PREKEN UIT RECHTERS
OVER DE RECHTER JEFTA
Serie van zes preken over de rechter Jefta
|
|
1
De eerste
van de zes heeft als tekst Rechters 10:1-6 en 11:1-3. Voor de orde van
eredienst worden hier enkele suggesties vermeld. De psalmen en gezangen zijn,
tenzij anders vermeld, uit het Gereformeerd
Kerkboek.
SCHRIFTLEZING: Rechters 2:8-19
Aanvangslied: Psalm 102:6,11
Na de Tien Woorden: Psalm 65:2
Na Schriftlezing: Psalm 95:3,4,5
Na de preek: Psalm 130:2,4
Slotzang: Liedboek 125:1,2,5
Geliefde gemeente van onze HEER
Jezus Christus,
In het boek over de Rechters worden
ons de lotgevallen van het volk Israël verteld in de eerste eeuwen na de
intocht in Kanaän.
In
het begin wordt verteld dat Jozua het volk Israël in het land Kanaän, het land
van de rust, heeft binnen gebracht. Maar daarmee was de volkomen rust nog niet
bereikt. Dat wordt in het boek Rechters wel angstig duidelijk. De aanvankelijke
rust die Jozua bracht, wordt in het tijdvak van de Rechters telkens weer door
het volk geschonden.
Toch
is dat gelukkig niet de enige inhoud van dit boek, en zelfs ook niet de hoofdinhoud
er van. Bovenal verkondigt dit boek ons de ondoorgrondelijke barmhartigheid van
de HEER, die almaar weer een nieuw begin maakt, als het volk door zijn afval is
vastgelopen. Telkens weer schenkt de HEER verlossers, rechters, die in Zijn
Naam de geschonden rust herstellen.
Het
boek Rechters laat ons ook zien dat de mensen vanwege hun zonde en afval niet
genoeg hadden aan de priesterdienst in de tabernakel en het onderwijs van de
Levieten. Het blijkt dat zij niet kunnen zonder een koning, die hier op aarde
leiding geeft aan het volksleven, om het te bewaren bij het Woord van God en
bij de dienst der verzoening.
Zo
geeft dit boek dus niet alleen een beschrijving van de voortgaande afval van
Gods volk. Bovenal is het een roep om de komst van de Messias, door wie alleen
de afval overwonnen kan worden en de rust verzekerd.
De
boodschap van dit boek is, dat God ook dwars door die afval heen werkt naar de
komst van Hem die als een eeuwige Koning zijn volk bij de verworven verlossing
bewaart en de definitieve rust voor Gods kinderen verwerft. Zo lezen we bijv.
in Hebreeën 4:9, dat er nog een sabbatsrust over blijft voor Gods volk.
Wanneer we nu die boodschap van het boek
Rechters verstaan en geloven, dan troost en sterkt ons dat ook vandaag. Wij
zijn in Christus verder gekomen dan het kerkvolk in de dagen van de Rechters.
Jezus Christus heeft op Golgotha de volledige en definitieve rust verworven
door Zijn bloed. En Hij is opgevaren om als Hoofd van zijn kerk ook heel de
wereldgeschiedenis te leiden tot Zijn wederkomst op de wolken als onze Rechter.
Ik verkondig u
CHRISTUS ONZE RECHTER, WIENS VERLOSSINGSWERK ZELFS DOOR
ZIJN EIGEN VOLK IS TEGENGESTAAN.
Dit komt uit
1. IN HET ZICH ONWAARDIG MAKEN VAN HUN VERLOSSING DOOR
TOLA EN JAÏR
2. IN HET MISBRUIK VAN DE KERKELIJKE TUCHT JEGENS JEFTA
1. Het eerste waarop we willen letten is de
totale afval van de kerk, waardoor ze zich Gods verlossingswerk door middel van
Tola en Jaïr onwaardig maken. Daarover lezen we in de verzen 1-6 van hoofdstuk
10.
Met
het daar verhaalde zitten we al over de helft van de periode van de Rechters.
In het gedeelte dat aan onze tekst voorafgaat wordt ons de afval van Gods volk
verhaald, zoals die aan het einde van Gideons leven begon, en onder zijn zoon
Abimelech steeds grotere vormen aannam. En het ergste is, dat die geschiedenis
niet eindigt met de verblijdende vermelding dat het volk zioh bekeerde en dat
toonde door de HEER om verlossing uit hun ellenden te smeken.
Maar
nu is het eerste wat ons moet opvallen dat God ondanks dat geen einde aan zijn
verbond met Zijn volk heeft gemaakt. Hoewel zij niet tot de HEER roepen,
verwekt de HEER toch nog weer twee rechters, om aan het in zonde en afval
levende volk Zijn wegen te leren en hen terug te roepen tot een leven met Hem.
In
het begin van hoofdstuk 10 wordt ons verteld van de rechter Tola, die als
verlosser optrad in Efraïm, ten westen van de Jordaan. Daarna horen we
van Jaïr, die hetzelfde deed in Gilead, ten Oosten van de Jordaan.
Van
Tola wordt ons verder niet meer verteld dan dat hij 23 jaar lang als rechter is
opgetreden. Maar ook die mededeling is veelzeggend. 23 jaar lang heeft de HEER
aan een volk dat in zonde en afval leeft en zich daarvan niet wil bekeren, toch
nog verlossing en bevrijding gegeven. Hij bleef hen terugroepen van hun zondige
weg, om ze te brengen op de weg van de verlossing, die Hij in Jezus Christus
voor zijn volk bereiden wil.
Dan
sterft Tola. De stem van de prediking Westelijk van de Jordaan, in Efraïm, komt
tot zwijgen. Maar nog barst het volle oordeel over Efraïm niet los, al blijkt
uit ver 6 dat ze nog steeds de HEER de rug toekeerden.
Toch,
het begin van het oordeel, waarin het ergste zich al laat voelen is er al: een
volk, dat de HEER heeft losgelaten wordt nu ook door de HEER losgelaten.
Toch
is die loslating niet totaal. Want de HEER verwekte ook nog een andere rechter.
Deze echter niet in Efraïm, in het West-Jordaan-land, maar in Gilead, ten
Oosten van de Jordaan. Nu was het Oost-Jordaanland een gebied dat in Israël
eigenlijk niet helemaal voor vol meetelde. Maar toch, 22 jaar lang blijkt Gods
trouw aan zijn verbond. En de HEER laat ook heel duidelijk zien, dat nog steeds
Zijn beloften waar zijn, dat wie de HEER vrezen zijn zegen zullen genieten.
De
rechter Jaïr is daar zelf het ziohtbare bewijs van. Hij wordt door de HEER
gezegend met vruchtbaarheid en welvaart. Hij ontvangt 30 zonen die, zoals Psalm
127 het zegt, als pijlen zijn in de hand van een held. Die zonen ontvangen
namelijk allen ook een vooraanstaande positie, want elk staat aan het hoofd van
een nederzetting, en bezit als teken van zijn positie een ezelhengst. Een
ezelhengst, dat was het rijdier waar in die tijd alleen de vooraanstaanden
gebruik van konden maken (het was zoiets als rijden in een BMW vandaag).
Ook
Jaïr is kennelijk in zijn rechterschap trouw aan Gods Woord, hij toont zich in
zijn ambt een rechtvaardige, en de HEER bekrachtigt zijn werk door zijn
kennelijke zegeningen.
Maar
helaas, ondanks dat alles bekeren de mensen zich niet. Ze laten Jaïr gewoon
maar praten, en ze sluiten hun ogen voor de zegen die Jaïr zelf geniet in de
weg van leven door het geloof alleen, in trouw aan Gods Woord. De Israëlieten
hebben wel wat anders te doen dan naar Jaïr te luisteren. We leven toch zeker
midden tussen andere volken met andere gewoonten, ook andere religieuze
gewoonten. Ze willen bij de tijd zijn, en dan kun je toch niet blijven beweren
dat alleen je eigen god de enige ware god is. We moeten vandaag aan de dag meer
inter-religieus denken, Alle religies komen toch op het zelfde neer. Ongeveer
zo was hun redenering; het was echt niet veel anders dan ook in onze tijd wel
te horen is.
Deze
ontwikkeling was al wel een hele tijd aan de gang. Maar nu lezen we in vers 6
van onze tekst dat aan het einde van Jaïrs tijd dit alles een climax bereikte.
Meer
en meer wordt de dagelijkse praktijk dat de Israëlieten de godsdienstige
gewoonten en instellingen van de oorspronkelijke bewoners van Kanaän overnemen.
Steeds minder hielden ze rekening ze met de HEER. Zowel zij als hun kinderen
hadden klaarblijkelijk geen enkele Bijbelkennis meer, en dus ook geen idee van
wat Gods Woord betekent voor het hele leven, ook maatschappelijk en politiek.
En dat was dan ook meer en meer te merken in hun manier van leven.
En
zo lezen we dus in vers 6 dat de Israëlieten weer deden wat slecht is in de
ogen van de HEER. Ze dienden allerlei afgoden, seks- en vruchtbaarheidsgoden,
en zij verlieten de HEER en dienden Hem niet.
Nu
was de vermenging van het dienen van de HEER met afgodendienst al wel eerder
voorgekomen; maar die ontwikkeling kwam nu echt tot haar volheid en hoogtepunt.
Want als al de afgoden die zij gingen dienen in vers 6 worden opgesomd, dan is
het opvallende, dat de Bijbelschrijver hier een 7-tal soorten van afgoden
noemt. Daarmee wil hij uitdrukken dat die afvallige ontwikkeling die direct na
Jozua's dood al merkbaar was nu tot haar toppunt is gekomen, en dat die gepaard
gaat met de radicale verwerping van de verlossing, zoals die in Gods geduld nog
door de dienst van Tola en Jaïr werd geschonken.
Jaïr
liet het zien hoe God zijn beloften vervult. Zo was dat in zijn eigen leven
concreet zichtbaar, in de vrucht daarvan ook in het dagelijkse leven.
Maar
de mensen zeiden: daar doe je toch niets mee in de politiek, en bij
maatschappelijke problemen. We passen ons liever aan bij de gewoonten van hen
die eerder in dit land hebben geleefd of er nog leven, en daar laten we het
Woord van God buiten. Daar doen we hoogstens binnenskamers wat mee, en in de
tabernakel.
Herkennen
we daar iets van in ons land, in onze hedendaagse maatschappij?
Maar,
gemeente, we hoeven er ons dan ook niet over te verwonderen dat die totale
afval ook in het interne kerkelijk leven duidelijk merkbaar werd.
2. Dit brengt ons tot wat we in de tweede
plaats gaan zien: het misbruik van de kerkelijke tucht in de uitsluiting of
excommunicatie van Jefta.
