PREKEN OVER JACOBUS
ZIEKENZALVING: EEN
EXEGETISCHE VERGISSING
Serie van drie preken over de brief van Jacobus. in boekvorm verschenen
in 1999. In datzelfde formaat worden ze nu op deze website opnieuw
gepubliceerd.
|
|
WOORD VOORAF
Voor de in de derde preek gevolgde
exegese over het bidden voor en zalven van zieken ben ik dank verschuldigd aan
wijlen ds E.R. Postma, destijds te Breukelen. In de jaren vijftig of zestig
publiceerde hij in een kerkelijk blad enkele artikelen over dit onderwerp.
Daarin baseerde hij zijn exegese op het onmiddellijk volgende tekstverband, de
verwijzing naar Elia, die het op twee gedachten hinkende volk Israël plaatste
voor de keus van wie het leven te verwachten: Jahweh of Baäl.
Zijn
exegese overnemend vond ik verder support daarvoor in het verband van de hele
brief, waarin de eenheid en betrouwbaarheid van Jahweh gesteld wordt tegenover
de dubbelhartigheid en onbetrouwbaarheid van hen die hun verwachting stellen op
de afgoden van de wereld, of op wereldse manier de HEER God benaderen. Daarover
handelen in het bijzonder de eerste twee preken.
De
aanleiding voor het publiceren van deze preken ligt in het feit dat ook in
Gereformeerde kring de vraag wordt gesteld waarom de ouderlingen (predikanten
en diakenen inbegrepen) geen gewoonte maken van het zalven van de zieken onder
ons. Toen ik de preek over Jakobus 5:14-20 hield in een gemeente waar de
kerkeraad zich juist met vragen hierover uit de gemeente had bezig gehouden,
werd mij verzocht deze preek uit te geven. Eén van de ouderlingen, die ook
medicus is, schreef mij daarna nog: "Het is mijns inziens van groot belang
dat uw overtuigende exegese van de moeilijke verzen in Jakobus 5 over gebed en
genezing bij een groot publiek bekend wordt".
Een
tweede aanleiding voor publicatie is dat een paar weken later er een
zaterdagavond-uitzending van de Evangelische Omroep was over gebedsgenezing en
ziekenzalving. In die uitzending werden schokkende beelden vertoond van het
optreden van de Amerikaanse gebedsgenezer Osborn in 1958 op het Malieveld in
Den Haag. Ook werd er een discussie gehouden over gebedsgenezing en
ziekenzalving waarin Jakobus 5:14-16 (maar los van het tekstverband) een rol
speelde.
Ten
behoeve van ouderlingen die deze preken als zogenaamde 'leespreken' in de
kerkdienst willen gebruiken volgen achterin drie orden van dienst die men
eventueel volgen kan.
Moge
de publicatie van deze preken velen ten zegen zijn.
D
de Jong
Dordrecht,
mei 1999
1
WAT HET WIL ZEGGEN EN UITWERKEN DAT
ONZE GOD ÉÉN IS, TROUW AAN ZICHZELF EN ZIJN BELOFTEN
Lezen: Jakobus 1:1-18
Tekst: Jakobus 2:19
Geliefde Gemeente van onze Heer Jezus
Christus,
Het is opvallend dat in de brief van
Jakobus wel de naam van God vaak genoemd wordt, maar slechts twee maal, en dan
nog schijnbaar alleen terloops, de naam van onze Heer Jezus Christus. Voor
sommigen is dit een reden geweest om zich af te vragen of deze brief wel tot de
canonieke boeken van de Bijbel gerekend mag worden.
De
naam van Jezus Christus komt alleen voor in het eerste vers, waarin Jakobus
zichzelf voorstelt als een dienstknecht van God en van de Heer Jezus Christus;
en dan ook nog in hoofdstuk 2:1. Dat is inderdaad typerend als we denken aan de
andere brieven in de Bijbel, die vol staan van de naam van onze Heer, en die
van begin tot eind ook zijn verzoeningswerk voor de zijnen vermelden.
Nu
wordt er in onze tijd door hen die Gods Woord gelovig aannemen aan de
anonimiteit van Jakobus niet meer getwijfeld, maar in de praktijk toch wel er
aan tekort gedaan. Zo wordt er wel gezegd dat deze brief, waarschijnlijk de
eerste van alle in de Bijbel opgenomen brieven, alleen in het allereerste begin
van de kerk zo nodig was; maar toen eenmaal de brieven van Paulus, die zo breed
over Christus schrijven, verschenen waren, was deze brief van Jakobus met al
die vermaningen er in niet meer zo nodig. Voor dit hoogmoedige standpunt, alsof
wij toch eigenlijk die brief met zijn vermaningen niet meer nodig zouden
hebben, zullen we ons wel hebben te wachten bij de lezing en overdenking van
dit Woord van onze God.
Immers,
die vermaningen zijn voor ons heus niet minder nodig dan indertijd voor de
eerste christenen. Bovendien, als we goed lezen, en wellicht konden die eerste
christenen dat beter dan sommigen in onze tijd, als we goed lezen dan zullen we
zien hoe ook deze brief spreekt van Christus en zijn werk, ook al wordt het
niet steeds met zoveel woorden genoemd. Ook hiervan geldt dat een goede
verstaander maar een half woord nodig heeft.
Ook
deze brief spreekt ons van onze Heer Jezus Christus en zijn verzoeningswerk.
Dat gaan we zien wanneer ik u nu uit de gekozen tekst verkondig ONZE GOD, DIE
ÉÉN IS, ALTIJD EEN EN DEZELFDE IN ZIJN TROUW AAN ZICHZELF EN ZIJN WOORD. We
gaan zien
1.
WAT DIT WIL ZEGGEN
2.
WAT DIT WIL UITWERKEN
1. Jakobus
schrijft hier aan zijn lezers: "U gelooft dat God één is? Daaraan doet u
wel". Omdat Jakobus hier schrijft dat het goed is om te geloven dat God
één is is het van belang na te gaan wat dat wil zeggen dat God één is. En dan ligt
het voor de hand om te denken: het gaat er hier dus over dat er maar één God
is. Er is maar één God, de Vader van onze Heer Jezus Christus, en naast Hem is
er geen god: de goden van andere godsdiensten bestaan dus eigenlijk niet.
Wanneer
we de brief van Jakobus eens helemaal doorlezen, dan zal het ons opvallen dat
het onderwerp van zijn brief maar niet alleen is dat de afgoden niets zijn en
dat alleen de enig ware God bestaat. Nee, het onderwerp van zijn brief is
vooral dat hij wil laten zien wie God is, en hoe God is voor ons, zijn
kinderen.
Hij
grenst onze God niet maar negatief af tegenover de afgoden, maar hij verkondigt
ons positief wie de HEER voor zijn volk is. En kijk, als we dat goed zien, dat
Jakobus zo over God spreekt, dan vervalt al gauw die opmerking dat er in deze
brief wel veel over God maar weinig over onze Heer Jezus Christus en zijn
verzoeningswerk gesproken wordt. Immers, als Jakobus spreekt over God zoals Hij
is en werkt voor zijn volk, dan heeft hij het daarin al over Christus, ook al
noemt hij hem niet steeds weer bij zijn naam.
Onze
tekst, waarin Jakobus zegt dat we er goed aan doen te geloven dat God één is,
neemt in deze brief een heel centrale plaats in. Met die woorden dat God één is
vat Jakobus eigenlijk heel kort alles samen wat hij verder in deze brief over
God en zijn werk aan ons schrijft.
Jakobus
is direct al over God gaan spreken toen hij zijn brief begon. In het eerste
vers noemt hij zichzelf een dienstknecht van God en van de Heer Jezus Christus.
Eerst
dus een dienstknecht van God. Maar als hij dan in het vervolg verder spreekt
over God heeft hij het over de God die Zijn beloften houdt; dan spreekt hij dus
over God zoals wij Hem hebben leren kennen in Christus.
Wanneer
nu Jakobus in onze tekst ons verkondigt dat God één is, dan gaat het hem er
niet allereerst om te zeggen dat er maar één God is vergeleken met de vele
goden van andere godsdiensten. Nee, maar hij verkondigt Hem als de God die naar
zijn raadsbesluit ons heeft voortgebracht door het woord der waarheid, dat is,
door zijn beloftewoord uit Genesis 3, de bekende moederbelofte die Hij waar
heeft gemaakt in Christus. Die God is dezelfde, één en dezelfde, ook voor ons
vandaag. En dat heeft God ook daarin bewezen dat nu ook zijn dienstknechten
zowel dienstknecht van God alsook dienstknecht van Christus genoemd kunnen
worden: want ook dat is één en hetzelfde.
Van
die eenheid van God waar Jakobus hier van spreekt gaan we dan ook iets meer
verstaan als we die stellen tegenover de tweeslachtigheid van de mens. Want die
vergelijking tussen Gods eenheid en de tweeslachtigheid van de mensen wordt in
deze brief inderdaad gemaakt.
Jakobus
verkondigt ons Gods eenheid, Gods trouw, tot onze troost. We hebben aan die God
houvast. Hij is niet vandaag zo, en morgen weer een ander. Nee, maar wat Hij
gisteren, en ook eeuwen geleden, beloofd heeft, dat doet Hij ook. Daar houdt
Hij zich aan: gisteren, en vandaag, en in de toekomst.
Wij
belijden in artikel 1 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis dat God één is en
eenvoudig. Eenvoudig, dat wil hier niet zeggen: gering, simpel. Eén en
eenvoudig, dat staat tegenover dubbelzinnig en tweeslachtig; zoals mensen
kunnen zijn, vandaag zus en morgen zo. Ze kunnen alle kanten op; ze zijn
pragmatisch, ze hebben meer dan één ijzer in het vuur.
