Om preken beter te kunnen verstaan is Bijbelkennis nodig. Op mijn Preken­boeken­plank vond ik een verzameling van zulke lessen, oorspronkelijk geschreven voor belang­stel­len­den met weinig of geen Bijbelkennis. Hier volgen ze. Aarzelt u niet om ze te downloaden (met bronvermelding).

 

  LES 1: HET KONINKRIJK VAN GOD

  LES 2: HET PARADIJS (DE HOF VAN EDEN)

  LES 3: DE STAD (JERUZALEM)

  LES 4: DE ENGELEN, DE OORLOG, EN HET VERBOND

  LES 5: DE 39 BIJBELBOEKEN VAN HET OUDE TESTAMENT

  LES 6: DE 27 BIJBELBOEKEN VAN HET NIEUWE TESTAMENT

  LES 7: SAMENVATTING VAN DE LESSEN 1-6

VRAGEN BIJ DE LESSEN 1–6

  LES 8: DE STRUCTUUR VAN HET BOEK GENESIS

  LES 9: HET BEGIN VAN DE ONTWIKKELING VAN STEDENBOUW

LES 10: VERDERE ONTWIKKELINGEN VOOR DE ZONDVLOED

LES 11: ONDERGANG VAN DE EERSTE WERELD DOOR DE ZONDVLOED

LES 12: GOD VERDEELT DE MENSHEID IN NATIES

LES 13: SECULARISATIE NA DE ZONDVLOED IN SEMS GENERATIE

LES 14: ABRAHAM UITGEKOZEN OM EEN GROOT VOLK TE WORDEN

LES 15: IDEM (DEEL 2)

LES 16: ISMAËLS (OP)POSITIE IN GODS VERBOND MET ABRAHAM

LES 17: DE MESSIAANSE ZEGEN IN GEVAAR IN ISAAKS TENT

LES 18: KENMERKEN VAN ESAU, DE VADER VAN EDOM

LES 19: DE GESCHIEDENIS VAN HET KONINKRIJK VAN GOD IN GENESIS EN OPENBARING

LES 20: SCHETS OPENBARING VAN JEZUS CHRISTUS AAN JOHANNES

 

 


terug naar boven

 

 

LES 1: HET KONINKRIJK VAN GOD

 

In een bepaald opzicht kan de Bijbel vergeleken worden met een geschiedenisboek, bijv. de geschiedenis van het koninkrijk der Nederlanden. Die geschiedenis begint, na een inleiding over de tijd van de Romeinen en Batavieren en de middeleeuwse graven­huizen, met de ves­ti­ging van het Huis van Oranje. Het boek eindigt met het einde van de 20e eeuw, en sluit wellicht af met een toekomstverwachting.

      Nu, een daarmee te vergelijken opzet vind je ook in de Bijbel, die in GENESIS begint met de vestiging van Gods Koninkrijk, en eindigt met een blik in de toekomst in het laatste Bijbel­boek, OPENBARING.

      De Bijbel vertelt ons dus de geschiedenis van het Koninkrijk van God. Nu bestaat een koninkrijk uit vier dingen: de Koning, het volk, de wet, en het land of het gebied. In het Koninkrijk van God is God de Koning, de mensheid het volk, Gods Woord is de wet, en hemel en aarde zijn zijn gebied.

      Met de schepping van de hemelprovincie schiep God ook de engelen om zijn dienaren te zijn. Een deel van hen kwam onder leiding van Satan in opstand tegen God (zie verder les 4).

 

Het eerste Bijbelboek, GENESIS, vertelt dat de Koning, God, het gebied van zijn Koninkrijk geschapen heeft (a), en het volk (b).

      Ook vertelt het over het geven van Gods wet (c). ADAM, het hoofd van de mens­heid, werd onderkoning onder God over de aardeprovincie van Gods Koninkrijk (d). Toen hij in opstand kwam tegen God (e) kwam er oorlog tus­sen het koninkrijk der hemelen (zo ge­noemd naar de hemelprovincie waar God zijn residentie heeft), en het konink­rijk der duis­ter­nis (het domein van de duivel, die toen zijn macht uitoefende in de aardeprovincie) (f).

      Omdat Adam zichzelf en deze aarde overgaf aan Satan en daardoor machteloos en ver­dorven werd, beloofde God in zijn goedheid of genade een tweede Adam als zijn plaatsver­vanger. Dit zou Gods eigen Zoon zijn, die mens zou worden (het zaad van de vrouw (g), om ons van onze verdiende straf te verlossen, en ons met God te verzoe­nen.

      Toen die tweede Adam, Jezus Christus, op aarde kwam, predikte (=verkondigde) Hij het Evangelie (=blijde boodschap) van het Koninkrijk van God (h). Ook weerstond Hij de ver­lei­dingen (=verzoekingen) van de duivel (i), heerste Hij over de wilde dieren, (i), en werd Hij gediend door Gods engelen (i). Kortom, Hij volbracht als Adams plaatsvervanger wat de eerste Adam had moeten doen.

      Door voor de opstand van Adam en zijn nakomelingen hun straf, de eeuwige dood, te ondergaan overwon (of onttroonde) Hij de duivel (j). Nadat Hij was opge­staan uit de dood gaf Hij zijn discipelen (=leerlingen) en volge­lin­gen – ook wel de Kerk of de nieuwe mensheid genoemd – opdracht Gods Koninkrijk te prediken, en te strijden tegen de nog overgebleven macht van de duivel (k).

 

In het laatste Bijbelboek, OPENBARING, wordt de afloop van de nog steeds voort­gaande oor­log verteld (l). De aarde is gezuiverd van de duivel en zijn volgelingen (m), en er komen een nieuwe hemel en aarde (n). De aardeprovincie en de hemel­provincie in Gods Koninkrijk wor­den weer verenigd (o).

      In Openbaring 21 wordt de hoofdstad van Gods Koninkrijk getekend als het NIEUWE JERU­ZALEM, terwijl het in Openbaring 22 ook lijkt op een hof, de Hof van Eden, het VERNIEUWDE PARADIJS.

      Hieruit blijkt dat de Bijbelse geschiedenis van het KONINKRIJK VAN GOD ook de ge­schiedenis bevat van DE STAD JERUZALEM, en van de HOF VAN EDEN of het PARADIJS. De geschiedenis van die drie is dan ook nauw met elkaar verbonden.

 

Bijbelverzen waar in de tekst naar verwezen is

(a) Gn. 1:1; (b) Gn. 1:27; (c) Gn. 1:28; 2:15‑17; (d) Gn. 1:27; (e) Gn. 3:6; (f) Gn. 3:15; (g) Gn. 3:15; (h) Mc. 1:14/5; (i) Mc. 1:13; (j) Hb. 2:14/5; (k) Mc. 16:15-20; (l) Op. 19:19‑21; (m) Op. 20:10; (n) Op. 21:1; (o) Op. 21:2,3

 

Aanbevolen Bijbellezing

1. Genesis 1, 2, 3

2. Psalm 96, 98, 104, 8, 150

3. Marcus 1:1‑15, 16:9‑20; Handelingen 1:1‑12, 28:16‑31

4. Hebreeën 1:1‑3, 2:1‑18

5. Efeziërs 6:10‑24, 2 Petrus 3

6. Openbaring 19–22

 

 

terug naar boven

 

 

LES 2: HET PARADIJS (DE HOF VAN EDEN)

 

De geschiedenis van de mensen in het Koninkrijk van God begint en eindigt in het Paradijs, of, zoals het aan­van­ke­lijk genoemd wordt in de Bijbel, de Hof van Eden. Dat zien we in Genesis 2 en Openbaring 22.

      Het begin van het Paradijs is, wanneer God de mensen plaatst in de Hof van Eden, ergens op aarde waar nu Irak, het vroegere Mesopotamië (Tweestromenland) ligt (a).

      Het Paradijs werd gesloten en verloren voor de mensen toen ze in zonde vielen door tegen God op te staan en zijn wet te overtreden. Dit wordt de zondeval ge­noemd (b). Cherubs, dat zijn engelen met een vlammend zwaard, verhinderden de mensen om terug te keren naar het Verloren Paradijs (c).

      Vanaf die tijd is de geschiedenis van de mensen de geschiedenis van hun pro­be­ren om terug te keren naar de paradijstoestand op hun eigen manier en op eigen kracht. Dit is in strijd met Gods belofte dat het Paradijs alleen maar door zijn genade vernieuwd en geopend zal worden. Die belofte wordt verwerkelijkt voor hen die deze belofte gelovig aannemen.

      In het laatste hoofdstuk van de Bijbel, Openbaring 22, lezen we dat aan het einde van de wereldgeschiedenis het Paradijs zal worden vernieuwd.

      Dit vernieuwde Paradijs wordt tot stand gebracht door de Zoon van God, Jezus Christus, die als mens het Paradijs weer heeft geopend toen Hij leed en stierf voor onze zonden. Dit staat heel duidelijk in Lucas 23:42-43. Immers, daar antwoordde Hij aan de misdadiger die naast Hem gekruisigd was op diens vraag, "Jezus, denk aan mij wanneer U in uw Koninkrijk komt": "Voorwaar, Ik zeg u, vandaag zult u met Mij in het paradijs zijn".

      De geschiedenis van het Paradijs kan dan ook worden samengevat in deze drie punten:

1. Verloren Paradijs: verloren door de zonde van de eerste Adam, en sindsdien van de aarde verdwenen (d).

2. Heropend Paradijs: heropend door de tweede Adam, Jezus Christus, maar nog wel tijdelijk in de hemel (e).

3. Vernieuwd Paradijs: vernieuwd op aarde, wanneer hemel en aarde weer ver­enigd zijn, en niet langer beperkt tot een deel van de aarde als in het begin (f).

      In de periode van het Oude Testament werd God vereerd in de tempel. In die tem­pel werd het Paradijs gesym­bo­liseerd in het Heilige der Heiligen. Er waren af­beel­dingen van Cherubs op het voorhangsel (=gordijn), dat de woonplaats van God in de tempel scheidde van de rest. Niemand mocht door dat voorhangsel binnengaan be­halve eens per jaar de Hogepriester, met bloed dat de afwassing van de zonden sym­bo­liseerde (g).

      Dit symbolisme werd afgeschaft toen de werkelijkheid ervan werd vervuld door Jezus Christus, en Hij als de eeuwige Hogepriester zijn eigen bloed offerde voor onze zonden. Nadat Hij op die manier het Paradijs heropend had (h), scheurde het voor­hangsel in de tempel met de Cherubs er op afgebeeld middendoor (i).

      In de profetieën van Jesaja (j) vinden we een tekening van het vernieuwde Paradijs zoals       dat door Jezus Christus tot stand zal worden gebracht.

      Ook heeft God bij voorbaat aan Jezus, nadat Hij de verzoekingen van de duivel had weer­staan (k), iets van dit ver­nieuwde Paradijs op aarde getoond (l).