In
diezelfde tijd was er namelijk, zo lezen we in hoofdstuk 11:1-3, in de
ge-meente een tuchtgeval geweest. Daar was een zekere Jefta, die door zijn
vader Gilead verwekt was bij een vrouw met wie hij niet getrouwd was. Dat was
indertijd weer goed gekomen. Gilead heeft die jongen als zijn eigen wettige
zoon aangenomen.
Maar
toen die jongen groot geworden was, en ook zijn broers, die van nature wettige
kinderen waren, volwassen waren, joegen zij Jefta weg uit de
familiegemeenschap. Maar ja dat hield in die tijd tegelijk ook in een wegjagen
uit de kerkgemeenschap. Want ook de oudsten van Gilead hadden daar, zo blijkt
uit het vervolg, kennelijk in berust, ja, er zelfs aan meegedaan. Dat staat een
paar verzen verder in hoofdstuk 11:7,8 te lezen: Daar zegt Jefta tegen de
oudsten, toen die later bij hem kwamen om hem te vragen hun aanvoerder te
worden: “Uit minachting hebt u mij uit het huis van mijn vader verdreven”. “U
hebt gelijk”, antwoordden de oudsten van Gilead hem.
Terwijl
dus die kerkgemeenschap zelf hoererij pleegde met de afgoden, en zich zo de van
God gekregen erfenis onwaardig maakten, deden ze tegelijk alsof zij zo geweldig
netjes en fatsoenlijk waren. Zo’n hoerenkind, daar wilden ze niets mee te maken
hebben. Net als later de Farizeeën: die wilden ook hun erfdeel niet delen met
hoeren en tollenaars. Dat de vader indertijd zelf die zoon als wettige zoon had
aangenomen, en daarmee zijn kwaad, althans aan die jongen, had hersteld, dat interesseerde
hun niet meer. Waarschijnlijk leefde die vader niet meer, en nu ontzeggen ze
aan die ene zoon het recht op een deel van de erfenis.
Hij
ontvangt geen deel in het erfdeel van de familie en, tegelijk daarmee, geen
erfdeel onder het volk van God. Hij wordt door de tucht uitgebannen,
geëxcommuniceerd, zodat hij gedwongen wordt naar het land Tob te vluchten, om
daar, met andere uit hun land verdreven zwervers, een vrijbuiterbestaan te gaan
leiden. Hem overkomt wat later ook David gedwongen was te doen, toen koning
Saul hem het leven in Israël onmogelijk had gemaakt. Hier zien we dus een kerk,
die zelf niet meer leeft in het geloof aan de verzoening van bedreven zonden.
Maar daarmee verloochenen ze de beloofde Messias, de komende Christus, en passen
ze zich nog meer aan aan de manier van leven van de Kanaänieten.
Ze
onderhouden banden met religieuze gemeenschappen waarvan de offerpraktijken in
flagrante strijd zijn met Gods wil, en tenslotte gaan ze daaraan ook volledig
mee doen. Ze zijn volkomen verwereldlijkt, geseculariseerd. En tegelijk
misbruiken ze het genademiddel van de tucht om één van hen van de dienst der
verzoening uit te sluiten, hem zijn erfdeel onder Gods volk te ontnemen, en hem
buiten de kerk te sluiten; daar waar geen heil te verwachten is.
Terwijl
ze zelf geen ernst maken met het hun beloofde heil, de belofte van de komende
Messias, spelen zij met het heil van dit kerklid. O ja, waarschijnlijk wel
onder het mom van godsdienstig fatsoen, want ze kunnen zich schijnbaar beroepen
op de Bijbel. Er staat toch maar in Deuteronomium 23 dat een bastaard niet in
Gods gemeente komen mag? Dat passen ze dan ook op Jefta toe. Het staat er toch?
Maar in werkelijkheid handelen ze alleen maar uit eigenbelang. Want in
Deuteronomium 23 gaat het over incest, zoals bijv. bij Lot en zijn dochters, en
niet over buitenechtelijk geboren kinderen. Zo blijkt in alles tot wat voor een
diepte de afval van de levende God in Israël gekomen is. Ze verruilen de dienst
der verzoening voor gemeenschap met de afgoden. En ze misbruiken de kerkelijke
tucht als alleen maar een maatregel om de zogenaamde goede orde te bewaren, hun
zogenaamde goede fatsoen.
Broeders
en zusters, als toch onze HEER dit uit de kerkgemeenschap uitgestoten kind van
God niet in zijn ondoorgrondelijke liefde had bewaard, wat zou er terecht
gekomen zijn van Israël, en van de verlossende komst van onze Rechter Jezus
Christus zelf? Als onze HEER dit kind van Hem niet had voorbestemd om een
instrument te zijn in Zijn hand om zijn kerk naar Gods Woord terug te roepen,
zowel in het kerkelijke leven alsook in de maatschappij en de politiek, wat
dan? Dan zou nu de nacht van Gods vernietigend oordeel over Israël gevallen
zijn. Het licht van Gods genade zou in deze wereld zijn uitgedoofd, en de
beloofde Messias, Jezus Christus, zou nooit gekomen zijn. Het zou nooit
Kerstfeest zijn geworden. Ja, zover was het gekomen met Gods volk toen op
aarde. Een verloren kerk, een kerk waar niets meer van kon uitgaan in de
wereld, een krachteloze gemeenschap.
Zou
zo’n kerkgemeenschap ooit tot God kunnen terugkeren? Nog tot Reformatie kunnen
komen?
Nee,
onmogelijk! Er was niets meer overgebleven om nog enige hoop op te vestigen.
Het was één grote puinhoop die ze er van hadden gemaakt.
Als
het van hen had moeten afhangen, dan hadden we hier de laatste bladzijde van de
Bijbel bereikt, dan was dit hier het einde van de geschiedenis van de kerk
geworden. Dan zou daardoor de hele wereld, met de kerk er bij, rijp zijn
geworden voor het laatste oordeel. O ja, en dat ondanks het feit dat de
Israëlieten nog altijd wel in hun eigen land woonden en nog wel hun eigen
zaakjes konden regelen, zoals bijv. dat Jefta-geval. Want dat zegt op zichzelf
niets. Toen niet, en ook vandaag niet
Gemeente,
als het heil van ons en van de kerk zou afhangen, dan zou ik geen andere
boodschap kunnen laten horen dan alleen van oordeel en ondergang en wanhoop.
Maar toch, ook uit dit Schriftgedeelte mag ik u niets anders verkondigen dan
Jezus Christus, de Gekruisigde, als de enige bron en kracht van onze
verlossing.
Het
is dan ook daarom dat ik de boodschap van onze tekst en van deze preek aan het
begin zo heb samen gevat: ik verkondig u Christus, onze Rechter.
In
Israël was er in die tijd niemand die oprecht kon meezingen met Psalm 130:
Uit diepten van ellende roep ik tot
U, o HEER,
Tot U die hulp kunt zenden, ik buig
mij voor U neer.
HEER, neig tot mij Uw oren en wil
mijn klacht verstaan,
Wil mijn gebed verhoren, ontferm U,
zie mij aan.
Niemand! En toch, toch heeft God
door Christus de geschiedenis van de wereld en van zijn kerk in deze wereld zo
geleid, dat Zijn Zoon gekomen is om voor Gods kinderen, voor hun zonden, de
allerdiepste ellenden te ondergaan. Hij is gekomen om deze psalm ‘uit diepten
van ellende’ te zingen, voor hen, en voor ons.
Dank
zij dat kunnen en mogen wij nu van deze psalm als ons amenlied de volgende
verzen zingen:
Als U ons overtreden, o HEER,
blijft gadeslaan,
De ongerechtigheden, HEER, wie zal
dan bestaan?
Maar nee, daar is vergeving bij U
altijd geweest,
Opdat U in ons leven eerbiedig
wordt gevreesd
Hoopt op de HEER, gij vromen. Is
Israël in nood,
Er zal verlossing komen, Gods
goedheid is zeer groot.
Hij hoort naar uw gebeden, blijft
Israël nabij.
Van ongerechtigheden maakt Hij zijn
volk weer vrij.
AMEN
2
De tweede van de zes heeft als tekst
Rechters 10:6-11:11. Voor de orde van eredienst worden hier enkele suggesties vermeld.
De psalmen en gezangen zijn, tenzij anders vermeld, uit het Gereformeerd Kerkboek.
SCHRIFTLEZING: Rechters 10:6-11:11
Aanvangslied: Gezang 48:2
Na de Tien Woorden: Gezang 48:4
Na Schriftlezing: Psalm 107:1,6,7
Na de preek: Psalm 106:21,22
Slotzang: Liedboek 102:1,2,3
Geliefde gemeente van onze Heer
Jezus Christus,
De kerk van onze HEER was in de
dagen van de Rechters in diep verval. Ze hadden de prediking van Jaïr en Tola
genegeerd, en de dienst der verzoening verruild voor het dienen van de afgoden.
Het was zo erg geworden dat de HEER zelfs de laatste predikers van het
Evangelie van hen had weggenomen. In vers 6, het eerste vers van onze tekst,
worden zelfs zeven soorten afgoden genoemd die ze dienden, een volheid van
afgodendienst dus.
Zover
was het toen gekomen met Gods volk op aarde. Een verloren kerk, een kerk waar
niets meer van kon uitgaan in de wereld, een krachteloze gemeenschap.
Zou
zo’n kerkgemeenschap ooit tot God kunnen terugkeren? Of, zou God tot zo’n
kerkgemeenschap willen terugkeren? Er was niets meer overgebleven om nog enige
hoop op te vestigen. Het was één grote puinhoop die ze er van hadden gemaakt.
Als
het heil van ons en van de kerk zou afhangen, dan zou ik geen andere boodschap
kunnen laten horen dan alleen van oordeel en ondergang en wanhoop. Maar toch,
ook uit dit Schriftgedeelte mag ik u niets anders verkondigen dan Jezus
Christus, de Gekruisigde, als de enige bron en kracht van onze verlossing. Ja,
maar door Hem leren we óók onze ellende kennen.
Het is dan ook daarom dat ik de
boodschap van onze tekst en van deze preek zo heb samen gevat: Ik verkondig u
Christus, onze Rechter, wiens komst vaak door de kerk werd
tegengestaan.
Wat in onze tekst ons wordt verteld
laat ons zien dat
1. Gods oordeel daarom
rechtvaardig is, en dat
2. Gods genade
onverdiend is.
1. Het oordeel dat de kerk over zich heeft
gehaald is rechtvaardig. We lezen namelijk in vers 7: Toen ontstak de HEER in
woede en leverde hen uit aan de Filistijnen en de Ammonieten. Dat waren nu
juist enkele van die volken waarmee de Israëlieten vrienden wilden zijn, en op
wier goden zij vertrouwden.
En
weet u wanneer dat gebeurde? Dat lezen we in hoofdstuk 10:8. Die Ammonieten
begonnen het volk Israël te verdrukken in ‘nog datzelfde jaar’. En daar moet
wel mee bedoeld zijn het laatstgenoemde jaar (in vers 5), het sterfjaar van
Jaïr.