Direct
al in hoofdstuk 1 spreekt Jakobus over zo'n mens, die tot God bidt, maar
tegelijk een slag om de arm houdt; op de verhoring van zijn gebed vertrouwt hij
niet. Dan zegt Jakobus van zo iemand, dat hij innerlijk verdeeld is,
dubbelhartig, en ongestadig op al zijn wegen: hij kan alle kanten uit.
Maar
zo is God niet! Hij is een overvloedige bron van al het goede; en dat Hij één
en eenvoudig is blijkt nu daar uit dat Hij uit die bron van al het goede aan
zijn kinderen allerlei weldaden heeft beloofd, en die beloften ook vervult.
Bidt maar, als u wijsheid ontbreekt, zegt Jakobus, en God die aan allen geeft,
zal het ook u eenvoudigweg geven.
God
is als zo'n bron van het goede één en eenvoudig: hij is niet als mensen die wel
op een bron lijken waaruit zoet en bitter water tegelijk voortkomen. In God is
alleen maar goed en geen kwaad. Hij is één, Hij is puur, Hij is betrouwbaar.
Daarom kan Hij door het kwade niet verzocht worden, want het kwade kan niet met
zijn goedheid vermengd worden. Daarom verzoekt God zelf ook niemand met het
kwade, want uit Hem komt geen kwaad voort. Hij is één, alleen maar goed; Hij is
eenvoudig, niet met het kwade vermengd.
Heel
deze brief van Jakobus staat van dergelijke voorbeelden vol. Maar op één ding,
ook uit het 1e hoofdstuk, wil ik nog wijzen: dat God één is in zijn handelen
jegens ons, dat komt voort uit zijn raadsbesluit. Alle goed, zegt Jakobus, komt
van de Vader, bij wie geen verandering is. Geen verandering bij God. Nee, dat
wil niet zeggen dat God een starre, koude, onaandoenlijke God is, zoals bij de
heidenen het blinde noodlot, zonder gevoel, en zonder emoties. O nee, Hij voelt
en leeft met ons mee, Hij is bewogen met ons.
Dat
God onveranderlijk is, dat betekent dat God zijn eeuwig raadsbesluit tot
verlossing van de zijnen ook onveranderlijk uitvoert. Het betekent dat Hij niet
eerst zo besluit, en dan daarna weer anders belooft, en tenslotte zijn beloften
niet vervult. Het betekent dat Hij één lijn blijft trekken omdat Hij
betrouwbaar is.
Deze
eenheid van God is ons houvast, onze troost. Want ze verkondigt ons de
onverzettelijkheid van Gods wil om ons te verlossen, de onaantastbaarheid van
Gods heilsplan.
Jakobus
spreekt meermalen over het heil in zijn brief. Als hij dan nu in onze tekst
spreekt over ons geloof in de eenheid van God, dan doet hij dat opdat wij ook
zullen geloven de zekerheid van het heil, die uit die eenheid van God
voortvloeit. Hij wil daarom ook dat we aan de onverbrekelijkheid van Gods
beloften in Christus bevinding zullen hebben.
Jakobus
spreekt inderdaad maar twee keer rechtstreeks over Christus. Maar die twee keer
zijn dan ook genoeg om Christus in de hele brief te zien. Want hij noemt die
beide keren Christus om ons te laten zien dat God altijd één en dezelfde is.
Hij
is zijn brief begonnen met te zeggen: "Ik ben een dienstknecht van God en
van de Heer Jezus Christus". Het één vloeit uit het ander voort, want het
ligt op één lijn. En die Jezus Christus noemt hij in hoofdstuk 2:1 de Heer der
heerlijkheid. Met die naam stelt hij hem daar tegenover de vergankelijke
heerlijkheid van de aardse rijkdom.
Dat
wil zeggen, gemeente, dat Jakobus ons hier wijst op de vervulling van al Gods
rijke Messiaanse beloften in de heerlijkheid die Christus door zijn dood en
opstanding voor ons verworven heeft, en die ons troosten kan ook als wij op
deze aarde nog armoede en gebrek moeten lijden.
Wij
zijn, zegt Jakobus in hoofdstuk 1:18, naar Gods raadsbesluit voortgebracht om
eerstelingen te zijn onder zijn schepselen. Nu, dat zijn we immers door het
geloof in de verheerlijking van onze Heer Jezus. In Hem hebben we alles en zijn
we rijk; maar dat danken we ten diepste aan de eenheid van God, die in zijn
vrederaad zijn Zoon daartoe eerst heeft gezalfd. Daarna heeft Hij Christus op
aarde gezonden en door lijden en opstanding heen voor ons verheerlijkt.
Dus,
in het kort, wat ons troosten kan is Gods verbondstrouw. En daarom doet u er
dus goed aan wanneer u gelooft dat God één is. Want dan gelooft u dat God een
vast verbond met u heeft. Dan gelooft u in Christus, in wie God ons met zich
verzoend heeft. Dan deelt u in de verlossing, het heil, dat God van eeuwigheid
voor zijn volk heeft bereid.
Geloven
in de eenheid van God is uw enige houvast in de verwarring van onze tijd; het
is uw troost in ziekte en eenzaamheid; het is uw troost in alle strijd die dit
leven mee brengt. Want geloven in de eenheid van God, het werkt iets uit in uw
leven; het smeedt ook uw leven samen tot de eenheid, de eenvoudigheid, de
puurheid van een hart dat de HEER vreest. Het gaat dat dan ook tonen in de
uitgangen van dat hart in het dagelijkse leven. Een eenvoudig leven is niet een
armetierig leven, maar een puur, een zuiver en rein leven. Het is een leven
dat weer stijl vertonen gaat, de stijl van Gods eenvoudigheid.
2. Daarmee
kom ik tot wat ik u in de tweede plaats verkondigen mag: wat de prediking dat
God één is wil uitwerken. Het is waar we om vragen wanneer we Psalm 86:4
(Gereformeerd Kerkboek) zingen: "Voeg geheel mijn hart tezaam tot de vrees
van uwen naam". "Leer mij naar uw wil te hand’len, laat mij in uw
waarheid (dat is: uw puurheid, uw betrouwbaarheid) wand’len".
Misschien
zijn er nu die op deze prediking van Gods eenheid van harte zeggen: ja, dat
geloof ik! Anderen echter zullen misschien denken: het was tot hiertoe toch wel
wat zwaar, wat moeilijk en tamelijk dogmatisch: ik geloof het wel hoor!
Maar
hoe dan ook bij ieder van ons de reactie wezen mag, de prediking van Gods
eenheid wil bij ieder van ons iets uitwerken. Dat blijkt uit deze woorden van
Jakobus: "dat geloven de boze geesten ook, en zij sidderen".
Waarom
sidderen de duivelen? Omdat zij weten dat alleen de God van de Bijbel bestaat,
en de afgoden niet? Maar dat wisten ze allang. Zijn de afgoden geen product dat
ze zelf gemaakt hebben, niets betekenende lege goden, die nooit werkelijk
hebben bestaan?
De
duivelen, gemeente, de duivelen sidderen juist vanwege die moeilijke
dogmatische en om dat woord eens te gebruiken heilshistorische inhoud van die eenheid
van God, zoals ik u die in het eerste punt van deze preek heb voorgehouden.
Laat me daarom daar nog iets meer van mogen zeggen, hoe en waarom de duivelen
sidderen.
Jakobus
heeft zelf het optreden van onze Heer Jezus meegemaakt. Er waren veel van de
duivel bezetenen in Israel, toen Jezus op aarde kwam. En bij Jezus' eerste
optreden gebeurde het al. Er was in de synagoge te Kapernaüm iemand met een
onreine geest. Toen Jezus daar binnenkwam schreeuwde hij luid: 'wat hebt u met
ons te maken, Jezus van Nazareth? Bent u gekomen om ons te verdelgen? Ik weet
wel wie u bent: de Heilige Gods!' Maar Jezus bestrafte hem, zeggend: 'zwijg, en
ga uit van hem'. En de onreine geest deed hem stuiptrekken en ging onder groot
geschreeuw van hem uit.
Toen
Jezus kwam met de prediking: 'Het Koninkrijk van God is nabij gekomen', toen
sidderden de duivelen. De Evangeliën staan er vol van. Ik noem nog maar die
bezetene in het land van de Gadarenen, waar de duivelen Jezus smeekten dat ze
in een kudde zwijnen mochten varen, en hoe toen die zwijnen van de steilte in
zee stortten.
De
duivelen sidderden. En weet u waarom? Zij sidderden omdat zij zagen voor hun
ogen wat ik u in het eerste punt van mijn preek verkondigd heb: de éénheid van
God. En zij geloofden die eenheid van God, die God in Christus openbaarde. Zij
geloofden namelijk de vastheid van Gods raadsbesluit, dat in Christus werd
vervuld. Zij geloofden de vervulling van Gods Messiaanse beloften, die ze in
Christus voor ogen zagen. Ze werden verpletterd door Gods verbondstrouw aan
zijn volk, waarmee God hen ging verlossen van de macht van de duivelen. Daarom
sidderden zij!
De
éénheid van God in de geschiedenis van het heil, de eenheid van God in de
zending van de Christus, de eenheid van God in de verwerkelijking van zijn
verbond, die eenheid van God verschrikte de duivelen. De haren rezen hun te
berge als bij een dier in doodsnood. Ze geloofden de verwerkelijking van Gods
spreken van het begin af aan: 'het vrouwenzaad zal u de kop vermorzelen', want
ze zagen het gebeuren, nu, in Christus. Ze kregen er bevinding aan, het deed ze
wat, nee, het deed ze heel veel.
Want
wat voor een bevinding was het die ze ervoeren? Het was precies het omgekeerde
van de bevinding van de toeëigening van het heil. Het was voor hen de bevinding
van onheil! Kijk, dat is nu de uitwerking van Gods dogmatische en
heilshistorische preek op de duivelen: zij geloven de daarin geopenbaarde
eenheid van God, en ze sidderen.