 

Bijbelverzen waar in de tekst naar verwezen is

(a) Gn. 2:8‑14; (b) Gn. 3:1‑19; (c) Gn. 3:22‑24; (d) Gn. 3:22‑24; (e) Lc. 23:42/3; (f) Op. 22:1,2,19; (g) Lev. 16:1‑17; (h) Lc. 23:43; (i) Lc. 23:45; (j) Jes. 11:1‑9; (k) Mc. 1:12,13a; (l) Mc. 1:13b

 

Aanbevolen Bijbellezing

1. Genesis 2 en 3; Jesaja 11

2. Leviticus 16; 1 Koningen 6:1 en 23‑38, 8:1‑11; Openbaring 22 (vergelijk Exodus 26:31‑34)

3. Marcus 1:1‑13; Lucas 23:32‑47

4. 2 Korintiërs 12:1‑5; Openbaring 2:7

5. Hebreeën 7:26‑28; 9; 10:1‑12 en 19‑25

 

 

terug naar boven

 

 

LES 3: DE STAD (JERUZALEM)

 

De geschiedenis van de mensen in Gods Koninkrijk begint en eindigt in het Paradijs. Uit Openbaring 22 blijkt echter dat het vernieuwde Paradijs zich bevindt in een stad. Die stad is het Nieuwe Jeruzalem, dat Johannes in een visioen zag neerkomen van God uit de hemel (a).

      Het begin van de mensheid was dus in een hof (in Genesis 1‑3 wordt nog geen stad vermeld), maar het uit­einde­lijke doel is dat de mensen de wereld tot ontwikke­ling zullen brengen. Die ontwikkeling betreft niet alleen het in cultuur brengen van de grond, maar een culturele ontwikkeling in de volle betekenis van het woord. Het einde van deze culturele ontwikkeling zal gezien worden in de “Hofstad” van de toe­komst, het Nieuwe Jeruzalem.

      In het eerste Bijbelboek, GENESIS, lezen we dat Kaïn de eerste was die een stad bouwde (b). Uit dit en de volgende hoofdstukken krijgen we de indruk dat vooral Kaïns nakomelingen zich meer interesseerden voor het breed-culturele stadsleven (c). Kennelijk horen we hier over het geseculariseerde of verwereldlijkte stadsleven. Over­al waar de mensen zich in een bepaalde plaats concentreerden groeiden ook ongeloof en afgoderij.

      In Genesis 12 lezen we dat God Abraham riep om uit de stad Haran, – waar hij zich had gevestigd nadat hij Ur der Chaldeeën verlaten had (d) – naar het land Kanaän te gaan. Hier woonde hij in tenten, maar hij keek uit naar “de stad met fun­damenten, waarvan God de ontwerper en bouwmeester is” (e). Tegenover de huidige “verwereld­lijkte stad van de mens” spreekt de Bijbel over de toekomstige “heilige stad van God”.

      Nadat Abrahams nakomelingen zich als een volk gevestigd hadden in het be­loofde land Kanaän werd onder koning David Jeruzalem hun hoofdstad (f). Daar, in Jeruzalem, werd door Davids zoon Salomo de tempel gebouwd, waarvan het Heilige der Heiligen het Paradijs symboliseerde en fungeerde als de woonplaats van God bij de mensen (g).

      Dus hoewel het Paradijs zelf van de aarde is verdwenen (het is nu tijdelijk in de hemel), een symbool van het Paradijs werd sindsdien hier op aarde gevonden in de tempel in de stad Jeruzalem. Daarom werd deze aardse of wereldlijke stad toch ook een heilige stad genoemd.

      Het grootste deel van het Oude Testament vertelt de geschiedenis van deze stad Jeru­zalem, maar bevat ook profe­tieën dat deze stad niet Gods heilige stad op aarde blijven zal. Uiteindelijk zal het neerkomen op aarde uit de hemel als het Nieuwe Jeru­zalem (h).

      De profeet Zacharia (i) tekent het Nieuwe Jeruzalem al als een “Hofstad” op deze manier: “als een open plaats zal Jeruzalem daar liggen vanwege de menigte van men­sen en vee daarin”. Een meer uitgewerkte tekening van het Nieuwe Jeruzalem werd getoond aan de apostel Johannes (j): “...en ik zag de heilige stad, een nieuw Jeruzalem, nederdalende uit de hemel, van God...”

      Door de hele Bijbel heen is de stad Jeruzalem ook een symbool van de Kerk als de “vergaderplaats” van de bur­gers van Gods Koninkrijk. Deze heilige stad of heilige Kerk van God is nog steeds bezig gebouwd te worden. God is de ontwerper en bouw­meester (k), en de gelovigen zijn de levende stenen (l).

 

Bijbelverzen waar in de tekst naar verwezen is

(a) Op. 21:2; (b) Gn. 4:17; (c) 4:21,22; 10:8-12; 11:1-9; (d) 11:31; (e) Heb. 11:9,10,15,16; (f) 2 Sam. 5:4-9; (g) 1 Kon. 6:1,21; 8:6,7; (h) Gal. 4:26; Op. 21:2; (i) Zach. 2:1-5; (j) Op. 21:10-27; (k) Heb. 11:10; (l) 1 Pe.  2:5

 

Aanbevolen Bijbellezing

1. Genesis 4, 11, 12, 13, 15, 19; Hebreeën 11:1‑16

2. 2 Sam. 5:1‑16; 2 Sam. 7; 1 Koningen 6:1‑15; 8

3. Psalm 122; 87; 48

4. Handelingen 1:1‑8; Galaten 4:21‑26; Hebreeën 12:22‑29; 1 Petrus 2:1‑12

5. Openbaring 3:12‑13; Openbaring 21 en 22; Zacharia 2:1‑5

 

 

terug naar boven

 

 

LES 4: DE ENGELEN, DE OORLOG, EN HET VERBOND

 

HET VERBOND VERBROKEN

Toen God zijn Koninkrijk oprichtte schiep Hij de engelen nog voor de schepping van de aarde (a). Nadat God ook de aarde geschapen had kwam ongeveer een derde deel van de engelen onder leiding van Satan (=Tegenstander) in op­stand tegen God (b). Zij werden ontrouw aan hun oorsprong, verlieten hun eigen woning (c), en maakten de aarde tot hun basis (d).

Tegen deze boze geesten moest de mens de Hof van Eden bewaren of verdedigen (e).

Toen de mens echter luisterde naar de duivel (= bedrieger) die aan hem verscheen in de gestalte van de slang (f), gaf hij zichzelf en de aarde over in de macht van de duivel. Die werd toen “de overste van deze wereld” (g).

      Zo brak de mens het Verbond dat God met hem gemaakt had (h), en werd een bondgenoot (of liever, een slaaf) van Satan in diens oorlog tegen Gods Koninkrijk.

 

HET VERBOND GEHANDHAAFD

Toch heeft God van zijn kant zijn Verbond met de mensen gehandhaafd. Vandaar dat God de mensen tot zich terug riep (i), en zijn vloek uitsprak over de slang (j) en over Satan en zijn zaad ( = volgelingen)(k). Maar ook over de man en zijn vrouw kwam Gods vloek (l), waar ook de aarde de consequenties van onderging (m).

      Zo werd het Verbond tussen God en mens tot een Genadeverbond. Immers, God beloofde dat eens “het zaad van de vrouw” (dat is iemand uit haar of haar nageslacht) de duivel zou overwinnen, door onze straf te dragen en ons met God te verzoenen (n).

      Deze belofte wordt wel “de moederbelofte” genoemd. God zelf verklaarde dan ook oorlog of vijandschap tussen de duivel en de vrouw, en tussen zijn “zaad” en haar “zaad” (n).

      Deze TOTALE OORLOG, verklaard in Genesis 3:15 op grond van de “Moederbelofte” in Gods GENADE-VERBOND met de mensen, is in principe door Jezus Christus, het beloofde “vrouwenzaad”, gewonnen aan het kruis van Golgotha (o). Deze oorlog zal tot een definitief einde komen bij de voltooiing van de geschiedenis van deze wereld (p).

 

DE VERBONDSGESCHIEDENIS

De Bijbel bevat dus de geschiedenis van het Genadeverbond, en van de totale oorlog vanwege dat Verbond.

      In OPENBARING 12 vinden we een SAMENVATTING van deze Verbondsgeschiedenis: het visioen van de gewel­dige strijd tussen “de vrouw” (= Gods volk, de Kerk of “de nieuwe mens­heid), en “de draak” (= de slang of Satan).

12:1 – Hier wordt de Kerk getoond, de nieuwe mensheid, zoals God haar oorspronkelijk ge­schapen heeft om te regeren over al het geschapene.

12:2 – Hier zien we hoe de Kerk gedurende de hele periode van het Oude Testament “het beloofde zaad”, dat is de Messias of Christus (= Gezalfde) verwacht.

12:3 – Satan verschijnt hier als “de overste van de koningen van deze wereld”.

12:4a – Hier wordt de opstand van Satan en zijn engelen symbolisch voorgesteld.

12:4b – Hij vervolgt de Kerk van het Oude Testament om de komst van de beloofde Messias te verhinderen.

12:5 – Hier zijn we bij het begin van de Nieuwtestamentische periode: de geboorte en de hemelvaart van Jezus Christus.

12:6 – Hier lezen we van de “dagelijkse” bewaring van de Kerk in deze wereld, vanaf de Hemel­vaartsdag tot aan de Dag van het Laatste Oordeel.

12:7‑12 – Uit deze verzen weten we dat sinds Christus' overwinning en hemelvaart Satan niet meer “de overste van deze wereld” is, en ook niet meer het recht heeft in de hemel te komen om daar bij God beschuldigingen tegen de gelovigen in te brengen (N.B.: hij had dat recht nog wel in de periode van het Oude Testament, zie Job 1:6‑12; 2:1‑6; Zacharia 3:1‑3).

12:13‑17 – Deze verzen tekenen de voortdurende strijd en vervolging van de Kerk. Ook zien we hier hoe God de aarde bestuurt om zijn Kerk te beschermen.

 

Bijbelverzen waar in de tekst naar verwezen is

(a) Job 38:4‑7; (b) Op. 12:4a; (c) Jud. vs 6; (d) Op. 12:4a; (e) Gn. 2:15; (f) Gn. 3:1‑6; (g) Joh. 12:31, 14:30, 16:11; Lc. 4:5‑7; (h) Gn. 1:27-28; (i) Gn. 3:9; (j) Gn. 3:14; (k) Gn. 3:15; (l) Gn. 3:16‑19; (m) Gn. 3:17‑18; (n) Gn. 3:15; 2 Cor. 5:18-19; (o) Joh. 19:30,  12:31, 16:11; Kol. 2:14‑15; (p) Op. 19:19‑21; 20:10

 

Aanbevolen Bijbellezing

1. Genesis 3; Openbaring 12; Judas

2. Psalm 2, 8, 24, 33, 105, 106, 107, 136, 146, 93, 96, 97, 98, 99, 148, 149

3. Lucas 4:1‑8; Johannes 12:12‑33, 16:1‑11, 19:19‑30; Kolossenzen 2:6‑15; Efeziërs 1

 

 

terug naar boven

 

 

 


LES 5: DE 39 BIJBELBOEKEN VAN HET OUDE TESTAMENT

 

Het Oude Testament vertelt de geschiedenis van Gods handelen in deze wereld, zoals we daar­van in de vorige les een samenvatting hebben gezien in Openbaring 12:1-4. We kunnen dat de periode noemen van de verwachting en voorbereiding van de komst van de in Genesis 3:15 beloofde Messias, Jezus Christus.