Dit
alles betekent dat de HEER niet langer met zijn oordeel wil wachten: de maat is
vol! Jaïr is door de dood weggenomen. Er is geen prediking meer van genade en
verzoening, het ergste wat maar kan gebeuren. En direct daarna, in datzelfde
jaar, slaat de HEER toe door zijn volk 18 jaar lang over te leveren in de macht
van de Filistijnen en Ammonieten. Heel Israël wordt door dat oordeel getroffen,
eerst Gilead, ten Oosten van de Jordaan, maar dan ook de rest van het land.
Als
ze dan tenslotte het zo benauwd gekregen hebben dat ze geen uitweg meer zien
roepen ze de HEER te hulp. Toen beleden ze hun zonden door te zeggen: We hebben
tegen U, onze God, gezondigd door u de rug toe te keren en de Baäls te dienen.
En
wat nu? Verschrikkelijk!! Nu blijkt dat de HEER hun bidden niet meer wil
verhoren. Is dat even wat? In voorgaande gevallen was het nog zo dat de Heer
elke keer als Israël om hulp riep hun een Rechter zond om hen te verlossen.
Maar wat antwoordt de HEER nu? Ik heb jullie vaak genoeg gered. Maar telkens
keren jullie me weer de rug toe. Daarom wil Ik jullie niet meer bevrijden.
Dat
is toch wel om koude rillingen van te krijgen. Kan het ooit zo ver komen dat de
HEER niet meer luisteren wil als we in grote benauwdheid tot Hem roepen? Zou
God zijn genade vergeten, en nooit meer van ontferming, van medelijden weten?
Maar onze God is toch juist een God die talrijke keren zijn kinderen verlossen
wil?
Ja,
dat is zo! Maar dat is nu juist de reden dat God niet langer naar hen luisteren
wil. Dat blijkt uit vers 11. Daar herinnert de HEER hen zelf aan het verleden:
zijn talrijke verlossingen. Ik heb jullie toch vaak genoeg gered: van de
Egyptenaren, en van de Amorieten, en dan noemt de HEER zeven keren dat Hij hen
op hun hulpgeroep bevrijd heeft van hun vijanden. Zeven keren, dat is een
volheid van verlossingswerken; maar wat hebben zij gedaan? Zij hebben van zeven
volken de afgoden gediend, een volheid dus van afgoderij, en zo hebben ze Gods
volheid van daden van bevrijding veracht en verworpen.
Het
kan gebeuren, meer dan eens, dat kerkmensen het werk van God in de geschiedenis
van zijn volk, in de kerkgeschiedenis, verloochenen, en dat toch, wanneer ze in
hun zelf veroorzaakte moeiten en zorgen weer echt tot God gaan bidden, de HEER
opnieuw naar hen luistert en ze uithelpt. Dat kan inderdaad zo gaan. Maar als
het zover zou komen dat het een na het andere verlossingswerk van God wordt
vergeten of ontkend, zodat het een totale afval van God wordt? Ja, dan kan het
zo ver komen dat ook de grens van Gods geduld wordt bereikt.
En
dan is het ergste in het oordeel dat volgt, niet de verdrukking door vijanden,
het verliezen van de vrijheid of van je bezittingen en invloed en welvaart of
zelfs het verlies van je leven. Nee, dat is niet het ergste. Het ergste oordeel
is, als God niet meer luistert wanneer er toch nog weer in gebed een beroep op
Hem wordt gedaan. Het ergste in Gods oordeel is wanneer Hij de prediking van
zijn genade en van de verzoening van zonden doet ophouden, en tenslotte de
kandelaar van de kerk helemaal wegneemt.
Dat
is dan ook wat gebeurde in Israël toen God de laatste ambtelijke prediking van
het Evangelie deed ophouden met de dood van de rechter Jaïr. Dat gebeurde dus,
omdat door hem het volledige, of zoals het hier wordt getoond het zevenvoudige
verlossingswerk van de HEER was ontkend en verworpen.
Maar
daarmee werd dan ook het verzoenende werk van de komende Messias Jezus
Christus, verworpen. Want Hij was het die in Israëls bevrijding uit Egypte’s
macht, en uit die van de Amorieten en nog vijf andere volken, op weg was om
mens te worden, en voor zijn volk te sterven op Golgotha. Het was zijn
zevenvoudige verlossingswerk, waar de wet van sprak en de tabernakel naar
verwees. Dát hebben ze toen verworpen!
Toén!
Maar dat kan ook in onze tijd gebeuren. En dat zou dan nog veel erger zijn.
Want wat de HEER nu doet en heeft gedaan voor zijn kerk is de vrucht van wat
Hij eens heeft gedaan op Golgotha, de volkomen verlossing toen Hij zei: Het is
volbracht!
Ook
wij kunnen de kerkgeschiedenis (ook wat in meer recente decennia gebeurd is)
als onbelangrijk afschrijven (het is maar geschiedenis uit het verleden, toch,
en wij leven vandaag). Maar dan gaan we vergeten (en misschien zelfs wel
ontkennen) wat God ook voor ons gedaan heeft, elke keer als Hij weer zijn kerk
bevrijdde van mensenheerschappij en van verkeerde leer, of ons persoonlijk zijn
liefde en hulp deed ervaren.
Maar
onze God is een liefhebbende, een barmhartige God, die als we opnieuw tot Hem
komen in nederig gebed, onze gebeden horen wil.
Dat
geldt ook in ons persoonlijk leven, als bijv. ons geloofsleven is ingeslapen,
of als we in concrete zonden gevallen zijn. Nooit hoeven we te wanhopen of God
ons nog wel horen wil. Daarom moeten we óók niet al te gemakkelijk de hoop voor
anderen opgeven, of ook andere kerken afschrijven omdat ze in veel opzichten
zijn afgeweken.
Maar
we worden hier wel heel ernstig gewaarschuwd. We mogen de prediking van Gods
Woord niet verwaarlozen, of die laten ondersneeuwen met allerlei andere dingen.
Laten we er toch voor zorgen dat zowel wij als onze kinderen niet vergeten dat
Gods Woord van betekenis is voor het hele leven, in al zijn schakeringen. Ook
in onze tijd kan het zo ver komen dat God toch eigenlijk aan de kant wordt
geschoven en zo tenslotte, om het maar eens cru te zeggen, door ons van kant
wordt gemaakt, dood verklaard. Dan kan God ook in onze tijd er een einde aan
maken; als het zevental, de volheid van verlossingswerken en van de totale
loochening of verwerping daarvan is bereikt.
Het
kan zo ver komen dat ook hier en nu de prediking van Gods genade en verzoening
wordt weggenomen, als bijv. door onze onverschilligheid het licht van de
kandelaar is gedoofd, en de kandelaar dus terecht kan worden weggenomen.
Wanneer
dat oordeel komen moet, dat zal veel erger zijn dan de meest afschuwelijke
terroristische aanslagen met bijv. nucleaire of chemische wapens. Want van hen aan
wie veel gegeven is zal veel worden weggenomen. Zo ging het toen met Israël,
zij het dan met wapens en aanslagen van die tijd. Want zij hadden de prediking
van Jaïr, en de boodschap van de offerdienst in de tabernakel, verloochend en
verworpen. Maar Gods nog veel vreselijker oordeel is te verwachten wanneer
Christenen en Christelijke kerken de prediking van de verzoening van onze
zonden minder belangrijk gaan vinden, en Gods verlossingsdaden, zowel in ons
persoonlijk leven alsook in de geschiedenis van de kerk, van minder belang
achten, en zo gaan vergeten, en tenslotte ontkennen.
2. Maar, gemeente, toch overtreft Gods
barmhartigheid altijd weer Gods oordeel. En dank zij dat kan ik u vanuit onze
tekst ook Gods onverdiende genade verkondigen.
Daarvan
lezen we in de verzen 15-18 van hoofdstuk 10, en de verzen 5-11 van hoofdstuk
11. Daar wordt ons verteld dat Israël zei: HEER, wij hebben gezondigd. Doe met
ons wat u goeddunkt, alleen, bevrijd ons nog deze ene keer. En ze deden de
vreemde goden weg en dienden de HEER. Daarmee erkenden zij dat Gods oordeel
rechtvaardig is, ze protesteerden er niet tegen, maar gaven toe dat ze het niet
verdiend hadden. En toen, zo zegt vers 16, toen kon de HEER niet langer aanzien
hoe moeilijk Israël het had.
Nu
moeten we dat wel goed begrijpen. Het is niet zo dat Israël toen, en wij
vandaag, het in onze macht zouden hebben om God van gedachten te doen
veranderen, bijv. door ons op het laatste ogenblik nog te bekeren. We lezen
hier dat Israël zich heeft overgegeven aan Gods welbehagen, dat is, aan zijn
genade. En dat ze het meenden hebben ze getoond door zich nu ook daadwerkelijk
te bekeren. Het is dus niet hun bekering die Gods barmhartigheid heeft
opgewekt. God heeft zichzelf tot barmhartigheid bewogen, tot onverdiende, grondeloze
barmhartigheid.
Om
het met een oude dogmatische term te zeggen: God heeft redenen uit zichzelf
genomen. Hij deed het met het oog op de door Hem beloofde Messias, Jezus
Christus.
Ook
toen Christus geboren werd was het op grond van door ons onverdiende genade dat
God naar zijn kinderen omzag. Maar toen gaf Hij ons maar niet weer een andere
rechter zoals er al meermalen in Israël waren opgetreden. O nee, maar toen gaf
Hij ons DE RECHTER, Jezus Christus. In Hem mogen ook wij (zoals Zacharias
daarvan heeft gezongen, de liefdevolle barmhartigheid van God leren kennen
waartoe Gods hart Hem dreef (zie Lucas 1:78).
Maar
nu weer terug naar Israël in de tijd van de Rechters.
De
Israëlieten konden nu weer moed grijpen. Tegenover het machtige leger van Ammon
gaan nu ook zij hun leger mobiliseren.
Gods
genade maakt hen nu ook actief. Ook gaan ze nu op zoek naar een aanvoerder voor
het gemobiliseerde leger. Maar tegelijk erkennen ze ook hun zwakheid. Ze hebben
immers niet alleen een leider nodig in de strijd tegen hun buitenlandse
vijanden, maar ook later, als er weer vrede is. Ook dan hebben ze iemand nodig
die hun de wet van God voorhoudt, en hun voorgaat in het dienen van de HEER.
En
kijk, dan leidt God hen op zo’n manier, dat ze zich herinneren hoe slecht ze
Jefta hebben behandeld, en dat ze daar berouw over hebben. Gods leiding blijkt
met name hierin dat de HEER die verkeerde manier van tucht uitoefenen
uiteindelijk gebruikt heeft tot heil van zijn volk, en zo a.h.w. met een kromme
stok een rechte slag geslagen heeft.