Nee,
niet alle bevinding is heilzaam. En toch, gemeente, ook dit troost ons. O ja,
ook dat sidderen van de duivelen troost ons. Op één voorwaarde echter. Deze,
dat wij ons daardoor ook laten onderwijzen en vermanen. Want troost en
onderwijs en vermaan die van zo'n God komen, die zijn ook één.
U
mag nu en op andere zondagen de preken mooi vinden, of u mag ze soms te
moeilijk vinden, of wat dan ook, dat doet er allemaal niets toe. Als er telkens
maar weer dit éne bij u is: dat u Gods éénheid gelooft, zo, dat waar de
duivelen sidderen, u gaat zingen 'van hulp en heil u aangebracht' (Oude Berijming
Psalm 118:5).
Want
als dat geloof niet uw hele leven aangrijpt, en niet in de concrete situaties
waarin we geplaatst worden ons tot een brandend vuur in ons binnenste wordt,
dan doet dat geloof ons niets, terwijl het de duivelen zelfs tot sidderen
brengt.
Dat
is het wat Jakobus ons in deze wel zeer beschamende herinnering aan de duivelen
wil inscherpen. Als wij altijd zo onder de indruk waren van Gods
verlossingswerk in onze Heer Jezus Christus, o, wat zouden we dan een andere
mensen zijn. Jakobus zegt ons hier als het ware: kijk naar de duivelen, en
wordt wijs.
Want
waarom laat God hier door Jakobus zijn eenheid zo scherp prediken? Waarom?
Omdat er mensen zijn, ja ook in de kerk, die beweren geloof te hebben (Jakobus
heeft het over hen in hoofdstuk 2), ze beweren geloof te hebben, maar hun
werken zijn er niet naar. Ze beweren Gods eenheid te geloven, ze vinden het wel
mooi misschien (theologie, ook als liefhebberij, is inderdaad een mooi vak):
maar-het-doet-hun-niets!
God
verwerkelijkt zijn raad tot onze verlossing, zijn eeuwige raad (dat moeten we
ons eens indenken, zoals de duivelen nota bene zich dat wel ingedacht hebben),
en - kunt u zich dat voorstellen? - dan zijn er kerkmensen die luisteren naar
een preek daar over, en ze suffen maar voort en het doet hun niets; en dat
terwijl het toch over hun verlossing uit de macht van de duivel gaat, over hun
verlossing en die van heel de kerk waarin zij een plaats gekregen hebben, naar
dat raadsbesluit van God.
God
zendt zijn Zoon op aarde, die voor ons lijdt en sterft, en heel Gods grote
liefde voor de zijnen komt daarin uit; en dat wordt verkondigd aan mensen, en
dan vinden ze de preek mooi of niet mooi: maar het doet ze niets! Is dat niet
verschrikkelijk? Zo erg is het, dat God zelfs de duivelen hun ten voorbeeld
stellen moet. Want zij hebben het geloofd, dat Gods liefde voor de zijnen zo
groot is, dat zij er zelf door verpletterd zullen worden.
God
heeft een verbond met ons, en elke preek is een tastbaar bewijs van Gods
verbondstrouw jegens ons. Want Hij spreekt ons aan met dezelfde beloften van
het begin: beloften die Adam weer deden leven, en die Abraham naar Kanaän deden
trekken, beloften van de waarheid waarvan Gods vandaag nog altijd vergaderde
kerk het tastbare bewijs is. En God belooft die kerk een nieuwe hemel en aarde,
en het doet aan veel mensen niets; ze sukkelen maar voort, en van die geweldige
beloften van God hebben ze geen notie, en dat ze door het geweldige daarvan
beheerst worden in al hun doen en laten: hun kinderen en hun medekerkleden, en
de mensen buiten de kerk, die bemerken er niets van.
Broeders
en zusters, kunt u zich dat voorstellen?
De
eenheid van God, zijn eeuwige trouw, is ons voor ogen geschilderd in het bloed
van Christus. De eenheid van Gods verlossingsplan staat ons voor ogen in het
Lam dat is geslacht. Dat geslachte Lam stond God al voor ogen in zijn eeuwige
vrederaad; en dat Lam is geslacht op Golgotha. En in de nieuwe hemel en aarde
staat daar nog het Lam dat geslacht is: het bewijs van Gods eenheid. Dat Lam
hebben de duivelen gezien, en zij geloofden Gods eenheid, en zij sidderden.
Broeders
en zusters, aan u is Christus voor ogen geschilderd, het bewijs van Gods
eenheid en eenvoudigheid en trouw: wat werkt dat dan uit in u?
Moge
het zijn het AMEN van het geloof!
AMEN
2
DE PREDIKING VAN GODS EENHEID OF
TROUW VEREIST ZACHTMOEDIGE, VEROORDEELT VERGEETACHTIGE, EN PRIJST ZALIG
VASTHOUDENDE HOORDERS
Lezen: Jakobus 2
Tekst: Jakobus 1:19-25
Geliefde gemeente van onze Heer Jezus
Christus,
In het voorgelezen Schriftgedeelte
stelt Jakobus aan zijn lezers en hoorders de vraag: u gelooft dat God één is? U
doet wel; maar dat geloven de duivelen ook, en zij sidderen. Hij stelt daar aan
hen die zeggen dat zij Gods eenheid geloven de duivelen ten voorbeeld. Weet u
waarom? Omdat in hen dat geloof in Gods eenheid iets uitwerkt. Het doet ze wat,
het grijpt hen aan.
De
duivelen sidderen omdat ze die eenheid van God voor ogen zien in zijn werken
tot verlossing van zijn kinderen uit hun duivelse macht. Ze hebben het aan den
lijve ervaren dat die God, die aan het begin gezegd heeft dat de duivel de kop
vermorzeld zal worden, alle eeuwen door dezelfde gebleven is. Zij sidderen
vanwege Gods onveranderlijke trouw aan zijn beloften, zoals ze die in het
bijzonder hebben ervaren in het verlossingswerk van Christus. Hij heeft immers
alle duivelse verzoekingen doorstaan. Hij heeft in zijn duiveluitwerpingen hun
macht weerstaan, op Golgotha heeft Hij tenslotte de macht van de duivel
gebroken, en door zijn opstanding heeft Hij Gods volk uit de doodsmacht van de
duivel verlost.
Ja,
dat betekent het, gemeente, als er staat: de duivelen geloven Gods eenheid, en
zij sidderen. Immers, voor de duivelen betekent Gods eenheid de verscheuring
van hun bestaan; zij sidderen omdat ze weten dat hun rijk bezig is uiteen te
vallen.
En
voor ons? Wat betekent dit voor ons? Voor ons betekent Gods eenheid de heling,
de genezing van ons verscheurde bestaan, de redding van ons uiteengeslagen
leven. Het betekent onze verlossing tot een leven dat weer opnieuw één is.
Waar
de prediking van Gods eenheid, dat is dus van Gods trouw aan zijn verbond tot
onze verlossing, bij de duivelen ontreddering teweegbrengt, daar wil diezelfde
prediking bij ons de toeëigening en ervaring of bevinding van het heil
bewerken.
Die
prediking wil bij ons bewerken dat er niets in ons leven van die verlossing
wordt uitgezonderd; ze wil ons maken tot mensen uit één stuk, tot mensen die
geheel en al leven uit kracht van Gods trouw aan zijn beloften, tot mensen wier
levensstijl één en puur is, omdat God zich zelf heeft laten kennen als de God
die één en puur is.
Daarom
verkondig ik u DE GOD DIE, OMDAT HIJ ZELF EEN, DAT IS TROUW IS, OOK IN ONS
LEVEN EENHEID BEWERKEN WIL, OOK ONS TROUW WIL MAKEN. Die prediking
1.
VEREIST ZACHTMOEDIGE HOORDERS
2.
VEROORDEELT VERGEETACHTIGE HOORDERS
3.
PRIJST ZALIG VASTHOUDENDE HOORDERS
1. De
prediking van Gods eenheid, zijn trouw, vereist in de eerste plaats
zachtmoedige hoorders. Maar wat zijn zachtmoedige hoorders?
Wij
zijn meestal geneigd bij het woord zachtmoedig te denken dat het een kwestie
van karakter is. Sommige mensen hebben een zachtmoedig karakter, en anderen
hebben dat zo niet. Als hier nu een bepaalde karaktereigenschap vereist zou
zijn voor het met vrucht horen van de prediking van onze verlossing, dan was
het niet best.
Immers, dan zou de prediking, voordat
die door Gods Geest bewerken kon dat wij uit de in Christus ons geschonken
verlossing nu ook gaan leven, eerst aan karaktervorming moeten doen. Dan zou de
verlossing niet zijn voor allen die geloven, maar voor allen die, misschien na
veel oefening, tenslotte een zachtmoedig karakter gekregen hebben. Maar dat is
God zij dank toch echt niet zo.
In de Bergrede heeft onze Heer
gezegd: zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen het aardrijk beërven. Met
die woorden heeft de Heer zijn discipelen getroost, en verder ook alle
Israëlieten die gebukt gingen onder het wettische juk van de Farizeeën. Onder
die discipelen was ook Petrus, een man die heus niet zo'n zachtmoedig karakter
bezat. Een heethoofd. Maar ook hij werd met die woorden getroost.
In de Bergrede worden de
zachtmoedigen gesteld tegenover diegenen in het joodse volk, die op een
wereldse manier het beloofde land bezitten wilden. De Farizeeën en hun aanhang
bijvoorbeeld. Zij verwachtten de beschikking over het land Kanaän en ook de
heerschappij over de heidense volken te krijgen door middel van hun eigen
inspanningen en op grond van hun wetprestaties en hun joodse ras, Verder sloten
zij ieder uit die niet met hen op die aardse manier het Messiaanse rijk
nastreefde. Die verdrukten ze zelfs.