      De Joden waren gewend in het Oude Testament (door hen “Tenach” genoemd) twee (of soms drie delen te onder­scheiden: Mozes (of: Wet) en de Profeten (en eventueel de Psalmen of Geschriften (a). Soms noemden ze ook het hele Oude Testament naar het eerste gedeelte “Wet” of “Thora”.

 

MOZES

De eerste vijf Bijbelboeken, Genesis t/m Deuteronomium, zijn de Vijf Boeken van Mozes of de Thora.

      Thora is het Hebreeuwse woord voor “onderricht”, maar is meestal vertaald door “wet”.

In deze vijf boeken vinden we het begin van de wereldgeschiedenis, en in het bijzonder die van de gelovigen, vanaf de schepping tot aan Israëls aankomst bij de grens van Kanaän, het beloofde land. Toen God de mens schiep naar zijn beeld en gelijkenis maakte Hij een Verbond met hem. Dit Verbond werd een Genadeverbond toen God na de zondeval de komst van de Verlosser, Jezus Christus, beloofde.

Dit Verbond met Adam werd later vernieuwd met Abraham, (b) de voorvader van Israël, en weer later uitgebreid tot het volk Israël (c). Bij die gelegenheid proclameerde de HEER* de Tien Geboden, ook wel de Tien Woorden van Gods Verbond genoemd, als de “Constitutie” van zijn Verbond met Israël (c).

* Gods Verbondsnaam is YAHWEH, meestal weergegeven als HEER of HERE.

 

PROFETEN

De Profeten zijn in onze Bijbelvertalingen onderverdeeld in

1. de historische boeken

2. de poëtische boeken

3. de profetische boeken.

 

1. historische boeken

De historische boeken beginnen in JOZUA met de geschiedenis van de verovering van Kanaän. Ze vertellen ons verder over het leven van Israël in Kanaän, eerst onder de RICHTEREN of RECHTERS (in welke tijd ook RUTH leefde), en dan, na SAMUEL, – die tot de laatste richteren of rechters behoorde en die eerst Saul en daarna David tot koning zalfde – , onder de KONINGEN. Dit boek, en ook de KRONIEKEN, eindigt met hoe Israël en Juda in ballingschap worden gevoerd naar Assyrie en Babel. De terugkeer uit Babel naar Kanaän vinden we in EZRA en NEHEMIA, terwijl ESTER gaat over de Joden die achterbleven.

 

2. poëtische boeken

De poëtische boeken zijn JOB, PSALMEN, SPREUKEN, PREDIKER, EN HOOGLIED.

 

3. profetische boeken

De boeken JESAJA tot en met MALEACHI zijn geschreven door mensen die zelf profeten werden genoemd en

als zodanig optraden, en bevatten de profetieën (of een deel daarvan) die ze hebben gesproken. Er zijn drie

grote en twaalf kleine profeten.

 

TUSSENPERIODE

Tussen de tijd dat de laatste profeet van het Oude Testament profeteerde, en het begin van het Nieuwe Testament, is er een periode van enkele honderden jaren geweest waaruit geen profetieën zijn overgeleverd.

      In de laatste verzen van het Oude Testament, in MALEACHI 4, lezen we naast een herinnering aan de Wet van Mozes in vers 4, in de verzen 5 en 6 de belofte van de komst van de profeet Elia*, voordat “de grote dag van de HEER” komt.

* Uit Matteüs 11:13-15 en Lucas 7:27 blijkt dat met Elia bedoeld is een profeet “als” Elia, namelijk Johannes de Doper, die het optreden van de inmiddels gekomen Verlosser, Jezus Christus, mocht aankondigen.

 

Bijbelverzen waar in de tekst naar verwezen is

(a) vgl. Lc. 24:27 en 44; (b) Gn. 15:18; Gn. 17; (c) Ex. 19, 20, 24

 

Aanbevolen Bijbellezing

1. Openbaring 12:1-5; Lucas 24:13-27; Johannes 1:1-17, 5:19-47

2. Genesis 15 en 17; Exodus 19, 20 en 24; Galaten 3:1-4:7; Hebreeën 8, 9, 11, 12:18-29

3. Jozua 23 en 24; Richteren 3; Richteren 21:25; 2 Koningen 17, 24, 25; 2 Kronieken 36:11-23

4. Maleachi 3:1-5; 3:16-4:6

 

 

terug naar boven

 

 

LES 6: DE 27 BIJBELBOEKEN VAN HET NIEUWE TESTAMENT

 

Het Nieuwe Testament begint met de vervulling van de belofte in Maleachi 4:5-6, de prediking van Johannes de Doper, de voorloper van Jezus Christus (a).

 

EVANGELIËN

De vier Evangeliën vertellen ons over wat Jezus Christus begonnen is te doen en te leren tot op de dag dat Hij in de hemel werd opgenomen (b). Dit wordt ook wel “het begin van het Evangelie* van Jezus Christus”, de Zoon van God, genoemd. Deze periode is heel kort samen­gevat in Openbaring 12:5.

* Het woord “evangelie” betekent goede tijding, blijde boodschap.

 

HANDELINGEN

Het boek met de Handelingen van Jezus Christus door zijn apostelen gaat verder met het werk van Jezus Christus in het vergaderen van zijn kerk. Tien dagen na zijn hemelvaart heeft Hij daartoe zijn Heilige Geest uitgestort. Het Evangelie wordt verkondigd, beginnend in Jeru­zalem, totdat zelfs in Rome, de hoofdstad van het Romeinse Rijk, het Evangelie wordt ver­kon­digd en Gods Koninkrijk geproclameerd (d).

 

BRIEVEN

Verschillende verkondigers van het Evangelie, in het bijzonder de apostel Paulus, hebben brieven geschreven aan de gemeenten die in vele delen van de wereld gesticht werden. In deze brieven wordt het Evangelie van Jezus Christus verder uitgelegd en toegepast in de actuele situatie van de kerk in de wereld.

 

OPENBARING

Het laatste Bijbelboek is de Openbaring van Jezus Christus aan Johannes. Dit boek bevat brieven en visioenen. De visioenen tonen in symbolische taal de geschiedenis van de wereld en van de nieuwtestamentische kerk, en de voltooiing en vervolmaking van Gods werken in Schepping en Verlossing tot op de laatste dag, de Dag van het Laatste Oordeel. Hoofdstuk 12:6 en 12:13-17 geeft een samenvatting van de geschiedenis als beschreven in de boeken Handelingen tot en met Openbaring. Het eindigt met de belofte van Jezus Christus: “Ik kom spoedig”, en het gelovige gebed van de kerk: “Amen, kom, Heer Jezus!”.

 

Bijbelverzen waar in de tekst naar verwezen is

(a) Mt. 3:1-3; Mc. 1:1-4; (b) Ha. 1:1-2; (c) Mc. 1:1; (d) Ha. 28:30-31

 

 

AANBEVOLEN BIJBELLEZING

1. Lucas 1 en 3:1-22; Matteüs 11:2-15; Marcus 1:1-15

2. Lucas 1:1-4; Johannes 20:30-31, 21:24-25; Handelingen 1:1-11, 28:11-31

3. Openbaring 1:1-11, 19-20; Openbaring 4 en 5, en 22:6-21

 

 

terug naar boven

 

 

LES 7: SAMENVATTING VAN DE LESSEN 1-6

 

A. Het Koninkrijk van God

De Bijbel bevat de geschiedenis van Gods Koninkrijk, samen met die van de stad Jeruzalem en de Hof van Eden of Paradijs.

      Adam werd als Hoofd van de mensheid onderkoning namens God over de aardeprovincie (Gn. 1:28), waarvan het centrum lag in de Hof van Eden (Gn. 2:15). Met Adams ongehoorzaamheid kwam er oorlog tussen het Konink­rijk der hemelen en het rijk van Satan. Deze oorlog zou gewonnen worden door Jezus Christus als de beloofde Tweede Adam (Gn. 3:15). In het boek Openbaring wordt de uitslag van deze oorlog verteld (Op. 20:10), die voor de nieuwe mensheid (de bevolking van Gods Koninkrijk ofwel zijn Kerk), leidt tot de volmaakte gemeenschap met God. Zij  leven dan in een Stad, het Nieuwe Jeruzalem (Op. 21), die tegelijk lijkt op een Hof, het vernieuwde Para­dijs (Op. 22).

 

B. De Hof van Eden (Paradijs)

De geschiedenis van het Paradijs kan worden samengevat in deze drie punten:

1. Verloren Paradijs (door de eerste Adam, Gen. 3)

2. Heropend Paradijs (door de Tweede Adam, Lucas 23:42-43)

3. Vernieuwd Paradijs (Openbaring 22)

In het Oude Testament vinden we het Paradijs gesymboliseerd in het Heilige der Heiligen in de tempel (Lev. 16, Lucas 23:45).

 

C. De Stad

De geschiedenis van de mensheid is begonnen in een hof, maar het einde van de culturele ontwikkeling van deze aarde zal worden gezien in de “Hof-Stad” van de toekomst, het Nieuwe Jeruzalem (vgl. Zach. 2:1-5). De eerste steden­bouwer was Kaïn (Gn. 4:17, 21-22; 10:8-2; 11:1-9). Abraham, die geroepen werd om de steden Ur der Chal­deeën en Haran te verlaten (11:28-32), keek uit naar “de stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwmeester is” (Heb. 11:9, 10, 15, 16;). Voor het volk Israël wordt Jeruzalem de hoofdstad (2 Sam. 5:1-9), waar de tempel met het Heilige der Heiligen (symbool van het Paradijs) gebouwd wordt (1 Kon. 6:1-14). De stad Jeru­za­lem wordt symbool van de Kerk als de vergaderplaats van de burgers van Gods Koninkrijk. In het Nieuwe Testament, na Pinksteren, is het aardse Jeruzalem echter niet meer de hoofdstad van Gods Koninkrijk, maar is dat het Jeruzalem in de hemel (Gal. 4:26).

 

D. De oorlog en het Verbond

Toen de mens luisterde naar Satan (Gen. 3:1-7) werd deze “de overste van deze wereld” (Jh. 12:31; Lc. 4:5-7). Hoewel de mens het Verbond dat God met hem gemaakt had brak (Gen. 3:8), handhaafde God zijn Verbond en maakte het zo tot een Genade­verbond (Gen. 3:15). De toen verklaarde oorlog (Gen. 3:15) is door Jezus Christus gewonnen (Kol. 2:14-15), en komt ten einde wanneer de geschiedenis van kerk en wereld voltooid is (Op. 19:19-21, 20:10). De Bijbel vertelt de geschiedenis van het Genadeverbond en van de oorlog tussen God en Satan. Een samenvatting daarvan is te vinden in Openbaring 12, eerst de oud­testamentische periode van de verwachting van Christus (Op. 12:1-4), en vervolgens de nieuwtestamentische vervulling met wat Jezus begon, voortzette, en nog steeds doet en leert, totdat Hij terugkomt uit de hemel (Op. 12:5-6, 13-17; vgl. Hand. 1:1-2).