Dat
kan dus ook. Een kerk die helemaal verkeerd heeft gehandeld kan toch nog door
God tot heil van zijn kinderen gebruikt worden. Want dat is precies wat hier
gebeurt. Jefta was immers verbannen door Israël. Zo werd hij a.h.w. gedwongen
met een bende vrijbuiters (we zouden hen vandaag terroristen noemen) van hun
zwaard te leven.
Ja,
maar juist daardoor heeft Jefta een militaire training gekregen die hem precies
geschikt heeft gemaakt om als bevelhebber tegen de Ammonieten op te treden. En
dus gaan de oudsten van Gilead naar Jefta toe en zeggen tot hem: Komaan, Jefta,
kom a.u.b. terug, en wees de bevelhebber van ons leger in de strijd tegen de
Ammonieten.
Maar
dan herinnert Jefta hen aan zijn uitwerping uit de gemeenschap door hen. En
terecht doet hij dat. Dat is nog een onbeleden zonde, een kwaad dat nog niet is
hersteld. Maar wat is dan het antwoord van de oudsten van Gilead? U hebt
gelijk; maar daar zijn we nu juist voor gekomen, om dat kwaad goed te maken, om
ons met u te verzoenen. En dan beloven ze hem dat hij ook na de strijd voortaan
hun leider zal zijn.
Hier
zien we hoe de HEER verder gaat op de weg die leidt naar de komst van Christus.
Deze aanstelling van Jefta als een rechter die hen niet alleen zal verlossen
uit de macht van hun vijanden, maar die ook in vredestijd hun zal voorgaan in
het dienen van de HEER; het is weer een stap op weg naar het koningschap dat,
via David en zijn nakomelingen, zal uitmonden in het Koningschap van onze Heer
Jezus Christus.
Jefta
aanvaardt zijn aanstelling en verloochent zich zelf door hun hun tegen hem
begane zonde te vergeven. Daar praat hij niet meer over, want wat lezen we dan?
Onder ede aanvaardt hij zijn nieuwe positie “voor het aangezicht van de HEER”.
En die uitdrukking, “voor het aangezicht van de HEER”, betekent dat hij het
deed met één of meer priesters of Levieten als getuige. Bij hen dus die de
dienst van de verzoening met God verrichtten. Daarin mogen we de komende
Hogepriester Christus zelf aan het werk zien, die komt om zijn volk hun zonden
te vergeven door het offer van zijn bloed.
Die
onverdiende genade van de HEER die we hier al mogen zien in Jefta’s
ambtsaanvaarding mochten wij in zijn meest volle pracht zien in de geboorte van
Jezus Christus in Bethlehem. Net als Jefta werd ook Hij beschouwd als iemand
die op verdachte wijze geboren was. Ook Hij werd door de kerkelijke ban
getroffen, en niet alleen geëxcommuniceerd uit de kerk, maar uit de hele
mensheid. En toen ook nog door God zelf verlaten!
Maar
ook Hij is daarna door God verhoogd. Aan Hem is de Naam boven alle namen
gegeven. Hij is de overste van alle aardse vorsten geworden, het Hoofd van zijn
kerk, door wie de Vader alles regeert.
Broeders
en zusters, dat mag ook onze troost en bemoediging zijn, bijv. wanneer we
bezorgd zijn over ons kerkelijk leven, maar ook wanneer we, zoals dat bij veel
gelovigen in onze wereld het geval is, te lijden hebben onder verdrukking of
discriminatie, of wanneer aanslagen of oorlogsdreiging of natuurrampen ons
bevreesd zouden kunnen maken.
Die
troost en bemoediging mogen we ook ervaren wanneer het ons verdriet hoe in wat
nog christelijk genoemd wordt ondermijning van de waarheid, misbruik van
kerkelijke positie, en ontrouw aan het gezag van Gods Woord meer en meer gewoon
worden.
Christus
is het Hoofd van zijn kerk. De rechters Tola en Jaïr zijn gestorven. In beide
gevallen was dat Gods oordeel over hen die niet hun prediking geloofden.
Tenslotte is ook Jefta gestorven. Maar in Jezus Christus hebben wij een eeuwige
Koning.
Ook
Hij is gestorven. En ook zijn dood was een oordeel van God over allen die niet
in Hem geloven. Alleen maar, Hij is ook gestorven als de Hogepriester die
Zichzelf heeft geofferd tot een verzoening van al onze zonden, van de zonden
van allen die op Hem hun vertrouwen stellen door in Hem te geloven. En Hij is
weer levend geworden, opgestaan, om nu ook onze Hoogste Profeet en Leraar te
zijn, die ons onderwijst door zijn Woord en Geest. En Hij heeft ons beloofd,
dat Hij altijd bij ons blijven zal.
Broeders
en zusters, geloven we dat? Geloven we dat en vertrouwen we daarop, ieder van
ons persoonlijk, en ook samen als gemeente? Laten we dan samen amen zeggen op
Gods beloften in de gehoorde boodschap van het Evangelie, door straks als ons
amenlied te zingen, samen met het Israël van toen, en samen met de kerk van
alle tijden en plaatsen,
(Psalm 106:21,22)
Verlos ons, HERE, onze God, verhef
uw aanschijn, wend ons lot,
verzamel ons uit alle streken,
opdat wij eenmaal allen saam van de
vervulling mogen spreken,
lof brengen aan uw heilge naam.
Geprezen zij de HEER die leeft, die
Israël verkoren heeft.
Hij brengt straks heel zijn volk
tezamen.
Gezegend zij zijn trouw beleid.
Zegg’ al het volk nu: Amen, amen.
Loof Hem in alle eeuwigheid.
AMEN
3
De derde van de zes heeft als tekst Rechters
11:12-29,32,33. Voor de orde van eredienst worden hier enkele suggesties vermeld.
De psalmen en gezangen zijn, tenzij anders vermeld, uit het Gereformeerd Kerkboek.
SCHRIFTLEZING: Rechters 11:12-29,32,33
Aanvangslied: Psalm 46:1
Na de Tien Woorden: Psalm 46:2
Na Schriftlezing: Psalm 44:1,2
Na de preek: Psalm 98:2,4
Slotzang: Liedboek 299:1-4, 8-10
Geliefde gemeente van onze
Heer Jezus Christus,
In hoofdstuk 10 is ons
verteld hoe de HEER zijn volk Israël ondanks hun zonden weer in genade heeft
aangenomen, en in zijn genade hun de Rechter Jefta gaf om ze te verlossen. Maar
voorop zal moeten staan, dat niet Jefta, maar Christus u gepredikt wordt.
Wanneer Jefta een richter, een verlosser wordt genoemd, dan gebeurt dat opdat
wij in zijn werk Christus’ verlossingswerk zullen herkennen.
Ik verkondig u
DE
STIJL VAN CHRISTUS IN JEFTA’S OPTREDEN als
1.
EEN GELOVIGE STAATSMAN (daarover breedvoerig)
2.
EEN GELOVIGE COMMANDANT (daarover in het kort)
1. Ten
eerste kunnen we de stijl van Christus herkennen in Jefta’s optreden als een
gelovige staatsman en diplomaat. Daarvan lezen we in de verzen 12-27. Daar
worden ons de eerste officiële activiteiten van Jefta verteld, waarmee hij
begon nadat hij voor het aangezicht van de HEER het ambt van Rechter in Israël
had aanvaard.
Nu zouden we
verwachten, en het zou ook heel natuurlijk zijn, dat Jefta zich direct aan het
hoofd van het al gemobiliseerde leger stellen zou om de in Gilead
binnengedrongen Ammonieten te verjagen. Maar nee, dat is niet wat Jefta doet.
Maar wat doet Jefta dan wel? Hij gaat d.m.v. gezanten met de vijand aan de
conferentietafel zitten. Maar is dat niet een bewijs van zwakte?
Strijdt dit
niet met ons rechtsgevoel, met waar het in Christelijk politiek optreden om
gaat? Laat me een voorbeeld uit ditzelfde boek noemen, Gideon. Toen Gideon als
Rechter was aangesteld viel hij direct, zonder voorafgaande
vredesonderhandelingen, de Mideanieten aan die Israël waren binnengedrongen, en
heeft hij ze bestreden en verjaagd.
Jefta daarentegen stuurt gezanten naar de
koning van Ammon met de vraag: Wat is er aan de hand? Wat bezielt u om mij op
mijn eigen grondgebied aan te vallen?
Gemeente, is dat niet vreemd, dat sturen
van gezanten naar zo’n agressor? Is dat wel correct om contact te zoeken en om
conferenties te houden met mensen die duidelijk zich als vijanden van Gods kerk
gedragen?
Daar hebben
wij in ons kerkelijk leven ook vaak mee te maken gehad, die vraag of het wel
juist is, ja zelfs of het geoorloofd zou zijn om aan één tafel te gaan zitten
en daar samensprekingen te houden met mensen of met kerkgemeenschappen die in
hun kerkelijke handelingen duidelijk in strijd met Gods wil gehandeld hebben.
Ja, en hier hebben we zelfs te maken met politieke tegenstanders, ja met totaal
ongelovigen. Kan dat dan wel, met vijanden van God en zijn volk aan tafel te
gaan zitten onderhandelen?
Maar, gemeente, juist uit dit optreden
van Jefta blijkt, dat hij maar niet te werk gaat naar zijn eigen, natuurlijke
rechtsgevoel, maar dat hij ook in deze politieke kwestie alleen maar handelen
wil in overeenstemming met het Woord van God.
Misschien vraagt u zich af: is dat echt
zo? Is dat wat Gods Woord van hem vraagt? O ja, gemeente, zeker weten! Het
maakt namelijk in de Bijbel een groot verschil of Israël met Mideanieten te
doen heeft of met Ammonieten. Jefta geeft blijk zich te herinneren hoe
God in vroegere tijden gehandeld en gesproken heeft, en hij gaat in die door de
HEER gewezen historische lijn verder.
En hoe is die historische lijn? Om op die
vraag het antwoord te vinden moeten we weten hoe belangrijk kennis van de
kerkgeschiedenis is. Ook vandaag is het wat we wel noemen de heilshistorische prediking die wil voorkomen
dat we ons zomaar door ons gevoel, onze emoties, of onze intuïtie laten leiden.
Want die prediking helpt ons om de historische lijn te ontdekken waarvan God
wil dat wij daarin verder zullen
gaan.
En dat is nu
precies wat we hier zien gebeuren. Want wat is de historische lijn? Die
Mideanieten waar Gideon mee te maken had, die hadden indertijd koning Balak
geholpen om Bileam zo ver te krijgen dat hij Israël vervloeken zou. Ja, om zo
dus hun intocht in het beloofde land te verhinderen.