Jezus en zijn discipelen hebben het
ondervonden. En dan zegt Jezus: zalig de zachtmoedigen, want zij zullen het
land, het aardrijk, beërven. Daarmee citeert de Heer uit één van de Psalmen,
Psalm 37, dat wat in onze berijming (vers 5) luidt: "Wie met
zachtmoedigheid verdrukking dragen, zien uit naar vrede en beërven 't land. Het
plan der goddelozen zal niet slagen, hoe ook die vijand haat en
knarsetandt".
Zachtmoedigen zijn dus zij die lijden
onder de boosheid van hen die niet door het geloof in Gods beloften alleen
willen leven. Zachtmoedigen zijn zij die gebukt gaan onder het geweld van hen
die wel grijpen naar wat God beloofd heeft, maar daarbij niet zelf gaan in de
weg van de HEER. En ze vervolgen hen die alles alleen maar van de HEER
verwachten.
Zachtmoedigen, zo leert Psalm 37 ons,
dat zijn die mensen die in alles op de HEER vertrouwen en die, als ze dan door
mensen die zich misschien wel hun broeders noemen maar die hun eigen wegen gaan
vervolgd worden, zich niet door hun boosheid laten meeslepen.
Laten we het maar even nalezen in
Psalm 37, de verzen 7-11: "Wees stil voor de HEER en verbeid Hem; wees
niet afgunstig op wie zijn weg voorspoedig maakt, op de man die boze plannen
smeedt. Sta af van toorn en laat de grimmigheid varen, wees niet afgunstig -
dat sticht louter kwaad. Want boosdoeners worden uitgeroeid, maar wie de HEER verwachten,
zij zullen het land beërven. Immers, nog een wijle, en de goddeloze is (er)
niet meer; als u let op zijn plaats, dan is hij (er) niet meer; maar de
oot(=zacht)moedigen beërven het land en verlustigen zich in grote vrede."
En
nu keren we terug tot onze tekst: "neemt met zachtmoedigheid het in u
geplante woord aan, dat uw zielen kan behouden". Dat wordt ook daar, in
hetzelfde vers, Jakobus 1:21, gesteld naast de vermaning: "legt dus af
alle vuilheid en alle uitwas van boosheid".
Zachtmoedig
zijn, het betekent dus: niet met zondige wapens van persoonlijke boosheid
strijden, ook niet tegenover hen die inderdaad van Gods Woord zijn afgeweken.
Afstaan van grimmigheid, en de boosheid laten varen, want dat sticht louter
kwaad; zelfs al staat u in uw recht en al strijdt u tegen mensen die niet naar
Gods Woord leven of zelfs niet willen leven.
Zachtmoedig zijn, dat is: in dat
alles alleen alles van de HEER verwachten. Letten op zijn trouw aan zijn
beloften. Geloven in zijn eenheid, en daarom vertrouwen dat Hij ons de beloofde
nieuwe aarde zal schenken. Wij hebben Hem immers in de geschiedenis van zijn
heil bezig gezien, en we zien Hem toch nog bezig om te werken naar zijn
raadsplan tot onze verlossing. Het heerlijkste bewijs daarvan hebben we immers
mogen zien in het verlossingswerk van zijn Zoon en de gave van diens Geest.
Met zachtmoedigheid het in u geplante
woord aannemen, het is niets anders dan: geloven! Vertrouwend leven uit dat
Woord. Door dat beloftewoord uw leven laten beheersen.
En dat Woord is machtig om onze
zielen te redden. Dat Woord oefent dus zulke energieën in ons uit, dat ons hele
leven in al zijn uitingen daardoor beheerst en behouden wordt. Nu vandaag, in
dit leven al, en tot in eeuwigheid. Ook door de dood heen, want als hier staat
dat dit Woord onze zielen behouden kan, dan gaat het over ons zoals we ook na
de afbraak van ons lichaam blijven voortbestaan: ons eeuwige bestaan wordt door
dat Woord verlost: het werkt in ons het eeuwige leven uit.
Dat Woord, zo zegt Jakobus, is in ons
geplant. En een plant moet groeien. Met zachtmoedigheid het in ons geplante
woord aannemen betekent: het in ons geplante Woord laten uitgroeien in ons
leven, doordat we nergens anders meer ons vertrouwen op stellen. Dat Woord
bevat de belofte van tenslotte een nieuwe aarde waarop gerechtigheid woont. Dat
Woord zet ons hele leven om door de Geesteskracht die er in werkt.
Dat Woord van God komt tot ons door
de dienst van mensen, als we het samen zingend elkaar doen horen, als we het
samen lezen, en door de preek bijvoorbeeld. En die dienst van het Woord is zwak
en vol gebrek. Toch brengt die prediking het Woord van God, en vereist daarom
dan ook zachtmoedige hoorders.
Nee,
dat wil niet zeggen hoorders die alles maar slikken, bijvoorbeeld omdat de
dominee het zegt. Maar het wil ook niet zeggen hoorders die het gehoorde
makkelijk naast zich neer leggen omdat, wel, het is toch ook maar een mens die
het zegt. Want door dat Woord wordt Christus in u geplant, met al zijn
weldaden; ook de belofte van de door Hem verworven nieuwe aarde komt in dat
Woord naar u toe.
Dat
Woord moet aangenomen worden, zegt Jakobus. Het is niet een vrijblijvende
aanbieding, zo van: graag, of niet, je moet het zelf maar weten. Nee, dat Woord
moet in zachtmoedigheid aangenomen worden. Die zachtmoedigheid betekent dan
ook, dat u alle mensenmening in de prediking, als die in strijd is met Gods
Woord, verwerpt. Zachtmoedigheid betekent dat u alleen van de kansel, maar ook
in de liederen die we zingen, horen en aannemen wilt: Gods beloften in Jezus Christus.
Het betekent dat u alleen wilt horen verkondigen de volledige raad van God,
Gods trouw en eenheid, zijn onveranderlijk werken aan onze verlossing.
Als
u dat niet hoort verkondigen, dan is alleen dit zachtmoedigheid, dat u zulke
prediking niet maar naast u neerlegt, maar bestrijdt. Niet in boosheid, maar
met christelijke scherpte; niet door uw eigen mening er tegenover te stellen,
maar het Woord van God. Zoals onze Heer de Farizeeën bestreden heeft, en tot de
zijnen zei: leert van Mij dat ik zachtmoedig ben.
Maar wanneer u de volledige raad van
God wel hoort verkondigen, ook al raakt het u misschien in uw persoonlijke
meningen en vernedert het u: dan betekent zachtmoedigheid dat u dat niet naast
u neerlegt, maar aanneemt; dat u zich er aan onderwerpt. Want de prediking van
Gods Woord is geen vrijblijvende aanbieding, maar een Woord, dat krachtig is
tot behoud van uw zielen. Het gaat in de prediking om ons leven. Het eeuwige
leven.
2. In de tweede plaats veroordeelt de
prediking van Gods eenheid vergeetachtige hoorders. Maar ook hier, bij deze
vergeetachtigheid, gaat het niet over een menselijke eigenschap.
Er
zijn mensen met een goed geheugen, en mensen die dat missen. Tegen zulke mensen
richt de tekst zich echter niet. Jakobus vergelijkt de vergeetachtige hoorders
over wie hij het heeft met iemand die in een spiegel kijkt, maar direct daarna
vergeten is hoe hij of zij er uit ziet. Als je dat zo hoort ben je geneigd te
zeggen: nu, maar dat is toch vergeetachtigheid die veroorzaakt is door een
slecht geheugen, zij het dan wel in heel erge mate. Want wie vergeet er nu zijn
eigen gezicht!
Maar
nu moeten we er goed op letten dat Jakobus toch nog iets meer zegt van die
persoon. Hij zegt namelijk dat die het gelaat 'waarmee hij geboren is' in een
spiegel bekijkt. Nu, als je dat zo leest dan denk je al gauw: waarom staat dat
er eigenlijk bij. Was het niet voldoende geweest te zeggen dat hij zijn gezicht
in de spiegel bekijkt? Waarom die toevoeging? Is dat niet wat al te
breedsprakig: het gezicht waarmee hij geboren is? Spreekt dat niet vanzelf dat
hij dat zag?
Maar juist die schijnbaar onnodige
toevoeging laat ons zien dat het hier maar niet over gewone vergeetachtigheid
gaat, waar je vaak niets aan kunt doen.
Kijk,
het gezicht waarmee je geboren bent, dat is je werkelijke gezicht, zoals je er
werkelijk uitziet. Waarom nu legt Jakobus daar zo de nadruk op dat het hier
over zijn werkelijke, zijn aangeboren gezicht gaat? Dat doet Jakobus omdat er
ook nog een ander gezicht mogelijk is. Niet het werkelijke gezicht, maar een
ingebeeld gezicht. Een bepaalde ideaalvoorstelling die iemand zich van zijn of
haar uiterlijk heeft gemaakt.
Laat
me daarvan een voorbeeld geven. Je hebt erg ijdele mensen die zichzelf heel
knap van gezicht vinden. Als die in de spiegel kijken, dan willen ze gewoon
bepaalde lelijke dingen en gebreken in hun gezicht niet zien. Daar sluiten ze
hun ogen voor, omdat ze nu eenmaal het ideaal dat ze zich van hun gezicht
gevormd hebben willen vasthouden.
Als
zulke mensen van de spiegel weggaan, houden ze het ideaalbeeld dat ze zich van
zichzelf gevormd hebben vast, maar het gezicht waarmee ze geboren zijn, en dat
toch werkelijk in die spiegel te zien was, dat nemen ze in hun gedachten niet
mee. Ze zijn terstond vergeten, hoe ze er werkelijk uitzagen. Niet vanwege een
zwak geheugen dus, maar omdat ze het niet willen zien en onthouden!