 

 

terug naar boven

 

 

VRAGEN BIJ DE LESSEN 1–6

 

VRAGEN BIJ LES 1

1. Uit welke vier dingen bestaat het Koninkrijk van God?

2. Wie was oorspronkelijk het Hoofd van de mensheid, en wat was zijn positie onder God?

3. Wie is de vijand van het Koninkrijk van God?

4. Waarom was het nodig dat er een tweede Adam kwam om de eerste Adam te vervangen?

5. Wie is die tweede Adam, en waar kwam Hij vandaan?

6. Wat heeft Hij gedaan dat Adam had moeten volbrengen?

7. Hoe heeft Hij de duivel overwonnen?

8. Hoe zal de definitieve afloop van Zijn strijd tegen de duivel zijn?

9. Wat zal de hoofdstad van het Koninkrijk van God blijken te zijn?

10. Waar zal die stad ook op lijken?

 

VRAGEN BIJ LES 2

1. Waar is de geschiedenis van de mensen begonnen? En waar lezen we dat?

2. Wat gebeurde er met die plaats toen de mensen in zonde vielen?

3. Hoe kan de geschiedenis van de mensheid gekarakteriseerd worden?

4. Wat lezen we in Openbaring 22?

5. Wie heeft het Paradijs heropend, en wanneer?

6. In welke drie punten kan de geschiedenis van het Paradijs worden samengevat?

7. Hoe wordt het Paradijs gesymboliseerd in de Oudtestamentische tempel?

8. Wanneer en hoe werd dit symbolisme afgeschaft?

9. In welke profetie vinden we een tekening van het vernieuwde Paradijs?

10. Hoe heeft de Heer Jezus het vernieuwde Paradijs bij voorbaat mogen zien?

 

VRAGEN BIJ LES 3

1. Waar zal het vernieuwde Paradijs zich bevinden?

2. Waar komt die plaats vandaan?

3. Tot wat moet de Hof van Eden ontwikkeld worden?

4. Wie bouwde de eerste stad op aarde?

5. Waar keek Abraham naar uit nadat hij de steden verlaten had waar hij gewoond had?

6. Wat zou gedurende de periode van het Oude Testament hier op aarde de hoofdstad van Gods Koninkrijk zijn?

7. Wat maakte deze stad tot een heilige stad?

8. Waar is nu de hoofdstad van Gods Koninkrijk?

9. Waar is de stad Jeruzalem een symbool van?

10. Is de opbouw van deze stad al voltooid?

 

VRAGEN BIJ LES 4

1. Wanneer werden de engelen geschapen?

2. Wat gebeurde er onder de engelen na de schepping van de aarde?

3. Wat betekent het dat de mens de Hof van Eden moest “bewaren”?

4. Wat was het gevolg van het feit dat de mensen luisterden naar de duivel?

5. Wat werd de positie van de mens nadat hij het Verbond met God gebroken had?

6. Wat was de vloek van het Verbond?

7. Wat is de “moederbelofte” in het Genadeverbond?

8. Hoe loopt de oorlog of vijandschap die in Genesis 3:15 verklaard werd tenslotte af?

9. Welke geschiedenis bevat de Bijbel dus ook?

10. Waar lezen we een samenvatting van de hele Bijbelse Verbondsgeschiedenis?

11. Geef een verklaring van de verzen 1‑6 in dat hoofdstuk.

12. Geef een verklaring van de verzen 7‑12.

13. Geef een verklaring van de verzen 13‑17.

 

VRAGEN BIJ LESSEN 5 EN 6

1. Welke geschiedenis vinden we in het Oude Testament?

2. Hoe kunnen we die periode noemen?

3. Hoe verdeelden de Joden het Oude Testament?

4. Wat is de “Thora”?

5. Welk deel van de geschiedenis vinden we in de Thora?

6. Wat is er gebeurd met het Verbond dat God oorspronkelijk met Adam heeft gemaakt?

7. Wat behandelen de historische boeken?

8. Welke zijn de poëtische boeken?

9. Wat bevatten de profetische boeken?

10. Waar gaan de Evangeliën over?

11. Wat vertelt het boek Handelingen?

12. Waar houden de brieven zich mee bezig?

13. Waaruit bestaat het boek Openbaring?

 

N.B. De antwoorden op deze vragen zijn in de lessen te vinden. Ga er, zo mogelijk, dieper op in, maar verwijs dan wel naar de Bijbelgedeelten waarop de antwoorden zijn gebaseerd.

 

 

terug naar boven

 

 

LES 8: DE STRUCTUUR VAN HET BOEK GENESIS

 

A. In onze gedrukte Bijbels bevat het boek Genesis (Griekse vertaling van het Hebreeuwse woord toledoth) 50 hoofdstukken. Mozes heeft het boek echter ingedeeld met een inleiding over hoe God hemel en aarde geschapen heeft, en daarop volgend 10 hoofdstukken over wat verder daaruit is voortgekomen.

      Elk van deze 10 hoofdstukken heeft een opschrift dat in het Hebreeuws luidt: Toledoth. Volgens de Amerikaanse professor D.J. Wiseman zou Mozes zeer waarschijnlijk de beschikking hebben gehad over 10 kleitabletten, die van generatie op generatie waren bewaard en doorgegeven. De inleiding en de 1e toledoth zouden dan door Adam op klei geschreven kunnen zijn en doorgegeven. En vervolgens de 2e door Noach, de 3e door Noachs drie zonen, de 4e door Sem, de 5e door Terach, de 6e en 7e door Isaak, de 8e door Jacob, de 9e door Jozef, en de 10e door Efraïm (en Manasse).*)

      Het woord toledoth kan op verschillende manieren worden vertaald, afhankelijk van de context waarin het gebruikt wordt. De meest letterlijke weergave luidt: “dat wat geboren of voortgebracht is”, of “dat wat ergens uit volgt of voortkomt”. Het kan ook worden weergegeven als “nakomelingen” of “generaties”, maar ook met het woord “resultaten”. Het kan zelfs ook vertaald worden met “geschiedenis”, namelijk als de resultaten van het verleden.

 

B. Hier volgt de indeling van Genesis zoals Mozes die gemaakt heeft.

INLEIDING (Gen. 1:1-2:3): “In het begin schiep God de hemel en de aarde”

TOLEDOTH 1 (2:4-4:26): “Dit is de geschiedenis (het resultaat) van de hemel en de aarde toen zij geschapen werden”

TOLEDOTH 2: (5:1-6:8): “Dit is het geslachtsregister van Adam”

TOLEDOTH 3: (6:9-9:29): “Dit is de geschiedenis van Noach”

TOLEDOTH 4: (10:1-11:9): “Dit zijn de nakomelingen van de zonen van Noach”

TOLEDOTH 5: (11:10-11:26): “Dit zijn de nakomelingen van Sem”

TOLEDOTH 6: (11:27-25:11): “Dit zijn de nakomelingen van Terach: Terach verwekte Abraham ...”

TOLEDOTH 7: (25:12-25:18): “Dit zijn de nakomelingen van Ismaël

TOLEDOTH 8: (25:19-35:29): “Dit is de geschiedenis van Isaak”

TOLEDOTH 9: (36:1-37:1): “Dit zijn de nakomelingen van Esau”

TOLEDOTH 10: (37:2-50:26): “Dit is de geschiedenis van Jacob”

 

C. Samenvatting van Genesis volgens deze indeling

Na een inleiding over de vestiging van het Koninkrijk van God (zie Les 1) begint Genesis met het resultaat van de schepping van hemel en aarde (1), en gaat dan verder met de geschiedenis van Gods omgang met de mensen (2). Het resultaat is dat alleen Noach overblijft als een rechtvaardige die ontzag heeft voor God en diens beloften gelooft (3). Daarom maakt God een nieuw begin met de mensen (4).

      God blijft doorgaan met de mensheid in de lijn van Sem en zijn nakomelingen (5), en beperkt zijn omgang met de mensen dan zelfs tot het gezin van Terach (6). Ismaël komt op een zijspoor (7), zoals ook Esau (9), maar via Isaak wordt het beloofde nageslacht gewaarborgd (8).

Tenslotte vertelt de geschiedenis van Jacob ons hoe God blijft zorgen voor de bewaring van een heel volk (10).

Dit volk wordt uit Egypte geleid naar het beloofde land Kanaän (zie de boeken Exodus tot en met Jozua).

 

Opmerking: elke volgende toledoth vindt haar uitgangspunt in de voorgaande. Daarom is het goed bijzondere aandacht te schenken aan de verzen in het begin en aan het einde van elke toledoth. Vaak kan zo de sleutel gevonden worden om de betekenis te verstaan.

 

*) D. J. Wiseman (in New Discoveries in Babylonia about Genesis, Marshall, Morgan and Scott, 1936, Nederlandse vertaling: Ontdekkingen over Genesis, Jan Haan N.V., Groningen 1960) is van mening dat de steeds weer voorkomende uitdrukking “dit is de toledoth van” niet als opschrift maar als onderschrift op elk kleitablet beschouwd moet worden. Voor argumenten daartegen, zie Tyndale Old Testament Commentaries, GENESIS, door Derek Kidner, Inter-Varsity Press, 1973, blz. 23 en 24.

 

 

terug naar boven

 

 

LES 9: TOLEDOTH 1

HET BEGIN VAN DE ONTWIKKELING VAN STEDENBOUW EN VAN DE STAD VAN GOD

 

Het resultaat van de schepping van hemel en aarde begint met:

 a.  de schepping van de mens (2:7) en zijn opdracht om de aarde in cultuur te brengen (zijn cultuurmandaat) (2:15)

 b.  zijn ongehoorzaamheid (3:1-7) en Gods belofte van de Tweede Adam (3:15)

 c.  de strijd tussen het zaad (of geslacht) van de duivel en het zaad (of geslacht) van de belofte (Kaïn die Abel doodt, 4:1-16). Dit komt tot een hoogtepunt in

 d.  de antithese (tegenstelling) tussen een groeiende wereldse of antichristelijke gemeenschap aan de ene kant (4:17-24), en het publiek samenkomen en samengebracht worden van de Kerk (de nieuwe mensheid) aan de andere kant (4:25 en 26)

 e.  Kortom: aan het einde van de eerste toledoth zien we al de beginnende ontwikkeling van de geseculariseerde of wereldse stedenbouw tegenover de komende Stad van God.

 

Opmerkingen:

1.      Uit deze eerste toledoth leren we het thema van de geschiedenis zoals de Bijbel die vertelt. Dit thema is: de voortdurende strijd tussen het zaad (geslacht) van de duivel en het zaad (geslacht) dat deelt in Gods belofte. Het is de ontwikkeling van de tegenstelling tussen God en zijn Verbondsvolk (zijn Kerk) aan de ene kant, en de ongelovige geseculariseerde wereld aan de andere kant. In volgende lessen worden de voornaamste punten in die ontwikkeling aangewezen.

2.      Kaïns zonde is niet dat hij een stad ging bouwen, maar dat hij een wereldse stad bouwen ging. Ook het nageslacht van Seth gaat zich aan stedenbouw wijden, maar hun toekomstige stad wordt gegrondvest op Gods beloften, gebouwd tot Gods eer.

Ook met ‘stedenbouw’ wordt het ‘cultuurmandaat’ (het in cultuur brengen van de schepping) tot uitvoering gebracht.