Maar wat
vertelt de Bijbel ons over de Ammonieten? We lezen in Deuteronomium 2 (de
verzen 9 en19), hoe de HEER indertijd de Israëlieten herinnerde aan het feit
dat zowel de Ammonieten als de Moabieten afstammen van Lot, Abrahams neef.
Daarmee wijst de HEER er op, dat deze volken broedervolken van Israël zijn,
tegen wie zij heel anders moeten optreden dan bijv. tegen de Mideanieten. Ze
mochten de Ammonieten en Moabieten niet bestrijden, hen niet uit hun land
verjagen, want, zo zei de HEER, Ik zelf heb hun het land dat zij nu bewonen,
tot een erfelijke bezitting gegeven.
En kijk, daar
heb je het! Daarom is het dat Jefta gaat onderhandelen, zelfs terwijl die
Ammonieten al agressie hebben gepleegd. In dat van begin af willen handelen
naar Gods Woord, ook in de politiek, zien we het wonder van Gods genade.
Het is goed
dat we hier oog voor hebben, en dat ook toepassen in ons leven. Als de wil er
is om zowel in de kerk alsook in de politiek alleen maar naar het Woord van God
te handelen, dan mogen we het wonder van Gods genade ervaren. Dat geldt in
Nederland, en zo kan het ook in het Midden-Oosten als de HEER dat wil.
Want zo ging
het daar toen. Nog maar kort tevoren diende Israël de afgoden, zo erg dat God
hen niet meer wilde verlossen. Maar dan, door een wonder van God, tonen ze
berouw en bekeren ze zich. Dat was een wonder van God dat in hun harten had plaats
gevonden. Want toen heeft God hun opnieuw een rechter gegeven in wie het Woord
van God lééft, wiens optreden van begin af aan door het Woord van God wordt
beheerst! Het is God de HEER die door de kracht van Zijn Woord en Geest Jefta
doet handelen, dwars tegen de natuurlijke neiging van alle mensen, ook van hem
zelf, in.
Door
niet terug te slaan maar eerst te
vragen: waarom hebt u ons aangevallen, vertoont Jefta de stijl van de Christus
die komen gaat, die toen Hij geslagen werd door zijn volksgenoten, niet terug
sloeg, maar vroeg: als Ik verkeerd
gedaan heb, zeg het dan, en zo nee, waarom slaat u Mij?
Daarin mag
dan ook zeker ons Christen zijn
uitkomen. Als wij bijv. een twist hebben met broeders en zusters, of met hen
die als onze broeders en zusters met ons zijn één geweest, laat dan ook ons
handelen door het Woord van God alleen wordt beheerst, en niet door onze
emoties. Dan slaan ook wij niet terug als ons onrecht wordt aangedaan; dan
schelden we niet terug als er lelijke dingen van de kerk van Christus gezegd
worden; maar dan willen wij over al die dingen spreken in het licht van het
Woord van God.
Want dat deed
Jefta hier. Hij maakte van die conferentietafel geen gezellig onderonsje, hij
demonstreerde daar geen schijneenheid, en hij begon niet met bij voorbaat te
capituleren en de zaaksgerechtigheid van Israël discutabel te stellen. Nee,
Jefta stelt onmiddellijk de vraag aan de orde welke rechtsgrond de
koning van Ammon kan aanvoeren voor zijn militaire optreden tegen Israël. En
dan antwoordt die koning met de beschuldiging dat Israël indertijd, bij de
intocht, land van de Amrnonieten zou hebben afgenomen. En nu eist hij dat land
dus van Israël terug. Goedschiks, en anders kwaadschiks.
Wanneer de gezanten van Jefta met die boodschap bij hem terugkomen,
stuurt hij opnieuw gezanten naar Ammon. Hij breekt het spreken aan de
conferentietafel dus nog niet af. Maar evenmin stuurt hij die boden om hen
alsnog voor Ammons eisen te laten capituleren. Nee, Jefta blijft zo lang
mogelijk gaan in de weg van het diplomatieke gesprek, met de middelen die de
politiek verschaft. Want het is echt niet zo, dat politieke middelen in
zichzelf zondig en onheilig zouden zijn, dat er alleen maar vuile politiek zou
bestaan zoals soms wordt beweerd. Alles komt aan op het gebruik dat van
die middelen wordt gemaakt.
Ja, als er
een tegenstelling gemaakt moet worden tussen het dienen van God in de
kerkdiensten, en het harde politieke bedrijf, waar niet het Woord van God, maar
de harde feiten het voor het zeggen hebben; ja, dan was wat Jefta hier deed
naïef en dwaas. Dan had hij zonder meer moeten capituleren, want tegen Ammon
optrekken was toch eigenlijk onbegonnen werk. Jefta heeft het zelf erkend dat
hij daarmee een groot risico nam (zie 12:2,3).
Capituleren dus, of, de voor de hand liggende andere
mogelijkheid, toch de strijd aanbinden, er op of er onder. Direct er maar op
los slaan, zo in de trant van: de eerste klap is een daalder waard. Maar Jefta
doet geen van beide. Pas als diplomatie en onderhandelen onmogelijk blijken
komt de tijd om naar de wapens te grijpen. Jefta toont zich hier in heel zijn
optreden een knappe staatsman, een verstandige politicus, die als politicus
tegelijk Evangeliebelijder is. Een Evangeliebelijder zelfs allereerst, dat
blijkt uit het politieke antwoord dat Jefta geven laat. Hij begint met het
weerleggen van de beschuldiging dat Israël land van Ammon heeft afgenomen.
Israël heeft nooit land van Moab of van Ammon afgenomen.
Dit is een opmerkelijk antwoord. In dit
antwoord zit namelijk een fijn trekje dat ons niet moet ontgaan. Die koning had
van een bepaald gebied gezegd, dat Israël dat aan Ammon ontnomen had. Jefta
antwoordt dan, dat van Moab en
van Ammon geen land is afgenomen. Waarom betrekt hij hier ook Moab er bij? Die
koning had het toch alleen over land dat van Ammon was afgenomen. Moab wordt
door hem helemaal niet genoemd. Ja, maar dat is het hem juist! Want weet u
waarom Moab door hem niet wordt genoemd? Kijk, dat gebied dat die koning noemde
was nooit van hem geweest. Het had lang geleden aan Moab toebehoord. Jefta herinnert de koning van Ammon er dus aan,
dat hij gebieden opeist die nooit van hem geweest waren, maar bij Moab hoorden!
In dit antwoord toont Jefta aan dat de koning van Ammon de zaak aan het
bedriegen is. En dan gaat Jefta dat bewijzen uit het Woord van God. Uit de boeken van Mozes, het Evangelie
van Israëls verlossing. Daarmee belijdt Jefta dat ook in politieke zaken het
tenslotte gaat om het Evangelie van de verlossing van Gods kerk.
Wat Ammon hier doet is maar niet alleen
een poging om tot gebiedsuitbreiding te komen. In werkelijkheid is het een
aanslag op het verlossingswerk dat de HEER
gedaan heeft in de uittocht en intocht van Zijn volk.
Wat Ammon hier doet is ten diepste een
tegenstaan van de verlossende komst van Jezus Christus in dat land Kanaän, dat
de HEER met het oog op Christus’ komst aan Israël gegeven heeft.
Immers, dit zijn de feiten. Toen Israël
Kanaän binnentrok, behoorde dat stuk land waarover het gaat aan de Amorieten.
Die hadden het eerder van de Moabieten afgenomen. Jefta bewijst dat allemaal
breedvoerig om dan te eindigen met deze belijdenis: “Welnu, de HEER, de God van
Israël, heeft die Amorieten voor zijn eigen volk verdreven. En ú meent nu
aanspraak te kunnen maken op hun bezit? Dacht u werkelijk dat u daartoe het
recht zou hebben? Alsof het aan Ammon zou toebehoren?
Dat is dus het eerste waarop Jefta zich
beroept: op Gods verlossingswerk. Maar dan is er nog een tweede, dat Jefta
vervolgens naar voren brengt Dat is het internationale recht. Het lijkt er op
dat hier een tegenstelling zou wezen: eerst spreekt Jefta dan als
Evangeliebelijder, door te spreken van Gods verlossings-werk. Maar daarna zou
hij dan als politicus gaan spreken door het internationale recht er bij te
halen. Want volgens vers 24 zegt Jefta dan: zou u niet uw eigendom noemen wat
uw God Kamos u in bezit gegeven heeft? Zo nemen wij in bezit al wat de HEER,
onze God, voor ons onteigend heeft.
Jefta beroept zich hier op het internationale recht van die
tijd, dat een land wettig toebehoort aan dat volk, welks godheid hun dat land
gegeven heeft. Dat werd algemeen erkend en daar hield men zich in de regel ook
aan. Alleen maar, nu lijkt het er op dat Jefta daarmee Kamos als God zou erkennen
en hem op één lijn zou stellen met de HEER. Vandaar dat bijv. een Gereformeerde
verklaarder in een commentaar (de Korte Verklaring) daarvan zegt: "een
profeet zou het heel anders gezegd hebben, maar Jefta spreekt hier niet als
profeet, maar als politiek onderhandelaar”. Maar dat is toch echt
een verkeerde tegenstelling! Want nergens leert de Bijbel ons dat wij geen
rekening hebben te houden met het internationale recht. Integendeel, telkens
weer zien we in de Bijbel dat God zelf uitgaat van de bestaande rechtsverhoudingen
(zelfs als die niet deugen), en dat het Woord van God het bestaande recht niet
afbreekt, maar corrigeert. En dat zien we hier in het spreken van Jefta.
Hij gaat uit van de toen onder de volken geldende
rechtsregel: de god van een volk is het die aan een volk ook het land gegeven
heeft. En zonder dat Jefta daarmee het werkelijke bestaan van een god als Kamos
erkent, zegt hij: welnu, houdt u dan aan het door u zelf erkende recht ook ten
aanzien van Israël.
Ook in onze tijd mogen we ons als dat nodig is beroepen op het
inter-nationale recht, ook als die internationale wetten niet in alles in
overeenstemming zijn met Gods Woord. Ik denk hierbij bijv. aan wettelijk
vastgelegde mensenrechten waarbij niet met Gods rechten gerekend wordt. Toch mogen
we daarop best een beroep doen als bijv. de vrijheid van Christelijk onderwijs
zou worden aangetast. Dan bedrijven we dezelfde christelijke politiek waarvan
we hier een voorbeeld vinden in het politieke optreden van Jefta.
Bovendien klinkt in Jefta's woorden duidelijk ook de
profetische spot met de machteloosheid van die god Kamos door. Die heeft dan
toch maar 300 jaar lang, van koning Balak af tot dan toe, de zaak zo gelaten.