Zo,
zegt Jakobus, zo is het met sommige hoorders van het Woord van God en de
prediking daarvan. Of liever, zo staan wij allemaal van nature tegenover Gods
Woord. Dan horen we het aan, maar we horen iets heel anders dan wat dat Woord
in werkelijkheid tot ons zegt: we horen wat we ons zelf inbeelden. Of, als we
al horen wat er gezegd wordt, dan doet het ons niets. We gaan weer weg van de
prediking van Gods Woord met ons eigen gevoelen, met onze eigen mening die we
al bij ons hadden toen we kwamen.
Er
zijn mensen die alleen maar in de kerk komen om te horen wat ze al weten en
aangenomen hebben, en alleen dat willen ze horen. En als wat ze horen daar niet
mee overeenkomt, dan zijn ze net als die man voor de spiegel: niet wat de
spiegel van het Woord hun liet zien nemen ze mee, maar wat ze zelf zich als hun
mening tevoren al hadden gevormd. En wat de spiegel van het Woord hun liet
zien, dat vergeten ze, dat leggen ze naast zich neer.
Wee
de predikanten die daar aan toegeven. Om zulke prediking wordt wel gevraagd.
Ook de kerkgeschiedenis is er vol van. En helaas, zo wordt er ook in onze tijd
wel gepreekt. Vaak willen de mensen het nu eenmaal zo. Maar als zo het Woord
van God gebracht wordt, dan wordt de bediening van het Woord alleen maar een
napraten van wat de mensenharten zelf al mompelen; een zeggen wat zij zelf
zeggen. Dan wordt het een spiegelspel, een heel kunstig spiegelspel misschien,
zo van 'het verhaal gaat' bijvoorbeeld; voor het genot en het vermaak en de
zelfvoldoening van spreker en hoorders beiden. Maar het is niets anders dan een
vertoning van mensenbeelden, in plaats van een spreken in de Naam van God, dat
als een scherp mes zo nodig snijdt in het hart, en dat het Woord van God
inplant in de ziel nadat de ploeg er doorheen is gegaan. De prediking van Gods
Woord moet zijn met macht. Het moet bezit nemen van het hart. Anders is het
daarin onvruchtbaar.
Maar
wat laat de spiegel van het Woord van God ons dan zien? Wat we daarin zien? We
zien daarin onze God, zoals Hij werkt aan onze verlossing, van het Paradijs af
tot aan de jongste dag toe. We moeten Hem zien in de prediking als de God die
één is, de God van het onveranderlijke raadsplan, die in Christus heenwerkt van
het Paradijs naar de nieuwe aarde die ons beloofd is. En dan wil die prediking
ook ons maken tot mensen die één zijn in horen en doen, tot mensen in wie dat
ene verlossingswerk van Christus meer en meer zichtbaar wordt.
Wat
zijn daders van het Woord? Zijn dat jaknikkers tegen het zelfgemaakte beeld van
God, dat ze zich gevormd hebben en dat ze nu in de prediking ook willen horen?
Of zijn daders van het Woord mensen die allerlei vermaningen en geboden van dit
mag wel en dat mag niet willen horen en dan alles wat zij opgesomd krijgen nu
ook gaan doen omdat ze het er toevallig al mee eens waren? En misschien anderen
bepraten die dat niet doen?
Jaknikkers
op hun eigen mening zijn geen daders van het Woord, maar vergeetachtige
hoorders. In de kerk mag maar één mening verkondigd worden, en dat is de mening
van de Heilige Geest! Ook jaknikkers op allerlei geboden en verboden, ook al
komen ze van de kansel, zijn geen daders van het Woord, maar vergeetachtige
hoorders. Want de eenheid van God moet verkondigd worden, zijn trouw, en die
moet machtig op ons allen inwerken en ons hele leven in al ons doen en laten
beheersen. Niet het doen van dit of van dat maakt ons tot daders van het Woord,
maar het als mensen uit één stuk, als totaal verloste mensen samengroeien met
het in ons geplante Woord maakt ons tot daders van het Woord.
Niet
wie een moeilijke preek over de eenheid van God niet meer kan navertellen is
een vergeetachtige hoorder; maar in wie zo'n preek niets doet. Wie door die
prediking zijn leven niet tot een leven uit één stuk wil laten maken, die is
een vergeetachtige hoorder.
Vergeetachtige
hoorders, dat zijn zij die zich uit een preek bijvoorbeeld wel een bepaald
voorschrift weten te herinneren waarmee zij het al of niet eens waren, maar die
de prediking als geheel niet zo met hun leven doen vergroeien dat zij er andere
mensen van worden, mensen in wie het vuur van de Geest brandt, die getuigen van
Gods verlossingswerk in Christus naar de gaven en mogelijkheden die de Heer aan
ieder in het bijzonder geeft.
Vergeetachtige hoorders misleiden
zichzelf. Dat is een oordeel dat ze zelf over zich halen. Want hun ontgaat die
zaligprijzing, die felicitatie waarmee onze tekst eindigt. Hun ontgaat die
zaligprijzing, niet maar omdat ze sommige dingen nalaten die ze eigenlijk
hadden moeten doen (want wie is er die niet zondigt?). Nee, want die
zaligprijzing kan ook diegenen ontgaan die misschien wel van alles doen, maar
alleen omdat ze het er toevallig juist mee eens zijn. Maar wanneer ze, als het
er op aan komt, hun eigen mening vasthouden tegenover die van de HEER, dan zijn
ook zij vergeetachtige hoorders.
Aan
zulke vergeetachtige hoorders ontgaat die zaligspreking, omdat ze vergeten dat,
door het Woord, Christus zelf in hen zichtbaar worden wil.
3. Ja, die prediking van Gods eenheid
prijst zalig al diegenen, die vasthoudende hoorders zijn; die vasthouden dat
heel hun leven het eigendom van Christus is. Daarover in de derde plaats.
Want
wie zich verdiept, zegt vers 25, in de volmaakte wet, die van de vrijheid, en
daarbij blijft, die vasthoudt, die zal zalig zijn in zijn doen.
Wie
zich in het gepredikte Woord verdiept, wie in die wet van de vrijheid die
verkondigd wordt, kijkt als in een spiegel: die ziet zichzelf zoals hij geboren
is, gebonden door de duivel. Maar die ziet ook meer: die ziet Christus, de
vervuller van de wet, die bevrijdt van de boeien van de duivel. Die ziet God,
die van eeuwigheid zijn plan van verlossing onveranderlijk trouw uitvoert, en
die ons die volmaakte wet gegeven heeft als een spiegel waarin we alles zien
wat voor ons behoud nodig is, en die daarom volmaakt is.
Wie
dat vasthoudt wat hij in die spiegel ziet, die vergeet niet hoe hij of zij er
uit ziet, want die ziet zichzelf in die spiegel, gereinigd door het bloed van
Christus, en is daardoor zalig. Wie zich zo in die volmaakte wet van de
vrijheid verdiept, en vasthoudt wat hij of zij ziet, die is zalig in zijn of
haar doen. In het doen waarvan? In dat vasthouden!
En
nu praat ik niet allereerst over het doen van allerlei goede daden zoals zieken
bezoeken en eenzamen troosten en geld geven voor de kerk en lid zijn van
allerlei organisaties. Want dat alles maakt niet zalig. Er staat hier: wie zich
verdiept in die wet van de vrijheid, en daarbij blijft, dat wat hij daarin ziet
vasthoudt, die is zalig in het dat doen.
Komt
het dan op dat andere helemaal niet aan? Het is anders, gemeente. Die andere
dingen, die komen er dan vanzelf achteraan. Want het is onmogelijk dat wie zich
verdiept in de volmaakte wet van de vrijheid, en daarin Gods eenheid ziet, zijn
onveranderlijke trouw waardoor hij of zij het eigendom van Christus geworden
is; het is onmogelijk dat diens leven niet zou blijken te zijn en steeds meer
te worden een leven uit één stuk: een leven waarin dat verlossingswerk van God
in Christus concrete gestalte krijgt, in al zijn of haar levensuitingen.
Daar kunnen we
AMEN op zeggen.
AMEN
3
HET GELOOF IN GODS EENHEID OF TROUW
GEEFT KRACHT AAN ONS GEBED IN GEVALLEN
VAN ZIEKTE, VAN ZONDE, EN VAN AFDWALING
Lezen: Jakobus 3:1-12; Jakobus 4:1-12
Tekst: Jakobus 5:14-20
Geliefde gemeente van onze Heer Jezus
Christus,
Er bestaat veel misverstand over onze
tekst. Zowel de Roomse kerk als allerlei religieuze groepen hebben deze tekst
gebruikt om bepaalde lievelingsideeën van hen daarop te gronden.
De
Roomsen beroepen zich op deze tekst om daarop hun Sacrament der Stervenden, het
Laatste Oliesel, te gronden. En vele anderen gebruiken deze tekst om hun
streven naar wonderbaarlijke gebedsgenezingen op de Bijbel te baseren. Veel
Bijbeluitleggers verzetten zich daar tegen. Maar het is opvallend dat velen van
hen vooral tegenover de gebedsgenezers wel zwak zijn in hun verweer. Het is
vaak weinig bevredigend, zo aarzelend.
Ik
geloof dat dit komt doordat bij de verklaring van deze verzen veel te weinig
het verband in rekening wordt gebracht, en de situatie waarin de gelovigen
leefden aan wie Jakobus schrijft. Er wordt wel beweerd dat het slot van deze
brief bestaat uit wat losse vermaningen die geen duidelijk verband met de hele
brief hebben. Soms zegt men dat zelfs van de hele brief, dat die praktisch
alleen maar uit losse vermaningen bestaat. Maar dat is niet zo.