 

*

 

VRAGEN bij de lessen 8 en 9

1.      In hoeveel delen heeft Mozes het boek Genesis ingedeeld?

2.      Wat is het Hebreeuwse woord voor elk deel?

3.      Wat is de betekenis van dat Hebreeuwse woord?

4.      Geef een overzicht van het boek Genesis.

5.      Geef een overzicht van de eerste toledoth.

6.      Wat is het thema van de Bijbelse geschiedenis?

7.      Welke partijen staan de hele Bijbel door tegenover elkaar?

8.      Is het zondig steden te bouwen en daarin te wonen?

9.      Wat was verkeerd in Kaïns stedenbouw?

10. Op welke grondslag en met welk doel kan stedenbouw plaatsvinden in overeenstemming met ons ‘cultuurmandaat’?

 

 

terug naar boven

 

 

LES 10: TOLEDOTH 2

VERDERE ONTWIKKELINGEN IN DE WERELD VOOR DE ZONDVLOED

 

De samenleving in het begin was er één van stammen, zo mogen we aannemen. In hoofdstuk 5 vinden we een lijst van stamhoofden in de lijn Adam-Seth-Enos en tot en met Noach. Zij waren Gods vertegenwoordigers op aarde. Dit blijkt uit de herinnering in 5:1 aan het feit dat God Adam schiep naar zijn beeld, en dat vervolgens vers 3 zegt dat Seth werd verwekt naar Adams beeld. Het laatste vers van deze toledoth (6:8) maakt echter duidelijk dat dit alleen mogelijk was door Gods genade.

      In de loop van de geslachten kwam er in de Kerk een neergang in trouw en geloof, want van het 7e stamhoofd, Henoch wordt als iets bijzonders vermeld dat hij “wandelde met God” (5:24).

      In het Nieuwe Testament, in Judas :14-15 lezen we dat hij profeteerde tegen hen die probeerden de gelovigen over te halen tot samenwerking met de wereld. Plotseling nam God hem op van de aarde, waarschijnlijk om te voorkomen dat hij gedood zou worden door zijn vervolgers (zie Hebreeën 11:5).

      Dit conflict met de wereld en zelfs binnen de gemeenschap zelf moet een verlangen naar bemoediging en troost hebben gewerkt. Zo kwam het althans tot uitdrukking in de woorden die Lamech sprak bij de geboorte en naamgeving van Noach.

      We mogen aannemen dat aan het einde van deze periode van ‘stamverbanden’ er al een tamelijk moderne maatschappij tot stand was gekomen (zie 6:1). Het had al de kenmerken van een door en door decadente (bedorven) ‘beschaving’: modieuze meisjes en seks (6:2), sporthelden, managers in handel en industrie, grote namen in de wereld van kunst en wetenschap en in de politiek (6:4), misdadig gedrag en groeiende immoraliteit (6:5), welvaart en genotzucht (Matteüs 24:38 en 39).

      In deze maatschappelijke ontwikkeling had bijna de hele Kerk zich aangepast aan die wereldse manier van leven. Dit blijkt in het bijzonder uit het feit dat huwelijken met ongelovigen normaal gevonden werden; liefde werd tot een zaak van alleen maar seksuele aantrekkingskracht (6:2).

      In de hele mensheid van die tijd vond alleen Noach genade in de ogen van de HEER, Yahweh, de God van het Verbond. Dit betekent dat in Gods ogen niet alleen de mensen buiten de kerk, maar ook alle andere kerkleden verwerpelijk geworden waren. Het was alleen vanwege Gods genade voor die ene man en zijn gezin dat niet de hele mensheid tot een einde kwam en de wereld werd vernietigd.  Dit betekent dat God de wereld liet voortbestaan door zijn Kerk te bewaren met het oog op de beloofde Messias, Jezus Christus.

 

VRAGEN

 

1. Wat lezen we in Genesis 5?

2. Wat was de positie van de in dit hoofdstuk genoemde mensen?

3. Wat weet je over Henoch?

4. Wat zei Lamech toen Noach werd geboren?

5. Wat weet je over de maatschappij van voor de zondvloed?

6. Waarom werd Noach niet getroffen door Gods oordeel over de mensheid?

 

 

terug naar boven

 

 

LES 11: TOLEDOTH 3

ONDERGANG VAN DE EERSTE WERELD DOOR DE ZONDVLOED, GODS KERK DAARDOOR GERED (Genesis 6:9–9:29)

 

A. Alleen Noach was rechtvaardig te midden van zijn tijdgenoten (ook van zijn medekerkleden). Hij “wandelde met God”, zoals dat ook van Henoch werd vermeld (Genesis 6:9, zie ook Ezechiël 14:14,20, 2 Petrus 2:5).Gods verbond met de mensen wordt opnieuw bevestigd met Noach (6:18). Dit betekent dat God zijn belofte handhaaft van de komst van het vrouwenzaad, Jezus Christus. Ter wille van Hem redt en bewaart Hij Noach en zijn nakomelingen in de ark. (Noachs ark is daarom een treffend symbool van de Kerk waarbuiten geen redding te zoeken en te vinden is)

 

B. Die redding is niet beperkt tot het redden van zielen die naar de hemel mogen gaan, maar betreft het geheel van Gods scheppingswerken (Noachs gezin en huwelijk, de dierenwereld, maar in beginsel ook de technische, culturele en historische kennis van de mensen werd bewaard). Noach erkende en beleed dit door de vernieuwde schepping aan God te wijden door middel van het bouwen van een altaar en het brengen van offers aan God (8:20).

 

C. God maakt een nieuw begin met de wereld en daarin de nieuwe mensheid, de Kerk (9:1-7)

Er worden in 9:4-6 twee verboden gegeven, kennelijk omdat juist de dingen die daarin worden verboden kenmerkende zonden waren geweest in de wereld van voor de zondvloed.

1. Het eten van bloed.

2. Het vergieten van bloed.

Wat 1 betreft, in heidense religies was dit vaak de manier waarop men probeerde te delen in de natuur en kracht van de goden. Voor gelovigen in zowel het Oude Testament als in het Nieuwe bleef dit verboden (Handelingen 15:28,29; Ezech. 33:25; Lev. 17:10-14). En wat bloedvergieten betreft, de uitoefening van bloedwraak door de familie werd later de uitsluitende bevoegdheid van de overheid (Romeinen 13:1-7).

Het Verbond wordt opnieuw bevestigd (9:8-17). God garandeert het voortbestaan van de wereld met het oog op de komende Christus (zie Matteüs 5:45 en 2 Petrus 3:3-10).

 

D. De zondvloed was niet slechts een veroordeling van de ongelovige wereld, maar in de eerste plaats een werk van God om zijn Kerk te redden. Zie 1 Petrus 3:20,21, waar de zondvloed een ‘tegenbeeld’ (afspiegeling) van de doop wordt genoemd, en de zondvloed als een daad van redding met de doop wordt vergeleken.

 

E. Het einde van deze toledoth is, dat de aarde weer bevolkt gaat worden uit drie ‘voorvaders’, Sem, Cham, en Jafet. De belofte van het komende zaad of nageslacht zal vervuld worden in de generatie van Sem. Jafets generatie zal delen in die zegen. Over Cham wordt niets gezegd, maar zijn zoon Kanaän wordt vervloekt omdat hij kennelijk wordt gekenmerkt door dezelfde zonden die de reden waren voor het zenden van de zondvloed (zie Gen. 15:16, 18:20,21, Levit. 18:3b, 24-30, 2 Koningen 17:7-23).

 

Opmerking: De nieuwe mensheid begin weer in een ‘tuin’ of ‘hof’. Noach plantte een wijngaard. Dan zondigt Noach door dronken te worden. Zo geeft hij aan zijn kleinzoon Kanaän de gelegenheid om dezelfde wereldse weg in te slaan als de mensen voor de zondvloed gewoon waren. Hieruit zien we dat de kerkmensen geen reden hebben om zichzelf te verheffen boven anderen. Vaak zijn ze zelfs een struikelblok voor anderen. Weer blijkt dat niet het al of niet in een stad willen wonen, maar het menselijke hart de bron is waaruit de zonde opborrelt.

 

VRAGEN

 

1. Wat betekent het dat God zijn Verbond opnieuw bevestigt met Noach? (6:18)

2. Waarvan is Noachs ark een symbool?

3. Wat heeft Noachs redding in de ark voor verdere betekenis?

4. Welke twee bevelen (of verboden) zijn na de zondvloed uitgevaardigd? En waarom?

5. Welke drie mensen werden de ‘voorvaders’ van de uit hen voortkomende bevolking van de aarde?

6. Wat wordt er over hen gezegd?

 

 

terug naar boven

 

 

LES 12: TOLEDOTH 4

GOD VERDEELT DE MENSHEID IN NATIES VANWEGE HUN GESECULEERDE STADSLEVEN, EN MET HET OOG OP DE KOMENDE HEILIGE STAD (Gen. 10:1–11:9)

 

Deze toledoth begint met te vermelden dat Sem, Cham en Jafet kinderen krijgen, en sluit af met te vertellen dat hun nakomelingen over de aarde verstrooid worden. Dit betekent dat Gods zegen en opdracht nog altijd gelden: “Weest vruchtbaar, wordt talrijk en vervult de aarde” (Gen.1:28, 9:1). Dank zij Gods geduld met de mensen mogen de mensen met het oog op de komende Christus een nieuw begin maken (zie 2 Petrus 3:3-9).

In Genesis 10:1-32 lezen we in welke volken de mensheid verdeeld werd, en Gen.11:1-9 vertelt ons waarom en hoe dit gebeurde.

 

1. In welke volken

10:2-5: de Jafetieten, voornamelijk de volken rondom de Middellandse Zee, de Zwarte en de Kaspische Zee, Griekenland en Italië. Ze zijn als het ware de ‘wieg’ van de Westerse beschaving, met steden of staten zoals Athene en Rome, en later Frankrijk, Duitsland, Rusland, Engeland en de Verenigde Staten.

10:6-20: de Chamieten, voornamelijk de volken van Afrika en Azië, die de oude beschavingen voortbrachten lang voordat de Westerse beschaving ontstond. Speciale aandacht wordt gegeven aan Babel (in 10:8-12), en aan Kanaän.

      Wat Kanaän betreft (10:15-19) ‒ Kanaän en zijn nakomelingen zijn vervloekt. Deze vloek werd uitgevoerd in de vernietiging van Sodom en Gomorrah, en toen het door Jozua veroverd werd. De hele Bijbel door worden de Kanaänieten beschouwd als een bedreiging voor de verering van de ware God, vanwege hun immorele praktijken (zie Gen.18:20; 24:2-3; 26:34-35; 27:46; 28:1,6-9; Ex.23:27-33; Lev.18,vooral verzen 24-30; Ezech. 16:1-3; Zach.14:21, verg.Openb.21:27)

10:21-31: de Semieten, die in Azië leefden, voor het grootste deel in het Midden-Oosten, in en rondom Palestina (meer over hen in toledoth 5).

 

Opmerking

De verdeling in deze drie groepen (Jafetieten, Chamieten en Semieten) is niet in de eerste plaats een rassen- of etnologische indeling, maar een cultureel onderscheid, dat ook beïnvloed is door religie.