Een mooie god dus om op te vertrouwen. Het zijn ook die woorden van Jefta die
bewijzen dat hij juist profetisch bezig is, als hij de koning van Ammon houdt
aan de regels van het internationale recht. Want juist ook volgens die regels
is gebleken dat niet die machteloze Kamos, maar de almachtige God van Israël,
de HEER, de enige Rechter is.
Daar loopt deze politieke rede van Jefta
dan ook op uit, op die machtige geloofsbelijdenis, juist hier aan de politieke
conferentietafel (vers 27): Laat de HEER, de hoogste Rechter, vandaag
rechtspreken tussen de Israëlieten en de Ammonieten.
De HEER, de God van het Verbond, is
Rechter. En wie is die God? Hij is de God die Israël heeft uitgeleid uit Egypte
en hen in Kanaän heeft gebracht. Hij is de God die ook het internationale recht
daarvoor inschakelt, die ook dat dienstbaar maakt aan het komen van de volkomen
Verlosser van zijn kerk, Jezus Christus, die alle volken aan Zich onderwerpen
zal. En tenslotte zal Hij komen op de wolken als de Rechter van de hele wereld.
Ook daarom behoort het tot onze roeping als kerk te bidden voor ons volk en onze
overheid, en ook voor de andere volken en hun overheden in de situatie waarin
de wereld zich nu bevindt.
Jefta
belijdt hier als een profeet dat de kracht van Israël niet ligt in hem zelf,
ook al heeft hij het ambt van Rechter over Israël ontvangen. Jefta belijdt dat
die kracht is bij de enige Rechter. Bij de HEER. In volkomen
zelfverloochening wijst hij hier af van zichzelf opdat Israël, maar opdat ook
de kerk vandaag niet op mensen vertrouwen zal, ook niet op haar ambtsdragers.
Wij en zij zijn slechts instrumenten in het verlossingswerk dat God in Jezus
Christus heeft volbracht.
2. Ook herkennen
we, en dat, in het kort, in de tweede plaats, de stijl van Christus zelf in
Jefta’s optreden als een gelovige bevelhebber.
We lezen in vers 28 dat de koning van de Ammonieten zich
niets aantrok van de boodschap die Jefta hem gezonden had. Dit betekent dat hij
tegen beter weten in het Woord van God verwerpt, en het Evangelie der
verlossing dat in dat politieke spreken van Jefta tot hem kwam tegenstaat. Welbewust doet hij dat, en daarin
toont hij zich als een antichristelijke macht. Welbewust zet hij alles op alles
om de verlossing uit Egypte en de intocht in Kanaän, dat verlossingswerk van de
HEER, ongedaan te maken.
Maar toen werd Jefta dan ook gegrepen door de Geest van
de HEER, om Israël
opnieuw te verlossen. Daartoe in staat gesteld door de
Geest van de HEER verzamelt Jefta zijn leger en brengt hij de Ammonieten een
geweldige nederlaag toe, waardoor zij
voor de Israëlieten moeten bukken.
De Geest van de HEER heeft de Israëlieten samengebracht
voor die strijd.
En zo heeft die Geest van de HEER opnieuw de weg verder
gebaand voor de
komst van Christus, om de macht van de vijand vanaf het
begin, de duivel, te breken op Golgotha. Zo heeft de Geest van de HEER de weg
gebaand om later als de Geest van Jezus Christus over heel de aarde zijn kerk
te vergaderen in de strijd tegen de zonde en tegen de duivel die daar achter
staat.
AMEN
4
De vierde van de zes heeft als tekst
RECHTERS 11:29-40. Voor de orde van eredienst worden hier enkele suggesties
vermeld. De psalmen en gezangen zijn, tenzij anders vermeld, uit het Gereformeerd Kerkboek.
SCHRIFTLEZING: Hebreeën 11:32-12:2
Aanvangslied: Liedboek 473:1,2,3,4
Na de Tien Woorden: Liedboek 473:6,7,8
Na Schriftlezing: Psalm 149:2,3
Tijdens de preek: Psalm 50:7,11
Na de preek: Psalm 68:10
Slotzang: Psalm 25:6,7
Geliefde
gemeente van onze Heer Jezus Christus,
We
hebben daarstraks gezongen: Neem mijn leven, laat het, Heer, toegewijd zijn aan
uw eer. Maar stel je nu eens voor dat het voor anderen niet aan ons te merken
zou zijn; of dat we liever ons leven voor ons zelf bewaren willen ten koste van
ons dienen van onze HEER. Want nee, we worden alleen terecht christenen genoemd
wanneer in ons totaal toegewijd zijn aan de dienst van onze Heer het duidelijk
uitkomt dat we delen in de zalving van Christus met de Heilige Geest. Want dan
wordt Christus zelf heel concreet zichtbaar in onze manier van leven.
Jefta wordt in onze tekst een Rechter
genoemd, een Verlosser of Bevrijder. Wanneer ons dan ook wordt verteld hoe hij
zich volledig aan Gods dienst gewijd heeft, dan is de bedoeling daarvan dat we
daarin het verlossingswerk van de komende Christus zullen herkennen.
In het voorgaande gedeelte is ons verteld
over Jefta’s profetisch optreden als een politicus aan de conferentietafel;
verder hoe hij daarna koninklijk de strijd is aangegaan met de Ammonieten, en
hun, zoals we daar vandaag van gelezen hebben, een zware nederlaag heeft
toegebracht. Hij heeft niet toegegeven aan hun eisen maar zijn leven gewaagd
door de strijd met hen aan te binden.
Vandaag
mag ik u verkondigen
JEFTA’S
PRIESTERLIJK DANKOFFER VOOR DE VERLOSSING VAN GODS VOLK, EN DE AANVAARDING VAN
DAT OFFER DOOR ONZE HEER
De
Geest van de HEER kwam over Jefta om de Ammonieten te bestrijden. Toen nu de
Geest Jefta in bezit had genomen als een instrument in de strijd deed Jefta
een gelofte. Hij belooft aan de HEER, dat als die strijd met de overwinning
bekroond is, hij een offer brengen zal dat de HEER volkomen zal toebehoren.
Jefta zegt niet waaruit dat offer bestaan
zal. Hij laat de keus van het offer dus aan de HEER over. Maar wel geeft hij te
kennen dat de HEER beschikken kan zelfs over het liefste dat Jefta bezit. Wie
na de overwinning uit Jefta's huis hem tegemoet komt, zal hij als een offer aan
de HEER opdragen. Nu weten wij uit het vervolg dat Jefta1s dochter,
zijn enig kind, hem na de overwinning tegemoet kwam met tamboerijnen en
reidansen. Wij weten dat, doordat wij het einde van dit verhaal al gelezen
hebben. Maar Jefta? Toen hij die belofte deed kon hij toch niet in de toekomst
kijken? Kon hij er dan wel rekening mee houden dat het zijn eigen dochter kon
zijn die hij als een offer aan de HEER moest opdragen? Nee toch?
Ja, zo wordt het inderdaad vaak opgevat.
Jefta wist dat natuurlijk niet, hij kon het zelfs niet vermoeden, anders had
hij toch zeker niet in onbedachtzaamheid deze belofte gedaan? Maar is dat echt
wel zo? Wist Jefta werkelijk niet wat hij deed? Jazeker! Het was namelijk helemaal niet iets bijzonders dat
zijn dochter hem bij zijn behouden terugkomst van de strijd tegemoet zou komen.
Integendeel, dat was te verwachten. Dat was heel normaal, want dat was de
gewoonte in Israël. En dat wist Jefta heel goed. Je leest daarover al in de
boeken van Mozes; en uit de voorgaande geschiedenis weten we dat Jefta heel
goed op de hoogte was van de inhoud van Mozes’ geschriften. Welnu, in het boek
Exodus, hoofdstuk 15 vers 20, lezen we dat Mirjam, de zus van de
toenmalige volksleider Mozes, precies hetzelfde deed.
Nadat de
HEER hun de overwinning had gegeven door Farao en zijn leger in de Schelfzee te
verdrinken, pakte zij haar tamboerijn, en alle vrouwen volgden haar, dansend en
op de tamboerijn spelend. En Mirjam zong dit refrein: Zing voor de HEER, zijn
macht en majesteit zijn groot! Paarden en ruiters wierp hij in de zee.
Nu zou
men nog kunnen zeggen, o.k., maar dat was in de tijd van Mozes, in de woestijn,
maar in Jefta’s tijd zijn we honderden jaren later. Het is toch niet gezegd dat
dit ook toen nog een gewoonte was in Israël. Maar goed, dan kijken we nu even
vooruit, in 1 Samuel 18, enige tijd ná Jefta. Daaruit blijkt dat die gewoonte
was blijven bestaan. We zien dat namelijk in de geschiedenis van koning Saul,
bij wie hetzelfde gebeurde.
Toen
koning Saul terugkeerde met zijn leger, en David Goliath verslagen had, en zo
de overwinning op de Filistijnen was behaald, dan lezen we daar: toen liepen in
alle steden van Israël de vrouwen zingend en dansend uit om koning Saul
feestelijk in te halen met muziek van tamboerijnen en rinkelbellen. En
opgetogen zongen ze: Saul versloeg ze bij duizenden, David bij tienduizenden.
Dus ook toen bestond nog altijd die gewoonte dat de vrouwen en meisjes de
overwinnaar tegemoet kwamen.
Welnu,
dan is het toch wel duidelijk dat toen Jefta zijn belofte deed hij zich moet
hebben gerealiseerd dat, als hij de overwinning behaald zou hebben, het
mogelijk zijn eigen dochter zou kunnen zijn die hem zingend en dansend tegemoet
zou komen. Daarom blijkt uit deze belofte Jefta’s totale toewijding
aan de HEER. Zo dankbaar zal hij zijn als de HEER hem de overwinning geeft, dat
hij, als het moet, zelfs zijn enige kind, een meisje nog, volkomen wil afstaan
aan de HEER.
Maar wat betekent dat dan, dat hij haar
geheel aan de HEER geven wil? In elk geval is duidelijk dat dit betekent dat
Jefta, als de HEER dat van hem vragen zal, volkomen afziet van in zijn
nageslacht te mogen voortleven in Israël op een eigen erfdeel tot de komst van
de grote Rechter en Verlosser, de beloofde Messias, Jezus Christus. Dat moeten
we ons even goed indenken. Jefta was eerst weggejaagd uit Israël. Ze ontzegden
hem een plaats in Israël. Ze namen zijn erfrecht van hem af. Ons is verteld in
het vorige hoofdstuk, in 11:2, dat hij door zijn vader Gilead was verwekt bij
een hoer. Het was daarom dat hij later door zijn broers werd uitgestoten met de
woorden: Jij krijgt geen erfdeel uit het bezit van onze vader, want je bent de
zoon van een andere vrouw.
Diezelfde Jefta, aan wie eerst zijn
erfdeel in Israël was ontzegd, heeft door de gunst van de HEER nu zelfs een
ereplaats in Israël gekregen. En nu, nu is diezelfde Jefta bereid dat alles helemaal aan de HEER terug
te geven.