De
leidende gedachte van deze brief is het geloof in Gods eenheid, Gods trouw.
Alle vermaningen in deze brief vinden in die eenheid van God haar grond, in
zijn onveranderlijke trouw. Daarom moet nu in ons leven deze vrucht van Gods
verlossingswerk zichtbaar worden dat ook ons leven meer en meer een leven uit
één stuk gaat worden, een leven dat beheerst wordt door het geloof in die
eenheid van God, en waaraan nu ook onze levensuitingen gaan beantwoorden. Dat
bedoelen al die vermaningen dus.
Uit
het geloof in Gods eenheid, Gods één- en dezelfde zijn, in eeuwigheid, en in de
geschiedenis van zijn volk en van ons persoonlijk leven, uit dàt geloof vloeit
voort onze enige troost in leven en in sterven.
Nu
beperkt Rome de troost van onze tekst tot het sterven. Het gelovige gebed voor
de zieke, en het hem zalven met olie waar de tekst van spreekt, dat doet Rome
als iemand op sterven ligt; en dan niet als een Bijbelse troost, maar toch
eigenlijk als een soort magische handeling. Aan de andere kant beperken veel
gebedsgenezers de betekenis van onze tekst tot dit leven. Zij beweren namelijk
dat ieder die gelooft dat God hem beter maken kan ook werkelijk genezen zal
worden. Zij hebben iets te bieden voor dit leven, en wie toch niet beter wordt
beschuldigen ze nogal eens van ongeloof, waardoor ze zo iemand ook nog de
troost in het sterven ontnemen, en in het leven niet werkelijk geven.
Nu
mag ik u vanuit onze tekst verkondigen HOE HET GELOOF IN GODS EENHEID, GODS
TROUW, AAN ONS GEBED DE KRACHT VERLEENT VAN DE ENIGE TROOST IN LEVEN EN IN
STERVEN. Dat blijkt in concrete gevallen
1.
VAN ZIEKTE
2.
VAN ZONDE
3.
VAN AFDWALING
1. Jakobus
zegt hier wat christenen moeten doen wanneer er iemand van hen ziek is. Dat hij
hier niet alleen een troost voor de stervenden biedt is duidelijk uit wat de
tekst zegt. Ook Roomse Schriftverklaarders erkennen dat, al moeten ze op bevel
van de Paus toch aan het Laatste Oliesel vasthouden. Er staat immers: het
gelovige gebed zal de lijder gezond maken, en de HEER zal hem oprichten. Over
stervenden en de daarvoor nodige stervensgenade wordt hier dus niet gesproken.
Er wordt gesproken over beter worden, en niet over sterven.
Vandaar
dat velen deze tekst aangrijpen om te betogen dat ieder die maar gelooft
werkelijk beter worden zal. Er gaan allerlei gebedsgenezers de wereld rond,
waar de zieken dan maar naar toe moeten gaan, en als men nu maar gelooft in de
kracht van hun gebed, dan komt er genezing. Het staat hier toch in de Bijbel,
zeggen ze.
Werkelijk?
Nee gemeente! Ik moet u zeggen dat dat hier niet staat! Er staat hier niet dat
een zieke een of andere gebedsgenezer bij zich moet laten komen, maar Jakobus
zegt: laat hij dan de ouderlingen van de gemeente tot zich roepen. Niet een
willekeurige gebedsgenezer, maar de door God in de gemeente aangestelde
ambtsdragers moeten in geval van ziekte gewaarschuwd worden.
Tot
zover is alles wel duidelijk. Maar nu vergelijken we onze praktijk eens met wat
hier staat. Die ouderlingen (tussen haakjes, daar mogen we ook de predikant en
de diakenen onder verstaan, die meestal op ziekenbezoek gaan), die moeten dan
voor en met de zieke bidden, en hem zalven met olie. Maar dat laatste gebeurt
in de praktijk zelden of nooit. De vraag wordt wel gesteld: maar is hier dan
geen ongehoorzaamheid aan wat de Schrift zegt? Er wordt dan ook tegenwoordig
ook in Gereformeerde kringen wel voor gepleit om die gewoonte van ziekenzalving
weer te gaan invoeren.
Vervolgens
zegt Jakobus: en het gelovige gebed zal de lijder gezond maken. Maar dan botsen
we helemaal pijnlijk op de praktijk. In hoeveel gevallen wordt een zieke niet
beter, ondanks het gebed van de ouderlingen, de diakenen, of de predikant, dat
met en voor de zieke is opgezonden tot de HEER? Hoe komt het dat zo veel zieken
niet beter worden? Is dat dan gebrek aan geloof; of komt het omdat niet
gehoorzaamd wordt aan het bevel om de zieke met olie te zalven? Of is het toch
eigenlijk in onze tijd niet meer waar voor ons wat hier staat? Gold dit alleen
in Jakobus' tijd, en vandaag dus niet meer?
Inderdaad,
dat laatste wordt ook nog al eens gedacht. Dan zegt men dat deze belofte, in de
volstrekte vorm zoals die hier gegeven is, alleen betekenis had in de eerste
tijd van de christelijke kerk. Er wordt bijv. gezegd dat men toen een speciale
soort ouderlingen had, die nog ooggetuigen waren geweest van wat de HEER Jezus
had gedaan toen Hij nog op aarde was, en dat zij als zulke niet plaatselijke
maar meer algemene ouderlingen de bijzondere gave van genezing ontvangen
hadden. Verder wordt ook verwezen naar wat we uit andere Schriftgedeelten
weten, uit de Korintiërsbrief bijvoorbeeld, dat er toen inderdaad in de
gemeenten mensen waren die de gave van gezondmaking bezaten als een bijzondere
gave van de Heilige Geest.
En
dan zegt men, en terecht zo, dat die gaven langzamerhand zijn opgehouden,
naarmate de kerk over de hele wereld was uitgebreid, en vooral sinds de Heilige
Schrift voltooid is. En dus, omdat die gaven van gezondmaking inmiddels
verdwenen zijn, daarom zou nu ook deze belofte dat het gelovige gebed de zieke
genezen zal vandaag niet meer gelden. En, zo betoogt men dan verder, daarom
beroepen charismatische bewegingen en gebedsgenezers zich ten onrechte op deze
tekst.
Nu
is het inderdaad waar dat van die gaven van genezing in de Bijbel wel
geconstateerd wordt dat ze er toen waren (in Korinte bijvoorbeeld), maar dat er
geen belofte is dat ze zullen blijven voorkomen. Alleen maar, van dat gelovige
gebed dat de zieke genezen zal waar onze tekst van spreekt, daar blijkt nergens
van dat die belofte maar tijdelijk zou zijn. Integendeel, er wordt ten bewijze
van de waarheid van wat hier staat heel in het algemeen gezegd: het gebed van
een rechtvaardige vermag veel. En dan wordt als voorbeeld verwezen naar een
mens zonder zulke bijzondere gaven, slechts een mens zoals wij, op wiens gebed
de HEER grote dingen gedaan heeft. Nu, dat geldt toch voor alle tijden; zou dat
vandaag niet meer zo zijn?
O
nee, dat geldt ook vandaag, ook als er geen mensen zijn met die bijzondere
Geestesgaven zoals bijvoorbeeld die gave van de gezondmaking. Want over die
gave gaat het helemaal niet in onze tekst. In de Korintiërsbrief wordt gezegd
dat er toen allerlei gaven en bedieningen waren: de één is herder en leraar,
een ander ouderling of diaken, een derde spreekt in tongen, en weer een ander
heeft de gave van gezondmaking. Maar er wordt nergens gezegd dat de ouderlingen
die gave van gezondmaking krachtens hun ambt of bediening bezitten. Maar hier
in onze tekst moeten niettemin de ouderlingen krachtens hun ouderlingenambt
bidden met en voor de zieken. En ze worden hier niet aangeduid als ouderlingen
van de algemene kerk met alleen voor die tijd geldende speciale volmachten,
maar als de ouderlingen van de plaatselijke gemeente. En bovendien geldt van
hen dat ze mensen zijn zonder die bijzondere gave van genezing, immers mensen
van gelijke beweging als Elia en als wij allemaal.
Ja,
maar hoe komt het dan dat zoveel zieken toch niet beter worden ondanks het
gebed van de ouderlingen of diakenen? Komt dat dan toch door ongeloof? En dan
moet het antwoord zijn: inderdaad, soms wel. Maar dan niet alleen vandaag, maar
ook al in de tijd van Jakobus. Soms wel. Maar toch niet altijd. Want God heeft
niet beloofd dat alle zieken voor wie gebeden wordt beter zullen worden. En
zo'n belofte staat er ook niet in onze tekst.
Om
te verstaan wat Jakobus hier zegt moeten we het verband vasthouden, het verband
van de hele brief, en vervolgens het onmiddellijke tekstverband. We moeten
geloven dat God één is, altijd dezelfde in zijn trouw aan het Verbond. Hij is
de God die altijd gegeven heeft en nog steeds geeft en blijft geven wat wij van
Hem bidden, wanneer wij bidden zonder twijfelen dat God ons geeft wat Hij ons
heeft beloofd.
Maar
nu waren er mensen in de gemeente waaraan Jakobus schrijft, we hebben dat
gelezen in hoofdstuk 4:2,3, die niet bidden, en er waren mensen die verkeerd
bidden. Jakobus noemt die mensen overspeligen, mensen die niet trouw aan de
HEER zijn, maar die vrienden van de wereld willen zijn. Die mensen verwachten
dus, in hun niet of verkeerd tot God bidden, wat zij nodig hebben van de
wereld, of ze verwachten het op een wereldse manier.
Tegen
die achtergrond moeten we nu onze tekst lezen. Is er iemand bij u ziek? Laat
hij het dan niet van de wereld verwachten, maar de ouderlingen van de gemeente
tot zich roepen.