 

2. Waarom en hoe

a. Waarom. ‒ De gezamenlijke poging van de mensen om zich tot een politieke en culturele machtspositie te verenigen was in strijd met Gods opdracht om de hele aarde te bevolken en vol te maken. Deze machtsconcentratie op één plaats verhinderde ook een natuurlijke ontwikkeling van talen. Hun handhaven van het gebruik van één taal hielp hen in hun machtsconcentratie en hun opstand tegen God. Die opstand kwam tot een hoogtepunt onder het 3e stamhoofd in Chams generatie: Nimrod (=Rebel, Opstandeling) (Gen.10:8-12; 11:1-4).

b. Hoe. ‒ God verwarde hun taal en verspreidde hen over de aarde. Dit gebeurde onder het 6e stamhoofd in de generatie van Sem (Gen.10:25; 11:16). Dit betekent dat deze wereldhistorische gebeurtenis gedateerd is aan de hand van de heilige geslachtslijn van Sem. Bij zijn regering over deze wereld heeft God altijd het oog gericht op Jezus Christus en zijn Kerk. Zie ook Deut.32:8; Hand.14:15-17 en 17:26-31; Psalm 2; Openb.12:5.

 

Opmerking

1. Nimrod. Nimrod, de stichter van de stad Babel, “was een geweldig jager voor het aangezicht van de HEER” (10:9). Dit werd de titel van de koningen van Babel (of Babylon) die tegelijk ook optraden als hogepriesters of zelfs als goden (zo werd religie door de staat gebruikt als een politiek instrument). Vergelijk 2 Thess.2:3-12.

2. Babel of Babylon. Dit eerste Babel van Nimrod (waardoor Sem en Jafet werden onderdrukt) werd later opgevolgd door het tweede Babylon met haar regeerders (die Israël en Juda onderdrukten). Beide Babylons zijn in de Bijbel een voorbeeld van het derde Babylon, de geseculariseerde stad van “de laatste dagen”, die zich tegen God verzet en de Kerk van Jezus Christus onderdrukt en vervolgt.

 

Aanbevolen te lezen Bijbelgedeelten

Jesaja 13 (m.n. vers 19); 14:3-23; 21:9; 46, 47 en 48; Jeremia 50, 51; Daniël 4:29-30; 5:30; Openbaring 14:8-13; 17-19. Bestudering van hoe de Bijbel de door de eeuwen heen doorgaande groei van de geseculariseerde wereld en wereldsteden in beeld brengt helpt ons om de kenmerken van Babel ook in onze huidige maatschappij te herkennen. Tegenover deze anti­christelijke ontwikkelingen is het onze roeping om de kenmerken te tonen van de Heilige Stad waarvan God de Architect en Bouwer is (Openb. 21).

 

 

terug naar boven

 

 

LES 13: TOLEDOTH 5

OOK DE HEILIGE GENERATIE VAN SEM WORDT VOLLEDIG GESECULARISEERD IN DE PERIODE TUSSEN DE ZONDVLOED EN DE ROEPING VAN ABRAHAM (Gen. 11:10–26)

 

Er worden tien stamhoofden vermeld in de generatie van Sem. De 10e daarvan is Terach.

      In de tijd van het zesde stamhoofd, Peleg, werd de aarde verdeeld (10:25). In die tijd nam ook de generatie van Sem deel in de grote opstand tegen God. Als er al uitzonderingen waren (maar daar wordt geen melding van gemaakt), dan moeten ze zijn onderdrukt en geboycot. In elk geval, volgens het getuigenis van Jozua ((Jozua 24:2), diende deze generatie in de tijd van het 10e stamhoofd Terach de afgoden.

      Dit betekent dat God alweer, na deze vijfde toledoth, een nieuw begin moest maken, omdat de wereld en de Kerk weer samen tot afval van God waren gekomen. Dat nieuwe begin vinden we in de zesde toledoth, de roeping van Abraham.

 

Enkele slotopmerkingen over toledoth 4 en 5

1.  God wilde dat er een veelheid van talen zou ontstaan, maar het kwam door de zonde van de mensen dat ze elkaar niet meer konden verstaan. Daar kwam een einde aan met Pinksteren, zie Handelingen 2:4-11 en Openbaring 14:3.

2.  De taalverwarring werd nog wel door God gebruikt in hoe Hij met ‘Babel’ handelde, toen het onze Heer Jezus kruisigde, zie Johannes 19:19-22.

3.  Hoe machteloos ‘Babel’ door God is gemaakt werd duidelijk getoond bij de opstanding van Christus, zie Matteüs 28:4, 11-15, 18-20.

 

VRAGEN BIJ LESSEN 12 EN 13

 

 1.  Dank zij wat kan de mensheid een nieuw begin maken na de zondvloed?

 2.  Wat weet je aangaande de Jafetieten?

 3.  Wat weet je aangaande de Chamieten?

 4.  Wat weet je over de Kanaänieten?

 5.  Waarom verdeelde God de mensheid in naties?

 6.  Hoe verdeelde God de mensheid in naties?

 7.  Wanneer verdeelde God de mensheid in naties, en wat is de betekenis van die datering?

 8.  Wat weet je over Nimrod?

 9. Wat wordt er bedoeld met het 1e, het 2e, en het 3e Babel of Babylon?

10. Wat kenmerkt die Babels of Babylons?

11. Hoe verging het de generatie van Sem?

12. Welke twee feiten geven reden voor die conclusie aangaande Sems generatie?

 

 

terug naar boven

 

 

LES 14: TOLEDOTH 6 (deel 1)

ABRAHAM WORDT UITGEKOZEN OM EEN GROOT VOLK TE WORDEN. HET DOEL DAARVAN IS DAT IN ABRAHAM ALLE VOLKEN OP AARDE GEZEGEND ZULLEN WORDEN (Gen. 11:27-25:11)

 

A. Toledoth van Terach

Dit is de toledoth, het resultaat van het geslacht van Terach, het 10e stamhoofd in Sems generatie. Nadat hij Ur der Chaldeeën had verlaten en zich in Haran in het Noorden van Mesopotamië gevestigd had diende hij samen met zijn zonen Abraham en Nahor nog altijd de afgoden (Jozua 24:2).

      Terach woonde met zijn gezin in één van de grote steden van het 1e Babylonische rijk, een Chamitisch machtsblok van stadstaten waarin zij meededen aan de afgodendienst. Net als later werd gezegd van de Efeziërs (Efeziërs 2:1-2) waren zij ‘dood’ door hun overtredingen en zonden, waarin zij wandelden overeenkomstig de loop van deze wereld.

      Deze toledoth vertelt ons wat er door Gods genade is voortgekomen uit deze ‘dode’ Terach: een gezin dat door het wonder van Gods genadige roepstem werd levend gemaakt (vergelijk Efez.2:1-5) in de gezegende Isaak (zie Gen.11:30; 16:1a; 18:11-14; 21:12b; Hebr.11:11-12). Daarom eindigt deze toledoth in Gen.25:11 met Isaak: “Na de dood van Abraham zegende God zijn zoon Isaak; en Isaak woonde bij de put Lachai-Roï”.

      Het Hebreeuwse woord beer-la-hai-roi betekent ‘de put of bron van de levende die mij ziet’, of ‘de put of bron van hem die ziet en leeft’. Hier zag Isaak Rebekka voor het eerst (Gen.24:62-67). Een tijd daarvoor had God op diezelfde plaats beloofd dat ook Ismaël een groot volk zou worden (16:10-14, zie de hierop volgende toledoth 7 van Ismaël).

 

B. De roeping van Abraham

Terach en zijn gezin waren ‘dood’. “God echter, die rijk is aan erbarming, heeft om zijn grote liefde, waarmee hij ons heeft liefgehad”, “hoewel wij dood waren door de overtredingen”, Abraham “levend gemaakt” (zie Efez.2:4-5). Door hem te roepen en een aparte plaats te geven in deze wereld heeft God met hem het Genadeverbond voortgezet met de belofte van de komende Messias.

      Maar “de God der Heerlijkheid is verschenen aan onze vader Abraham, toen hij nog in Mesopotamië was, voordat hij in Haran ging wonen, en Hij zei tot hem: Verlaat uw land en uw bloedverwanten en kom herwaarts naar het land dat Ik u wijzen zal. Toen vertrok hij uit het land der Chaldeeën en vestigde zich in Haran. En nadat zijn vader gestorven was, bracht Hij hem vandaar over naar dit land”, Handelingen 7:2-4.

 

Opmerking

Aan Gods eerste oproep, waarbij kennelijk het hele gezin van Terach betrokken was, werd slechts gedeeltelijk gehoor gegeven. Ze gingen namelijk eerst halverwege, nog steeds in Mesopotamië, zich vestigen in een stad die ze Haran noemden en een stad die Nahor heette, in Paddan-Aram, waar ze nog altijd de afgoden dienden (24:10; 28:2,5; 31:30-35; 35:2-4; Deuter.26:5).

      Maar God roept Abraham een tweede keer (niet na Terachs dood, Hand. 7:4, maar nadat diens dood is genoemd in Gen.12:1*). Nu moet hij ook zijn vaders huis verlaten (waar ze nog geestelijk ‘dood’ zijn). Maar nu gaat hij “zoals de HEER tot hem gesproken had” (12:4; Jesaja 29:22; Hebr. 11:8, en vergelijk Ezech. 33:23-26; 16:3).

 

*) Terach was  70 jaar oud toen Abraham werd geboren, 11:26. Abraham was 75 jaar oud toen hij Terachs huis verliet, 12:4. Terach was toen 145 jaar oud. Hij stierf op 205 jarige leeftijd, 11:32, dus leefde hij nog toen Abraham vertrok uit Haran.

 

 

terug naar boven

 

 

LES 15: TOLEDOTH 6 (deel 2)

ABRAHAM WORDT UITGEKOZEN OM EEN GROOT VOLK TE WORDEN. HET DOEL DAARVAN IS DAT IN ABRAHAM ALLE VOLKEN OP AARDE GEZEGEND ZULLEN WORDEN (Gen. 11:27-25:11)

 

C. Betekenis van Abrahams roeping

1. De Verbondsbeloften

Zie Gen. 12:3 (en vergelijk dit met 17:1-8). God zal er voor zorgen dat Abraham

      a. gaat wonen in het land Kanaän

      b. een groot volk wordt

      c. door Christus een zegen wordt voor de andere volken

      d. en tot een vloek voor hen die hem vervloeken.

2. Het Beloofde Land en de Beloofde Stad

Daar Kanaän vervloekt is (Gen. 9:25) moeten de Kanaänieten eruit om ruimte te maken voor de nakomelingen van Abraham (15:13-16). Hoewel Abraham nog wel zaken kan en mag doen met de Kanaänieten (14:13) wil hij echter geen huwelijksrelaties tussen hen en zijn nakomelingen (24:1-4). Dit houdt in dat vanwege hun vervloekte goddeloosheid er ‘een tussenmuur van vijandschap die scheiding maakt’ (zie Efez. 2:14) door God is opgericht tussen Abraham en de Kanaänieten die in de loop van de tijd door God verworpen zullen worden.

      Zulk een vijandige afscheidingsmuur heeft God echter niet opgericht tussen Abraham en zijn nageslacht en de andere heidense volken. Hoewel Abraham wel werd weggeroepen uit Mesopotamië en uit zijn ouderlijk huis, dit betekent niet dat die nu ook vervloekt en door God verworpen werden. De noodzaak om zich af te zonderen van bepaalde kringen betekent niet automatisch dat alle omgang en gemeenschapsoefening vermeden moeten worden (vergelijk 1 Korintiërs 5:9-13). Zie verder ook onder 3.