Wat een wonder van God! Jefta is bereid
om zijn eigen erfdeel los te laten, uit dankbaarheid dat Israëls erfdeel door
de HEER is bewaard in de strijd tegen de Ammonieten. Daarin toont Jefta zich
een echte betrouwbare dienaar van de HEER, die Israël voorgaat en leert om
geheel en al aan de HEER toe te behoren en zich volledig aan Zijn dienst te
wijden, in plaats van zich door vijanden te laten bang maken.
Maar dan is het wel volstrekt uitgesloten
dat Jefta bedoelt zijn dochter te
slachten op een brandofferaltaar. Zou hij, die zoals blijkt uit het vorige
hoofdstuk de wet van de HEER zo goed kent, niet weten hoe de HEER daarvan
gruwt? Zou hij met een zodanige gruwelijke belofte hebben durven hopen op de
overwinning? Zou zo’n gruwelijke zonde kunnen worden bedreven zonder vermelding
van enig afkeurend woord? (vergelijk 2 Koningen 3:27) Zou hij werkelijk zoiets
afschuwelijks bedoeld kunnen hebben, en dat terwijl nog maar net de Geest van
de HEER hem gegrepen had?
Nu moet u weten dat het hier door
brandoffer vertaalde woord letterlijk betekent: iets wat geheel en al opstijgt
tot de HEER, een volledig offer dus, zodat daarom heus niet aan een letterlijk
brandoffer behoeft te worden gedacht.*)
Door het zo op te vatten wordt aan Jefta onrecht aangedaan. En dat nog wel na
het onrecht dat hem in zijn jeugd al van de kant van zijn broers was overkomen.
Nee gemeente, wat Jefta hier belooft aan
de HEER is echt Bijbels, Schriftuurlijk. Het is waar de apostel Paulus over
spreekt in Romeinen 12. In de voorgaande hoofdstukken van zijn Romeinenbrief
heeft hij het verlossingswerk van Jezus Christus getekend in al zijn schoonheid
en met al de gevolgen ervan. En dan gaat hij zo verder in hoofdstuk 12: “Daarom
vraag ik u om uzelf als een levend, heilig en God welgevallig offer in zijn
dienst te stellen, want dat is de ware eredienst voor u. U moet uzelf niet
aanpassen aan deze wereld, maar veranderen door uw gezindheid te vernieuwen, om
zo te ontdekken wat God van u wil”.
Broeders en zusters, dat geldt ook voor
ons vandaag. Wij moeten ons als een levend offer in de dienst van onze God
stellen. Ons hele leven moeten wij aan Hem toewijden, en zo ook ontdekken wat
God heel concreet van ons wil.
Laten
we elkaar daar nu toe opwekken met het zingen van deze tussenzang, PSALM
50:7,11
Offer
God lof, bied Hem uw dankbaarheid,
Voldoe
aan uw geloften, Hem gewijd.
Zo
spreekt de HEER: al wie in dankbaarheid
Aan
Mij het offer van zijn leven wijdt,
Houdt
Mij in eer en heeft mijn wil verstaan.
Hij
baant de weg, waarlangs mijn heil kan gaan.
Welnu,
wat we zojuist gezongen hebben, dat is precies wat Jefta hier doet en ervaart.
“Hij baant de weg waarlangs Gods heil kan gaan”. Als de HEER dat wil zal hij
zelfs zijn eigen dochter, zijn enig kind, geheel toewijden aan de HEER. En dat
wil toch eigenlijk ook zeggen, zichzelf opofferen, afzien van alles wat dit
leven hem biedt.
Door zijn dochter geheel aan de HEER te
wijden ziet Jefta af van het hebben van nakomelingen, ziet hij af van voort te
leven op een eigen erfdeel in Israël om daar zijn naam in stand te houden tot
de komst van de beloofde Messias. Hij zoekt niet zijn eigen individuele belang,
maar uitsluitend dat de HEER het erfdeel van zijn volk, van zijn kerk, bewaren
zal ook voor de komende geslachten.
Wat Jefta hier belooft belooft hij niet
uit natuurlijke aandrang, zonder er goed bij na te denken, alsof hij niet eens
weet wat hij zegt. Integendeel, het gaat tegen zijn vlees en bloed in. Hij
belooft dit door de Heilige Geest van Christus, die in Hem werkt, die hem
immers zojuist gegrepen heeft. En daarin profeteert de Geest in Jefta van het
lijden dat over Christus komen zal, wanneer Hij zich volkomen toewijdt aan Zijn
Vader. Alleen maar, Christus zal het niet doen als een profetisch symbóól zoals
Jefta het deed in het afstaan van zijn dochter, maar Hij laat zich echt als een
compleet offer slachten, voor ons, in
onze plaats.
De HEER heeft die belofte van Jefta
aanvaard door het inderdaad te laten gebeuren dat zijn dochter hem tegemoet
komt met reidansen en trommelspel. En ook dát was profetie van het aannemen
door God van het offer dat eens zijn eigen Zoon Jezus Christus brengen zou.
Maar, als Jefta nu ziet en beseft dat hij
staat voor de inlossing van zijn belofte, dan huivert hij daarvoor wel terug.
Hij verscheurt zijn kleren en roept uit: ach mijn kind, dat jij mij deze slag
moet toebrengen, dat juist jij het bent die me in het ongeluk stort. Ik heb de
Heer een belofte gedaan en daar kan ik niet op terugkomen. Jefta is heel
verdrietig, zijn droefheid is groot nu hij beseft dat het ogenblik gekomen is,
dat hij de mogelijkheid om een blijvend erfdeel onder Gods volk hier op aarde,
in Kanaän, te bezitten, gaat verliezen.
Maar mogen we hier nu spreken van een
eigenlijk willen terugkomen op wat hij in onbedachtzaamheid gesproken zou
hebben? Zo wordt het wel uitgelegd. Maar broeders en zusters, dat is toch juist
wat het dienaar van Christus zijn mee brengt? Smart, eenzaamheid en verdriet,
in het zich hier vreemdeling weten, in het moeten loslaten van veel, soms van
alles wat tot dit leven behoort?
We doen beter dan hier het hoofd te
schudden over Jefta, als we hierin het lijden van Christus zelf al in Jefta een
aanvang zien nemen. Het begon al in Jefta’s leven, het lijden dat Christus in
Getsemane de druppels bloed uitperste, toen Hij zelf stond voor het offer van
zijn leven, en Hij er voor terug deinsde. Toen was Jezus dodelijk bedroefd en
smeekte Hij, tot drie maal toe: Vader, als het mogelijk is, laat deze beker dan
aan Mij voorbijgaan, dat Ik mijzelf niet hoef te offeren aan het kruis. Maar
dan mogen we hier ook, tot onze troost, tot troost van allen die hun leven
helemaal aan de HEER willen wijden, zien de overwinning van de Heilige Geest.
Want onze Heer Jezus zei : maar laat het niet gebeuren zoals ik het wil, maar
zoals U het wilt. Vader, als het nodig is voor de verlossing van uw kinderen,
laat het dan maar gebeuren.
Het is door de kracht van dezelfde Geest
van Christus dat hier ook Jefta zegt: ik heb de HEER een belofte gedaan, en
daar kan ik niet op terugkomen.
Ja, en toen heeft God het door zijn hulp
toch ook weer mogelijk gemaakt. Bij Jezus in Getsemane kwamen engelen uit de
hemel om Hem te ondersteunen.
Tot Jefta komt zijn dochter en zij zegt:
Vader, u hebt de HEER een belofte gedaan; nu moet u maar met mij doen zoals u
hebt beloofd. Jefta ontvangt hier de steun van zijn dochter; ook zij wordt hier
tot een instrument van de Geest van Christus.
Wel vraagt zij twee maanden uitstel om in
het gebergte, in het gezelschap van haar vriendinnen, er over te treuren dat ze
nooit iemands vrouw zou kunnen zijn. Ze vraagt dat dus niet om haar a.s. dood
te betreuren. Nee, ze gaat niet het verlies van haar leven betreuren, maar haar
maagdelijkheid, dat is, dat ze altijd maagd zal blijven. En dat is heel wat
anders.
Het is natuurlijk helemaal niet vreemd
dat ze vraagt of ze daartoe eerst twee maanden in het gebergte mag doorbrengen.
Als het waar zou zijn dat ze dan toch na die twee maanden gedood zou moeten
worden, dan zou ze dat juist niet gevraagd hebben. Dan had het meer voor de
hand gelegen om te vragen: Vader, mag ik nog twee maanden bij u blijven, bij u
thuis, in plaats van ver weg in het gebergte.
Maar waarom vraagt ze eigenlijk om een
uitstel van twee maanden? Kijk, Jefta heeft tevoren kunnen bedenken, wat dit
offer voor hem betekenen zou, maar voor dit meisje komt dit alles wel heel
onverwacht. Zij heeft tijd nodig om dit alles te verwerken en zich op een heel
andere toekomst voor te bereiden dan waar ze van gedroomd moet hebben. Alle
verwachtingen die zij van het leven koesterde moet zij loslaten. Het is
heel begrijpelijk dat ze daarbij de steun en het medeleven zoekt van haar
vriendinnen, zij die het best kunnen aanvoelen wat het voor haar betekent,
altijd maagd te moeten blijven, en dus ongetrouwd en kinderloos, juist ook in
die oudtestamentische tijd van Messiasverwachting.
Als ze dan na die twee maanden terugkomt,
zo staat er, brengt Jefta zijn belofte ten uitvoer. De tekst zegt daar niet
meer van, dan dat zij nooit met een man geslapen heeft, dat zij dus inderdaad
ongetrouwd is gebleven en nooit kinderen heeft gekregen.
Ja, dat was nu precies wat Jefta’s
belofte inhield. Op deze manier zou hij haar volledig wijden aan de dienst van
de HEER: geen huwelijk, geen nageslacht. Totaal geen nakomelingen in Jefta’s
huis om zijn persoonlijke erfdeel in Israël voort te zetten.
Wat er precies met dit meisje gebeurd is
weten we niet. Waarschijnlijk werd ze verbonden aan het heiligdom waar de ark
was, om daar nederige diensten te verrichten. Zowel in Numeri als in 1 Samuel
lezen we dat er vrouwen aan de tabernakel verbonden waren om daar allerlei
diensten te verrichten. Maar met zekerheid weet niemand het, want de Bijbel
zegt ons daar verder niets van.
Dit zegt de tekst ons wel, dat sindsdien
het in Israël de gewoonte was dat de jonge meisjes elk jaar vier dagen lang
deze dochter van Jefta gingen bezingen. Niet rouwklagen over haar, maar haar
bezingen**). Het offer van Jefta en
zijn dochter heeft in deze nagedachtenis Gods doel bereikt.