De
HEER heeft van begin af aan al zijn weldaden beloofd aan zijn kinderen. En Hij
heeft zijn kinderen van begin af aan geleerd al wat ze nodig hebben van Hem
alleen te verwachten. Ze zijn toch zijn eigendom, gekocht met het kostbare
bloed van zijn eigen Zoon? Ieder in de kerk mag geloven het eigendom van
Christus te zijn, en moet nu alleen van de Vader alles verwachten, in leven en
sterven, in ziekte en gezondheid.
Maar
wat is de praktijk geworden, bijvoorbeeld in de hier genoemde concrete gevallen
van ziekte? Sommige gemeenteleden verwachten hun genezing van de wereld. Nu
waren dokters zoals wij die kennen in die tijd nog heel zeldzaam. Ook de veelheid
van medicijnen die wij hebben was er toen nog niet. Wie ziek was ging als hij
jood was naar de priesters of de oudsten van de synagoge, en als hij heiden was
naar de priesters van de afgodstempels van die afgoden, aan wie men de genezing
van allerlei ziekten toeschreef. Hun medische hulp was geen vak of beroep zoals
bij onze dokters, maar een deel van hun religie, hun godsdienstoefening,
waaraan de zieke die hen te hulp riep dan zelf ook deel nam.
Zo
gaven de heidense priesters hun medicijnen dan ook in de naam van hun afgod. De
meest voorkomende medicijn, bij hoofdpijn, keelpijn, koorts, enz. was olie,
waarmee men de zieke bestreek. En dat deed men in de naam van zijn afgod, van
de god van de geneeskunst Aesclepius bijvoorbeeld, in wie men dan ook geloven
moest, wilde men geholpen worden. Maar nu waren er zieken in de gemeente die
zulke joodse of heidense priesters bij zich lieten komen, en zo hun genezing
van de wereld, dat betekent hier van de joodse synagoge of van de heidense
tempels verwachtten. Ze baden niet, of ze baden verkeerd.
En
dan zegt Jakobus: als je gelooft in de eenheid van God, in zijn onveranderlijke
trouw zoals Hij zich in Christus gegeven heeft aan zijn kerk, dan moet je niet
zulke priesters, maar de ouderlingen van de gemeente tot je roepen, opdat niet
die priesters hun toverformules over je uitspreken, maar opdat die ouderlingen
een gebed over je uitspreken, en opdat zij je met olie zalven in de naam van de
HEER. En dan volgt de belofte: en het gelovige gebed zal de lijder gezond
maken; het gelovige gebed, en niet het ongelovige gebed van de synagogenoudsten
of de toverspreuken van heidense priesters. En de HEER, de trouwe Verbondsgod,
zal hem oprichten, en niet een afgod.
Als
we zo de klemtoon leggen op Jakobus' woorden hier, dan verstaan we dat hier
niet een absolute belofte gegeven wordt dat iedereen beter worden zal. Nee, wat
hier wordt bedoeld is dat, wannéér men beter wordt, dan is dat dus het werk van
de Héér, en niet van andere goden. En daarom moet u in uw ziekte uw hulp alleen
van de HEER verwachten.
Wil
dit nu zeggen dat we geen middelen mogen gebruiken, en geen dokter of
maatschappelijk werker mogen roepen, maar alleen een ouderling of de dominee?
Natuurlijk niet! De weg van de middelen wordt ons hier juist uitdrukkelijk
aangewezen: het toen voor de hand liggende geneesmiddel gebruiken: olie. Om het
met woorden van vandaag te zeggen: in veel gevallen om te beginnen een
aspirientje of een paracetamol nemen, of een hoestdrankje, of welke van de
vandaag meest voor de hand liggende geneesmiddelen, om maar iets te noemen. En
als dat niet helpt, andere geneesmiddelen, waar u zelf en ook een ouderling of
dominee tegenwoordig niet zo veel verstand meer van hebben, en waar dus een
vakman, een dokter, voor geraadpleegd moet worden.
Nee,
hier wordt niet bedoeld dat het toen en ook nu verboden zou zijn om naar een
niet-christelijke dokter te gaan. Dan zou men in veel gevallen wel uit de
wereld moeten gaan, iets waar de apostel Paulus ergens tegen waarschuwt (zie 1
Korintiërs 5:10). Maar hier gaat het er over of men zijn toevlucht neemt tot
afgodendienst of andere bijgelovige praktijken, of een christen in strijd met
het eerste gebod iets anders voor Gods aangezicht heeft waarop hij zijn
vertrouwen stelt. Daarom zegt Jakobus: roep als u ziek bent, ook als er een
gewone dokter tot uw beschikking staat, de daarvoor aangewezen ambtsdragers; en
als er alleen maar een heidense priester is, dan alleen die ambtsdragers.
Hier
gaat het om, dat het vertrouwen van hen die dreigen af te dwalen moet worden
teruggeleid naar de HEER, van wie ze alleen in ziekte en nood uitkomst moeten
verwachten. Daarom het gelovige gebed, en daarom de vermaning van de ouderling
of de dominee als hij de flesjes en de doosjes bij een ziekbed ziet staan: u
moet dat gebruiken, niet in vertrouwen op die medicijnen, maar in vertrouwen op
de HEER, op zijn zegen daarover. Want Hij is de onveranderlijk trouwe God, die
zijn trouw getoond heeft in het zenden van zijn Zoon, die ook onze ziekten op
zich genomen heeft, en onze smarten gedragen heeft. Zijn eigendom zijn wij, dat
is onze enige troost, ook in het leven van een zieke; en ook, als het de HEER
behaagt de zieke hier niet meer te genezen, in zijn sterven.
2. En dit te geloven, gemeente, geeft ook kracht aan ons gebed
in gevallen van zonde. Het tweede waarover ik spreken mag. Wanneer de
ouderlingen voor een zieke bidden, zo zegt Jakobus, dan zal als hij zonden
gedaan heeft hem vergiffenis geschonken worden.
Trouwens,
niet alleen op het gebed van de ambtsdragers. Jakobus breidt het hier uit tot
alle gemeenteleden. Belijdt elkander uw zonden, en bidt voor elkander, opdat u
genezing ontvangt.
Men
heeft wel gezegd dat het hier over zonden zou gaan waardoor de ziekte
veroorzaakt is. Uit dronkenschap en uit seksuele zonden en drugsmisbruik kunnen
gemakkelijk allerlei lichamelijke en psychische kwalen voortkomen. Anderen
denken aan de mogelijkheid dat als straf op bepaalde zonden sommigen ziek
gemaakt zijn door de HEER, en dat daarom eerst die zonden beleden moeten
worden, voordat op genezing gehoopt en daarvoor gebeden kan worden. Zo was het
bijvoorbeeld aan eertijds joodse gelovigen door hun rabbi’s geleerd. Maar onze
Heer Jezus heeft ernstig gewaarschuwd tegen zulk lichtvaardig oordelen: denk
maar aan de blindgeborene (zie Johannes 9).
Nee,
we zullen hier óók moeten denken aan gewone zieken. Toch is er ook dan wel
reden om te rekenen met een zonde die met hun ziek zijn verband houdt; namelijk
deze zonde, waarover in het eerste punt al door mij gesproken is, dat men
begonnen is zijn vertrouwen niet op de HEER te stellen, maar op de afgoden. Dat
men bijvoorbeeld afgodspriesters bij het bed geroepen heeft, in plaats van de
ouderlingen.
Wanneer
dan tenslotte, als vrucht van de vermaning van Jakobus, een zieke alsnog de ouderlingen
laat roepen, dan zal de zonde die hij eerst bedreven heeft (welke ook maar) hem
vergeven worden. En aan degenen die hem bezoeken, ook de andere gemeenteleden,
kan hij belijden dat zijn zonden hem vergeven zijn, en dat hij nu weer alles
alleen van de HEER verwacht; en dat hij ook de kracht van de medicijnen nu
alleen aan de zegen van de HEER toeschrijft. Zo gaat er een getuigenis uit van
de zieken ook tot de gezonden, en zo zal ook het gebed voor de zieken en om hun
genezing in de gemeente toenemen, en ook de dankzegging bij genezing en
bekering. Immers, zo komen zieken en gezonden weer recht te staan tegenover
God. Zo tonen allen zich rechtvaardigen, dat is: mensen die op God vertrouwen.
Zo leren de zieken het ook weer aan de gezonden in de gemeente, om te leven uit
die enige troost dat we in leven en sterven het eigendom van Christus zijn, en
niet van de afgoden, en ook niet van de dood. En dat geloof, dat verleent nu
kracht aan het gebed.
Jakobus
zegt in vers 16b: het gebed van een rechtvaardige vermag veel, doordat er
kracht aan verleend wordt. Worden nu alle zieken beter voor wie gebeden wordt?
Nee. Gebeden waar kracht aan verleend wordt zijn gebeden die komen uit een hart
dat zijn zonde heeft leren kennen (hier heel concreet de zonde van afgoderij,
maar het geldt ook van seksverslaving of drugsverslaving of
welvaartsverslaving). Het zijn gebeden waarin niet getwijfeld wordt aan Gods
genade en macht; ja, het zijn allereerst gebeden waarin alleen de enig ware
God, die zich in zijn Woord aan ons heeft bekend gemaakt, wordt aangeroepen om
al wat Hij ons geboden heeft te bidden.
Het
hier bedoelde bidden is dus niet een bidden om niet beloofde wonderbaarlijke
genezingen, maar een bidden dat alles van nu af aan alleen van de HEER
verwacht. Genezing ook, maar zo nee, dan is het ook goed, omdat ook in het
sterven God onze God blijft en de enige troost ons niet begeeft.