      Babels ideaal was om met hun eigen menselijke machtsmiddelen een goedgefundeerde stad te bouwen die de hele aarde overheersen zou. God riep Abraham weg van dat idealisme, die ideologie, maar beloofde hem “de Stad met fundamenten waarvan God de ontwerper en bouwmeester is” (Hebr.11:10). Daarmee is de Hoofdstad van de nieuwe aarde bedoeld, met het vernieuwde Paradijs.

      Van die nieuwe aarde mocht het land Kanaän het aardse voorbeeld zijn. Toch was gedurende Abrahams leven het enige deel dat hij er van bezat een graf. En hoewel zijn neef Lot al in een stad woonde (Sodom, maar het was een stad zonder echte fundamenten en het werd dan ook vernietigd), Abraham bleef zijn hele leven in tenten wonen. Lees Hebreeën 11:8-10, 13-16.

3. Abraham en zijn nageslacht mogen een zegen zijn voor alle volken

In Abraham en zijn nageslacht gaat Gods Woord dat Noach gesproken heeft aangaande Sem, Cham en Jafet (9:25-27) in vervulling. Dit betekent dat Israël een roeping heeft met betrekking tot de andere volken, maar niet om een vijandige scheidsmuur op te richten. Ze moeten hun laten zien hoe heil alleen bij God te vinden is, ze moeten een banier voor de HEER opheffen te midden van de volken (zie Jesaja 11:10,12; 19:23-25) Zelfs voor sommige Kanaänieten blijft redding mogelijk.

      Verwijzingen hiernaar vinden we de hele Bijbel door, zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament. Hier volgen er enkele: Jozua 6:25; Psalm 47:9; 67; 86:9-10; 87; 1 Kon. 8:41-43; 2 Kon. 5:15-19; Jesaja 42:1-16; 49:6; 51:2-5; 56:3,6-8; 65:1; 66:18-23; Jeremia 3:17; Matt. 3:9; Lucas 13:28-30; Joh. 8:39-40; Hand. 3:25-26; 13:46,47; 15:15-18 (verwijzend naar Amos 9:11-12; Jer. 12:15-16; Jes. 45:22-23); Hand. 17:26-27; 22:21-22; Rom. 9:7-8; Gal. 3:7-9,29; Openb. 21:24-27 (vergelijk Zach. 14:20,21).

      Dit alles maakt duidelijk dat Abraham niet de vader is van alle Joden, noch van alle Arabieren of alle Semieten. Abraham is de vader van allen die geloven in Jezus Christus, de Zoon van God. Deze gelovigen worden samengebracht uit iedere stam en taal en volk en natie (Openbaring 5:9,10).

 

VRAGEN BIJ LESSEN 14 EN 15

1. Wat was de geestelijke situatie van Terach en zijn gezin toen God Abraham riep uit Ur der Chaldeeën?

2. En hoe was die situatie toen God Abraham voor de tweede keer weg riep, nu uit Haran vandaan?

3. Wat zijn de vier voornaamste beloften in Gods Verbond met Abraham?

4. Waarom beloofde God het land Kanaän aan Abraham?

5. Wat is de betekenis van het aardse Kanaän?

6. Wie mogen Abraham hun vader noemen?

 

 

terug naar boven

 

 

LES 16: TOLEDOTH 7

ISMAËLS (OP)POSITIE IN GODS VERBOND MET ABRAHAM (Gen. 25:12-18)

 

De toledoth over Abraham eindigde met te vermelden dat Isaak woonde bij de put Lachai-Roï (25:11). Die put kreeg die naam omdat God daar aan Hagar had beloofd dat ook Ismaël een plaats zou krijgen in Gods verbond met Abraham. Hij zou die positie echter innemen in oppositie tegen Gods Kerk (16:7-16).

      Ismaël werd besneden als teken dat ook hij deelde in Gods verbondsbeloften, die echter verwerkelijkt zouden worden in het beloofde nageslacht Isaak, en uiteindelijk in Jezus Christus (17:23-27; 17:18-21; Galaten 3:16; 4:22-31).

      De 12 stammen die uit Ismaël zijn voortgekomen ontwikkelden zich als Arabische stammen die in de loop van de geschiedenis zich vijandig, ja zelfs antichristelijk hebben opgesteld (Psalm 120:5; Jesaja 21:13-17; Jeremia 49:28vv; Ezechiël 27:21). Toch mogen ook zij delen in Abrahams zegen zoals die in Christus is vervuld (Jesaja 42:11; 60:7).

      Uit Galaten 4:21vv blijkt dat ongelovige Joden gerekend worden als Arabieren (Hagar staat voor Arabië en symboliseert het tegenwoordige Jeruzalem, vers 25), terwijl gelovige Arabieren gerekend worden als kinderen van het hemelse Jeruzalem (vers 26), Psalm 87). Op dat tijdstip in de geschiedenis echter was dit het ‘resultaat’ of de uitkomst van Ismaël: Arabische stammen in oppositie tegen God en zijn volk.

 

VRAGEN

1. Waarom werd de put waar Isaak bij woonde Lachai-Roï genoemd?

2. Waarom werd ook Ismaël besneden?

3. Waar stammen de Arabieren van af?

4. Mogen ook zij delen in Abrahams zegen?

5. Wat blijkt uit Galaten 4:21-26?

 

 

terug naar boven

 

 

Les 17: TOLEDOTH 8

DE MESSIAANSE ZEGEN IN GEVAAR IN ISAAKS TENT, MAAR DOOR DE HEER BESCHERMD EN BEWAARD (Gen. 25:19-35:29)

 

A. Isaaks zegen te Lachai-Roï (25:19-28:9)

Isaak en Ismaël hebben samen Abraham begraven (25:9), maar God zegende Isaak(25:11, vergelijk 26:1-33), het beloofde nageslacht (vergelijk Rom. 9:7,8), terwijl Ismaël zijn eigen weg koos. Nu krijgt Isaak twee zoons die beiden bij het Verbond behoren. Wie zal nu de Messiaanse zegen ontvangen? Dat is Gods beslissing. Hij zegende Isaak, Hij zal nu ook beslissen of Esau of dat Jacob die zegen ontvangt (zie Rom. 9:10-13 en Gen.25:23).

      Esau veracht die zegen (25:34; 26:24,35), maar Jacob laat hem er in lopen. Eerst laat hij Esau als die honger heeft de zegen voor wat eten verkopen, en later neemt hij die zegen in de weg van bedrog. Esau is de zegen nu definitief kwijt (27:33-41, vergelijk Hebr. 12:16,17), maar ook Jacob heeft er voorlopig niets aan. Esau gaat zijn eigen weg net als Ismaël deed (28:8,9), maar Jacob ging de weg terug naar Haran (28:1-5), weg van het beloofde land, in ballingschap.

 

B. Jacobs ballingschap in Haran (28:10-31:55)

Zelfs voordat Jacob de naam Israël kreeg (de latere naam van het volk Israël) ging hij al in ballingschap, terug op de weg via welke God zijn grootvader Abraham had weggeroepen uit Ur en Haran in Mesopotamië. Toen de profeet Hosea eeuwen later Israël waarschuwde voor de komende Assyrische en Babylonische ballingschap karakteriseerde hij de zonden van hun vader Jacob als bedrog (Hos. 12:4a), en dat hij alles deed om maar de vrouw die hij wilde te krijgen (Hos. 12:13). Jacob zocht zichzelf, en daartoe wilde hij de Messiaanse zegen te pakken krijgen en ervan genieten. Hij moest nog leren, in een levenslange worsteling met God (dus niet alleen bij Pniël, Gen. 32), om zich op God en diens spreken te richten, en van diens genade alleen te leven (12:4b-6).

      Het gaat inderdaad om genade alleen. Want zelfs voordat Jacob zich op zijn Verbondsgod is gaan richten had God zichzelf al door Jacob laten vinden in Bethel (28:10-22, met name vers 16). En toen Jacob vanwege zijn zonden nog steeds in ballingschap was liet God hem al overvloedig in zijn zegeningen delen (Gen.29 en 30).

 

C. Israëls terugkeer naar Hebron (31:1-35:29)

Jacob keert op Gods bevel terug naar het Beloofde Land (31:3), door God beschermd tegen Laban (31:2vv), en bemoedigd door engelen (geen cherubim zoals in het Paradijs! 31:1,2). Ondanks dit alles is hij heel bang van Esau (32:3vv), vanwege de consequenties van zijn bedrog jegens Esau.

      God breekt Jacobs natuurlijke en lichamelijke kracht, en maakt hem tegelijk, door genade, een overwinnaar (dat is de betekenis van de naam Israël). In vrede ontmoet hij Esau, die terugkeert naar zijn land Seïr, kennelijk niet geïnteresseerd in het Beloofde Land (33:1-16).

      En Jacob? Jacob vergeet de belofte die hij in Bethel gedaan heeft (28:20-22) en vestigt zich in Sichem. Daar koopt hij voor zeg maar € 100 een stuk land om zijn tent op te zetten, in plaats dat hij wacht tot God hem het land geeft. Hij bouwt er heel vroom een altaar (33:20), maar veroorzaakt zodoende de misdaden beschreven in hoofdstuk 34.

      God herinnert hem dan aan zijn belofte om een altaar te bouwen in Bethel, een inderdaad noodzakelijke herinnering gezien het feit dat heel Jacobs familie afgoden diende (35:1-4). Weer moet de HEER hen beschermen tegen de wraakoefening die ze verdienden, en leidt Hij hen naar Bethel.

      Jacob heeft twaalf zonen gekregen, en een dochter. Toen de jongste zoon geboren werd stierf Rachel, en de oudste zoon, Ruben, ging vreemd met Bilha. Niettemin, maar alleen dank zij Gods genade, is Jacob terug waar God met Abraham begon, in Mamre of Hebron.

      Dit is het ‘resultaat’ van Isaaks leven. Isaak sterft nu en wordt door Esau en Jacob begraven (35:27-29). Maar daar waar Abraham eerst alleen was zijn daar nu de 12 patriarchen of aartsvaders van het toekomstige volk van Israël, de bevolking van Gods Koninkrijk in het Beloofde Land.

 

VRAGEN

1.      Hoe heten de twee zoons van Isaak?

2.      Wie verachtte de Messiaanse zegen?

3.      Wie verspeelde die zegen door bedrog te plegen?

4.      Wat moest Jacob leren voordat hij de zegen kon genieten?

5.      Jacob ontving een nieuwe naam. Welke, en wat betekent die?

6.      Hoeveel kinderen heeft Jacob gekregen?

 

 

terug naar boven

 

 

LES 18: TOLEDOTHS 9 EN 10

 

TOLEDOTH 9: KENMERKEN VAN ESAU, DE VADER VAN EDOM (Gen. 36-37:1)

A. Esau trouwde met Kanaänitische vrouwen (Gen. 36:1,2), tegen de wil van Abraham (24:3) en van Isaak (36:34,35). Later werd het door God verboden aan het volk Israël (Deut. 7:3,4).

B. Esau verliet het beloofde land en ging wonen in Seïr (36:6-8). Het was onder Gods voorzienigheid (of leiding) dat dit gebeurde, en het moet dan ook als zodanig aanvaard worden (Deut. 7:1-8; 23:7). Dit ondanks het feit dat Edom aan Israël de doorgang naar het land Kanaän weigerde (Numeri 20:14-21).

C. Uit de aan Esaus kleinzoon gegeven naam Amalek kan afgeleid worden dat Edom betrekkingen onderhield met het antichristelijke Amalek (36:12). Het is mogelijk dat Edom zich heeft vermengd met de oorspronkelijke bevolking van Seïr, de Chorieten (36:20-30), zie ook Deut. 2:12,22). In elk geval zocht Edom zijn kracht in het zich politiek organiseren zoals ook andere heidense koninkrijken dat deden ((36:31-39).

D. Conclusie. In 36:43 en 37:1 wordt dan ook, na een opsomming van de koningen en stamhoofden van Edom, de volgende conclusie getrokken: “dat is Esau, de vader van de Edomieten. Jacob echter woonde in het land der vreemdelingschap van zijn vader, in het land Kanaän”.

 

Enkele latere antichristelijke kenmerken die overeenkomen met de bovenstaande

A. Edom heeft voortdurend oorlog gevoerd met Israël (1 Samuel 14:47; 2 Sam. 8:13,14; 1 Kron. 18:11-13; 1 Kon. 11:14-22; 22:48; 2 Kon. 8:20-22; 14:7; 2 Kron. 21:8-10; 25:14; 28:17; Psalm 60 (en 108) :10,11; 83:7).

B. In een antichristelijke houding heeft Edom de Babyloniërs geholpen toen die Juda in ballingschap voerden. Daarom werd Gods oordeel over hen uitgesproken (Psalm 137:7; Jesaja 34; Jeremia 49:7-22; Klaagl. 4:21,22; Ezech. 25:12-14; 35:1-15; Joël 3:19; Amos 1:11,12; Obadja; Maleachi 1:2-5). Toch betoonde God ook aan een overblijfsel van hen zijn genade (Amos 9:11,12)!

C. Enkele Edomieten staan er persoonlijk om bekend dat zij heel antichristelijk zijn opgetreden: Doëg tegen David en de priester Achimelek (1 Sam. 21:7; 22:9,10,18-22; Psalm 52); koning Herodes de Grote tegen onze Heer Jezus Christus zelf (Matt. 2).

D. Conclusie. Al deze antichristelijke handelingen waren daden in de grote strijd van Satan tegen het Koninkrijk van God!

 

TOLEDOTH 10: GOD HOUDT HET VOLK ISRAËL IN LEVEN IN EGYPTE OM HUN HET BELOOFDE LAND KANAÄN TE KUNNEN GEVEN (GENESIS 37:2-50:26)

A. Wat er van Jacob gekomen is blijkt uit de geschiedenis van Jozef (45:4-11; 46:1-4; 50:20,21; Psalm 105:10,11,16-24). Door middel van Jozef wordt Israël (=Jacob) behouden.

B. Elk van de twaalf stammen ontvangt in het beloofde land de bij die stam passende erfenis en zegen (Gen. 48 en 49).

C. God zal hen in Egypte opzoeken, en vervolgens Kanaän binnen leiden (50:25). Deze belofte begint vervuld te worden in het boek Exodus, en wordt volledig vervuld op de nieuwe aarde (Openb. 7:4-8; 15:1-4; 21:12).

D. Juda ontvangt een bijzondere vermelding (Gen. 38; 44:14vv) omdat hij de Messiaanse zegen ontvangt (49:8-12). Uit Juda’s Koninklijke stam zal, in de lijn van Koning David, de beloofde Messias of Christus geboren worden (zie Matteüs 1:1-18).

 

VRAGEN

1. Met welke vrouwen trouwde Esau, en waar ging hij wonen?

2. Wat kenmerkte Esau en de Edomieten?

3. Noem enkele als antichristelijk bekendstaande Edomieten.

4. Wat is de betekenis van de geschiedenis van Jozef?

5. Welke belofte wordt aanvankelijk vervuld in Exodus, en wanneer volledig?

6. Wat was Juda’s bijzondere positie?

 

 

terug naar boven

 

 

LES 19: DE GESCHIEDENIS VAN HET KONINKRIJK VAN GOD IN GENESIS EN OPENBARING

 

Verband tussen Genesis en Openbaring

De Bijbel vertelt ons de geschiedenis van het Koninkrijk van God. Het eerste Bijbelboek, Genesis, vertelt ons hoe God als de Koning het gebied van zijn Koninkrijk, de hemel en de aarde, geschapen heeft (Gen. 1:1). Ook schiep Hij de bevolking voor zijn Koninkrijk, de mensen (Gen. 1:27), en gaf Hij hun zijn wet (Gen. 1:28,29; 2:16,17).

      Adam leverde als het hoofd van de mensheid de aarde over in de macht van Satan, Gods tegenstander, het hoofd van de engelen die tegen God in opstand waren gekomen (Gen. 3). Maar God beloofde toen dat een Tweede Adam op aarde geboren zou worden als plaatsvervanger voor de Eerste Adam. Deze plaatsvervanger was Gods eigen Zoon, samen met de Vader en de Heilige Geest de Drie-enige God. Hij zou mens worden, het zaad van de vrouw (Gen. 3:15), en als de beloofde Messias of Christus in Bethlehem geboren worden en de naam Jezus, dat is Verlosser, krijgen(Lucas 2). Samen met allen die in zijn komst geloofden en daar naar uitzagen was Hij betrokken in de strijd tegen Satan en tegen allen die Hem als de beloofde Messias verwierpen.

      In het laatste Bijbelboek, OPENBARING van Jezus Christus aan Johannes, wordt het resultaat van die strijd (die nog steeds gevoerd wordt) voorzegd (Openb. 19:11-21; 20:10). Wanneer de aarde is gereinigd van Satan en zijn volgelingen komen er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde (Openb. 21:1), met het Nieuwe Jeruzalem als de Hofstad (Openb. 21:2, 10-27), en in het centrum daarvan het vernieuwde Paradijs, de Hof van Eden (Opbenb. 22:1,2).

      De geschiedenis van het Koninkrijk van God op aarde is dus begonnen in de Hof van Eden. Later werd Jeruzalem de hoofdstad van het Koninkrijk van God op aarde. (Gen. 14:18; 2 Samuël 5:6-10; Psalm 122). Dit was echter tijdelijk, want nu is het hemelse Jeruzalem onze moederstad (Galaten 4:25,26).

 

VRAGEN

1. Wat vertelt Genesis 1 ons over het Koninkrijk van God?

2. Wat heeft Adam als het Hoofd van de mensheid gedaan?

3. Wie zijn de partijen in de toen ontbrande strijd?

4. Waar lezen we over het resultaat van die strijd?

5. En wat zal het eindresultaat zijn?

 

 

terug naar boven

 

 

LES 20: SCHETS VAN HET LAATSTE BIJBELBOEK,

OPENBARING VAN JEZUS CHRISTUS AAN JOHANNES

 

1e inleiding (1:1‑3) Afzender; Gever; Doel; Bode; Middel; Inhoud; Zegengroet.

2e inleiding (1:4‑8) Schrijver; Geadresseerden; Profetische zegen.

 

Aanhef van het boek (1:9‑18)

1. Waar, wanneer, en hoe Johannes deze openbaring ontvangen heeft (1:9‑1O)

2. Opdracht om wat hij ziet in een boek aan de 7 gemeenten te schrijven (1:11)

3. Wat hij ziet: Jezus Christus te midden van 7 kandelaren (1:12‑18)

 

Indeling van het boek: schrijf dan (1:19):

A.  Wat u gezien hebt (Christus met de zeven sterren tussen de zeven kandelaren, 1:12‑18,2O)

B.  Wat is (namelijk de situatie op dat moment van de zeven gemeenten, hoofdstuk 2–3)

C.  Wat hierna geschieden zal (onder twee gezichtspunten):

     1. Wereldgeschiedenis in verband met de kerk (hoofdstuk 4–11)

     2. Kerkgeschiedenis in verband met de wereld (hoofdstuk 12–20)

     3. Wereld‑ en kerkgeschiedenis tot vervulling gekomen in nieuwe hemel en aarde (hoofdstuk 21–22)

 

UITWERKING:

A. Wat u gezien hebt (zie boven)

B. Wat is (de zeven brieven, elk met een aspect van de verschijning van Jezus Christus als beschreven in hoofdstuk 1)

C. Wat hierna geschieden zal:

1. Wereldgeschiedenis in verband met de kerk (hoofdstuk 4‒11)

Inleiding (hoofdstuk 4‒5)

hoofdstuk 4, Lofprijzing van God de Schepper van hemel en aarde

hoofdstuk 5, Lofprijzing van het Lam dat de zonden der wereld wegneemt

Opening van de eerste zes zegels van het wereldgeschiedenisboek (hoofdstuk 6‒7)

a. De eerste vier zegels: vier paarden rennen door de wereld (6:1‑8)

b. Het vijfde en zesde zegel: gebedsdienst in de hemel veroorzaakt wereldwijde rampen (6:9‑17)

c. Troost voor de kerk terwijl die rampen in de geschiedenis van de wereld plaats vinden (hoofdstuk 7)

Opening van het zevende zegel (hoofdstuk 8‒11)

a. Stilte voor de aankondigingen van het laatste oordeel (8:1‑6)

b. Aankondiging van het laatste oordeel door de eerste zes trompetten (8:7‒11:14)

c. Aankondiging van het laatste oordeel door de zevende trompet (11:15‑19)

2. Kerkgeschiedenis in verband met de wereld (hoofdstuk 12‒20)

Inleiding, samenvatting van de hele kerkgeschiedenis (hoofdstuk 12)

a. Oudtestamentische periode, tot Christus' hemelvaart (12:1‑6)

b. Fundamentele overgang naar N.T.ische periode, met hemelvaart (12:7‑12)

c. Nieuwtestamentische periode, van hemelvaart tot Jongste Dag (12:13‑18) (gelijk aan de 1000 jaren van hoofdstuk 20)

De twee beesten, gebruikt door de draak in strijd tegen de kerk (hoofdstuk 13‒14:5)

a. Het beest uit de zee (politieke machten) (13:1‑1O)

b. Het beest uit de aarde (religieuze/culturele/wetenschappelijke machten) (13:11‑18)

c. Het Lam op de berg Sion (de vergadering van de kerk gaat door tot het einde) (14:1‑5)

Het laatste oordeel (14:6‒hoofdstuk 15)

a. Aankondiging door drie engelen (14:6‑13)

b. Uitvoering door Jezus Christus (14:14‑2O)

c. Overwinningslied door de kerk (15:1‑4)

De uitvoering van het laatste oordeel (ook vervolg van 11:19) (15:5‒hoofdstuk 19)

a. Uitgieting van de zeven schalen van Gods gramschap (15:5‒16:2O)

b. Gedetailleerd visioen van de zevende schaal (zie 16:19) (17‒18)

c. Val van Babylon en Bruiloft van het Lam (19:1‑1O)

Het resultaat van de strijd tussen de machten van leven en dood (19:11‒hoofdstuk 20)

a. De macht van het leven: het Woord van God (19:11‑16)

b. De macht van de dood: de twee beesten (19:17‑21)

c. De overwinning van het eeuwige leven; het oordeel van de eeuwige dood (hoofdstuk 20)

 

3. Kerk- en wereldgeschiedenis vervuld in nieuwe hemel en aarde (hoofdstuk 21‒22)

De kerk voorgesteld als

      a. de Bruid van het Lam, wonend in

      b. de Stad Nieuw Jeruzalem,

genietend de volmaakte gemeenschap van

      c. het Paradijs