Een
gebed waaraan kracht verleend wordt is niet een gebed waarin het gaat om ons,
maar waarin het gaat om onze God. Dat blijkt uit het voorbeeld dat Jakobus
vervolgens geeft. Elia. Een mens als wij. Hij bad volgens 1 Koningen 17 een
gebed dat de aan ziekte gestorven zoon van de weduwe te Zarfath weer tot het
leven zou terugkeren. En de HEER hoorde naar de stem van Elia, en de ziel van het
kind keerde in hem terug, zodat het levend werd.
Wat
zegt u: staat dat er niet? ... Ja, maar dàt voorbeeld uit Elia's bidden zouden we wel verwachten! Dat
voorbeeld zou er ook gestaan hebben als het hier ging om wonderbaarlijke
gebedsgenezingen. Maar het staat er nu juist uitgerekend niet!
Niet
Elia's gebed om genezing voor een gestorven zieke, in 1 Koningen 17, maar
Elia's gebed om droogte en daarna om regen wordt als voorbeeld uit 1 Koningen
17 en 18 aangehaald.
Weet
u waarom? Omdat het ook toen ging om kerkleden die hinkten op twee gedachten:
moest men van de HEER alles verwachten, of van de Baäls? Wie geeft regen en
vruchtbaarheid, wie zorgt er voor ons leven, de God van het Verbond, of de
Baäl?
Het
hier genoemde gebed van Elia ging over precies dezelfde vraag als bij de zieken
in de tijd van Jakobus: wie schenkt het leven, hetzij regen, hetzij hier
concreet genezing uit ziekte. Wie? De afgoden, of, de HEER? Zoals Elia's strijd
ging tegen de zonde van afgoderij, zo ook hier. Hoe kan een zieke, hoe kan een
gemeente bidden als de zonde van het eerst op afgoden vertrouwen niet beleden
is? Dan wordt zelfs niet alleen het gebed verhinderd, maar mogelijk ook de
genezing; en zeker de hoop op genezing.
Daarom,
Jakobus heeft hier niet bedoeld te zeggen dat de kerk, de ouderlingen, de
diakenen, of de dominee de zieke in elk geval door hun gebed genezen zullen.
Nee,
dit is de boodschap in dit Woord van de HEER: de ambtsdragers hebben in zijn
naam rijke troost voor u, ook als u ziek bent, vooral als u in uw ziekte
geplaagd wordt door de onrustige wetenschap van onbeleden zonden. Belijdt ze:
het zal u vergeven worden.
Want
dezelfde God die Adam riep in het paradijs na zijn zonde is in Christus ons
heel nabij gekomen en roept nog steeds: geloof in mijn eenheid van spreken en
doen; belijdt uw zonden en Ik zal ze vergeven en zo echt doen leven, of u nu
gezond wordt, of dat u sterven gaat. Want hetzij wij leven, hetzij wij sterven,
wij zijn van de HEER. Dat geloof geve aan ons aller gebed de kracht van de
enige troost, in ziekte, ook in zonde.
3. En, dat in
de derde plaats, die troost blijft er ook nog voor wie afdwalen van de
waarheid, als ze maar terugkeren van hun dwaalwegen. Jakobus roept alle
gemeenteleden op om zieken en verslaafden, die in hun ellende van de HEER zijn
afgedwaald, niet hard te bejegenen maar het Evangelie van de troost voor te
houden. Zelfs als uit hun eerste zonden een menigte van zonden is voortgekomen.
Jakobus'
brief eindigt met een bewogen appèl op alle broeders en zusters om nu ook in de
geschonden gemeenschap der heiligen de eenheid van Gods verlossingswil weer aan
elkaar te betonen, om elkaar tot steun te zijn. Om bijvoorbeeld zieken te
bewaren voor radeloosheid en moedeloosheid, door ze op te zoeken, opdat ze in
dat als één man uit Christus' verlossing leven van de gemeente weer het zicht
op Gods eenheid zullen krijgen.
Broeders
en zusters, indien dan bij u iemand van de waarheid afdwaalt, niet alleen in
ziekte, maar in welk ander geval dan ook (want deze laatste woorden van Jakobus
slaan tevens terug op de hele brief): zoekt hem of haar dan op om hem of haar
tot inkeer te brengen. "Want weet, dat wie een zondaar van zijn dwaalweg
terugbrengt, diens ziel van de dood zal behouden, en tal van zonden
bedekken".
In
Gods verlossingswerk gaat het tenslotte niet om levensverlenging van sommigen,
maar om het eeuwige leven van allen die tot zijn volk behoren. Naar die stijl
van Gods verlossingswerk moge ook het leven van de gemeente hier meer en meer
gereformeerd worden, opdat er aan ons gebed, van ieder persoonlijk en aan ons
gemeentegebed, kracht verleend worde. In ons gebed voor elkaar, ook voor hen
die zondigen, ook voor hen die steeds verder afdwalen. Kracht die zich ook laat
ervaren in het opzoeken van hen die afdwalen, opdat zij behouden worden.
Broeders
en zusters, gelooft dan daadwerkelijk in Gods eenheid; weest één, omdat uw God
één is, en troost elkaar met de enige troost.
AMEN
EVENTUELE ORDEN VAN DIENST
(De psalmen en gezangen zijn uit het
Gereformeerd Kerkboek)
1. Votum en Zegengroet
Psalm 89:1
De Tien Woorden
Psalm 89:6 {morgendienst}
Gebed
Schriftlezing: JAKOBUS 1:1-18
Gezang 118:1,2,3
TEKST: JAKOBUS 2:19
Gezang 109:1-4
Gezang 179a of b {middag- of avonddienst}
Dankzegging en Gebed
Dienst der Offeranden
Psalm 118:5
Zegen
2. Votum en Zegengroet
Psalm 36:2
De Tien Woorden } morgen-
Psalm 36:3 } dienst
Gebed
Schriftlezing: JAKOBUS 2
Psalm 37:3,4,5
TEKST: JAKOBUS 1:19-25
Psalm 86:4,5
Gezang 179a of b {middag- of
avonddienst}
Dankzegging en Gebed
Dienst der Offeranden
Gezang 103:1,4-9
Zegen
3. Votum en Zegengroet
Psalm 34:1,4
De Tien Woorden } morgen-
Psalm 34:5,6 } dienst
Gebed
Schriftlezing: JAKOBUS 1:1-17; 4:1-12
Psalm 31:1,2,4,11
TEKST: JAKOBUS 5:14-20
Psalm 38:5,8,9,11
Gezang 179a of b {middag- of
avonddienst}
Dankzegging en Gebed
Dienst der Offeranden
Gezang 131:4-9
Zegen
POSTSCRIPTUM
In de nummers 21 en 22 van Reformanda (24 en 31 mei 2000) schrijft
Ds P. van Gurp twee artikelen in verband met ziekenzalving, waarin hij ook naar
dit boekje verwijst.
Volgens
Ds van Gurp lost de door mij voorgestelde exegese het ‘probleem’ niet op. Want,
zo schrijft hij in nummer 21, “ook hij kan er niet omheen, dat we hier geen
absolute belofte moeten lezen”; maar “er staat wel terdege een belofte”.
Ds
van Gurp maakt zich wel heel gemakkelijk af van wat hij het ‘probleem’ noemt,
door namelijk de onmiddellijke context en die van de hele brief, waarop mijn
exegese is gebaseerd, niet eens te noemen. Laat staan dat hij er op in is
gegaan.
We
vergelijken bijv. in hoofdstuk 1 de verzen 14-16 met vers 17. Dat al het goede
van boven, van onze Vader komt wordt daar gesteld tegenover het feit dat het
kwade voortkomt uit de zondige begeerte van de mens. Vandaar ook dat men,
volgens hoofdstuk 4:13-16, op reis gaande niet op eigen plannen vertrouwen
moet, maar erkennen dat zijn behouden terugkomst afhangt van God: “indien de
HEER wil, zullen wij leven”. Met andere woorden, als je behouden terugkeert is
het de HEER, en niet je eigen planning, die je behouden heeft.
In
geen van deze voorbeelden wordt gesproken in de vorm van beloften. Nu, zo moet
ook hoofdstuk 5:14,15 gelezen worden, op grond van deze manier van spreken in
Jakobus’ brief. En dit wordt verder bevestigd door de verwijzing naar Elia’s
gebed naar aanleiding van de vraag: wie geeft regen, Jahweh, of Baäl. In nummer
22 van REFORMANDA wordt naar een aantal van 15 Schriftplaatsen verwezen waar
het in Jakobus 5 door ‘ziek’ vertaalde woord ‘asthenes’ met ‘zwak’ wordt
weergegeven. Volgens de door hem aangehaalde Ds P. Lok heeft het zelfs als
eerste en oorspronkelijke betekenis die van zowel lichamelijk als geestelijk
zwak. Hij schrijft dan: “Het woord kan dus wel vertaald worden met ‘ziek’, maar
dat is een uitzondering”.
Dr.
L. Floor in zijn Commentaar op Jakobus schrijft echter (pag.179), dat van de 34
keer dat het werkwoord ‘astheneoo’ in het Nieuwe Testament gebruikt wordt het
20 keer ziekte aanduidt, en 14 keer psychische of geestelijke zwakheid.
Het
lijkt mij voor de hand liggend te zijn, dat de eerste en oorspronkelijke
betekenis duidt op een duidelijk zichtbare situatie van ‘zonder kracht zijn’,
dus ‘ziekte’; en dan daarvan afgeleid de betekenis ‘psychisch zwak’.
Tenslotte
wijs ik op Dr Floor’s conclusie: “...
zalving met olie vond plaats waar iemand werkelijk fysiek ziek was”, wat
hij “een dwingend argument” noemt.
Op
grond van dit alles meen ik te mogen zeggen dat Ds van Gurp’s kritiek op mijn
exegese tekortschiet, en het geheel van zijn (en Ds Lok’s) betoog weinig
overtuigend is.
D
de Jong
Dordrecht,
juni 2000