Het werd een gewoonte in Israël, niet om
te rouwklagen over de afgesneden levensmogelijkheden van Jefta en zijn dochter,
maar om lofliederen te zingen. De vertaling met rouwklagen is gebaseerd op de
verkeerde veronderstelling dat ze inderdaad zou zijn gedood. Maar dat staat er
niet. Men heeft er de Hebreeuwse tekst voor moeten veranderen. Er staat niet:
rouwklagen, maar lofprijzen, bezingen.
Zo is in Israël de herinnering aan het
verlossingswerk van de HEER door middel van Jefta bewaard, jaar na jaar. Ik las
zelfs ergens dat zoiets als deze gewoonte nog altijd bestond in de dagen dat
Jezus op aarde was.
Jefta en zijn dochter hebben geen
nageslacht gezien in Israël. Maar de Bijbel zegt (in Jesaja 54:1): Jubel,
onvruchtbare vrouw, jij die nooit een kind hebt gebaard; want jouw kinderen
zullen talrijker zijn dan die van de gehuwde De naam van Jefta en zijn dochter
is zelfs bewaard gebleven tot in het Israël van het Nieuwe Testament. Daarom
kan er dan ook over Jefta en zijn dochter gepreekt worden als deel van de
geschiedenis van het heil. Maar ook op een andere manier is hun naam, althans
die van Jefta, met eer bewaard gebleven. Want hij wordt ook vermeld in die
lange rij van geloofsgetuigen in Hebreeën 11. En wat zijn dochters naam
betreft, in de traditie van Israël als beschreven in Rabbijnse boeken is ook de
naam van Jefta’s dochter bewaard, en heette zij Sila.
Zo getuigt hun priesterlijk dankoffer
nog, nadat ze gestorven zijn. Hun tijdelijk erfdeel in Kanaän hebben zij
prijsgegeven, opdat hun Geestelijk nageslacht met hen de door God beloofde
nieuwe aarde erven zou.
Ook wij, broeders en zusters, jongeren en
ouderen, ook wij hebben, net als de meisjes in Israël, veel om te bezingen: het
vrijwillige offer voor ons van Jezus Christus, onze Rechter en Verlosser.
Daarom zingen wij als ons amenlied PSALM
68:10
Wij
zien, o God, uw stoet vol vreugd,
Men
zingt en meisjes slaan verheugd voor U de tamboerijnen.
Zij
juichen allen: Kom en zing, loof God in uw vergadering,
met
zang en spel van snaren.
AMEN
Noten
*)
Wat bovendien bevestigt dat hier niet aan een letterlijk brandoffer moet worden
gedacht is het feit dat de belofte van Jefta ook zo vertaald kan worden: wie
mij tegemoet komt zal de HEER toebehoren, of (en dus niet ‘en’ maar ‘of ’) ik
zal het als een compleet offer brengen. Zo bijv. al in de Kanttekeningen van de
Statenvertaling. Het Hebreeuwse woord voor ‘en’ moet volgens Dr B. J. E. van
Noort met ‘of’ vertaald worden als het om een opsomming van mogelijkheden gaat.
Zie Gen. 26:11, Ex. 21:17, Jer. 44:28.
**) “Het werkwoord letannot
betekent eigenlijk (vgl. 5,11) “verheerlijken”; daarom verkiest Klostermann …
te lezen le’annot, “om in twee koren
een klaaggezang uit te voeren”. Zo Dr J. de Fraine S.J. in RECHTERS (serie
B.O.T.), J. J. Romen & Zonen, Roermond 1955
5
De vijfde van de zes heeft als tekst
RECHTERS 12:1-3. Voor de orde van eredienst worden hier enkele suggesties
vermeld. De psalmen en gezangen zijn, tenzij anders vermeld, uit het Gereformeerd Kerkboek.
In de tekst lezen we over een poging om
met een valse beschuldiging aan Jefta zijn wettige plaats en erfdeel te
ontnemen. Met het oog daarop zijn de volgende Schriftlezingen gekozen.
1e SCHRIFTLEZING:
Deuteronomium 19:14-21
gevolgd door zingen van Psalm 37:11,12
2e SCHRIFTLEZING: 1 Timoteüs
5:17-22
gevolgd door zingen van Liedboek:
100:1,2,5,8,12,13
Aanvangslied: Psalm 25:1,2
Na de Tien Woorden: Psalm 25:3
Na de preek: Psalm 5:1-6
Slotzang: Psalm 135:1,7,8
Geliefde
gemeente van onze Heer Jezus Christus,
In
onze tekst gaat het over een kwaad dat helaas nogal eens voorkomt in de kerk.
Het is dit kwaad dat soms een rechtmatige plaats in de kerk ontnomen wordt aan
hen die toch met ons delen in het verlossingswerk van Christus. Je kunt het ook
met een Bijbelse term zo zeggen, dat hun het erfdeel waarin ze met Gods volk
delen wordt ontzegd. En ja, daar gaat het over in onze tekst, en ook in het
tekstverband: het erfdeel dat Gods volk heeft ontvangen.
Eigenlijk gaat het hele boek Rechters
daarover. Het is misschien wel goed niet alleen even terug te gaan naar het
begin over Jefta, maar ook naar waar het boek Jozua eindigt en verder gaat in
het boek Rechters. Jozua heeft het volk Israel binnengebracht in het hun
beloofde erfdeel. Vervolgens heeft elke stam en iedere familie een eigen
aandeel gekregen binnen het erfdeel van het volk als geheel.
Daarna vertelt het boek Rechters ons hoe
Israel het hun beloofde erfdeel moest bevechten op de oorspronkelijke inwoners
van Kanaän. Dat hebben ze maar gedeeltelijk gedaan, en zelfs wat in hun bezit
kwam verdienden ze weer te verliezen aan hun vijanden vanwege hun zonden. Ze
gingen namelijk de goden van die andere volken dienen, en verlieten de HEER,
hun Verbondsgod.
Dat is wel heel duidelijk naar voren
gekomen in de geschiedenis van Jefta. Jefta zelf werd door zijn broers met
medewerking van de ouderlingen verdreven uit zijn vaderlijk erfdeel. Zo werd
hij uit de kerk gebannen, zo werd hem ook het delen in de erfenis van heel Gods
volk ontnomen. Nu werd, dank zij de HEER, die zonde later erkend en beleden.
Gods volk keerde terug tot de HEER, en ze maakten ook het aan Jefta gedane
onrecht weer goed.
Daarna is ons verteld hoe Jefta, door af
te zien van zijn eigen erfdeel, voor alle volgende eeuwen en tot vandaag toe,
ons een levend voorbeeld heeft gegeven van toewijding aan de HEER, onze
Verbondsgod.
Maar nu, nu lezen we in onze tekst dat er
weer leden van Gods volk, kerkmensen dus, hebben geprobeerd kinderen van God van
hun erfdeel te beroven. Heel concreet, het is weer Jefta’s delen in het erfdeel
van Gods volk dat men dreigt hem te ontnemen, door hem met huis en al te
verbranden. Is dat niet afschuwelijk? Iemand zomaar zijn erfdeel ontzeggen, uit
de kerk weg te jagen of de naam kerk te ontzeggen, het is één van de ergste
zonden die in de kerk bedreven kan worden. We hebben daar van gelezen in
Deuteronomium 19. Daar houdt Mozes het volk Israel voor, dat ze de stenen die
de grens van andermans erfdeel bepalen niet mogen verplaatsen, namelijk met de
bedoeling om zich dat erfdeel zelf toe te eigenen. Ook leert hij hun hoe met
valse aanklachten en aanklagers om te gaan.
Ook in het Nieuwe Testament wordt
daartegen gewaarschuwd. We lazen in 1 Timoteüs 5 dat ouderlingen die goede
leiding geven dubbel beloond moeten worden. Dat is wat anders dan dat aan hen
hun eervolle plaats in de kerk wordt ontnomen door gehoor te geven aan allerlei
aanklachten tegen hen. Die zonde is tot een climax gekomen toen de kerk zelfs
Jezus, onze Heer, heeft uitgeworpen.
Hij die door de Vader naar de aarde
gezonden was om Gods volk te verlossen werd door zijn eigen volk niet aanvaard.
En dat, terwijl alleen Jezus onze eigenlijke Rechter en Verlosser is, omdat Hij
de verzoening van onze zonden tot stand heeft gebracht en ons heeft verlost van
Gods oordeel over onze zonden.
Maar dan is het natuurlijk ook heel erg
als aan hen die door de Heer geroepen zijn om de verzoening van onze zonden
door Jezus Christus te verkondigen hun wettige plaats wordt ontzegd. Of, wat
ook wel gebeurt, als van die plaats zelf wordt beweerd dat daar Gods erfdeel
niet te vinden is en dus de naam kerk moet worden ontzegd. Wanneer zij die bij
Christus horen niet als zodanig worden aanvaard, maar zelfs worden
buitengesloten, dan moet men zich wel afvragen of zo Christus zelf niet
verworpen gaat worden.
Het is al een begin van de verwerping van
Christus zelf, als in de tijd van het Oude Testament die zonde wordt begaan.
Maar dan lopen we zeker in onze Nieuwtestamentische tijd het gevaar, als we zo
met elkaar zouden omgaan, dat we de verwerping van Christus zoals die tijdens
zijn leven op aarde plaats vond in onze tijd voortzetten.
Het
is met dit alles als een waarschuwing in gedachte dat ik u vandaag verkondig
DE
VERLOSSING VAN HET ERFDEEL VAN GODS VOLK DOOR ONZE HEER
We
letten op twee dingen in onze tekst:
1.
HOE DAT ERFDEEL IN GEVAAR WORDT GEBRACHT
2.
HOE DAT ERFDEEL WORDT VERDEDIGD
1. In vers 1 wordt
ons verteld hoe Israëls verlossing die de Heer door middel van Jefta bewerkt
had in gevaar gebracht wordt, en zelfs ontkend. De Efraïmieten kwamen namelijk
naar Jefta toe met het dreigement dat ze hem en zijn huis verbranden zouden.
Dat betekent dat ze hem niet langer in zijn ambt als Rechter willen erkennen.
Ze willen hem en zijn erfdeel in Israel volledig vernietigen.
Nu werden hier maar niet in boze drift
wel lelijke maar toch eigenlijk loze woorden geuit. Nee, het was maar niet een
loos dreigement dat je wel makkelijk naast je neer zou kunnen leggen. Ons wordt
verteld dat ze tegelijk ook al een leger op de been gebracht hebben, en dat
leger was al op weg naar het plaatsje Safon, aan de Oostzijde van de Jordaan.
Ze waren de rivier overgestoken en bevonden zich dus al op het grondgebied van
Gilead. Het waren dus niet alleen maar woorden, maar ook al daden. Dat was toch
wel iets om ernstig te nemen, want ze waren zelfs al met hun leger het land
Gilead binnengedrongen voordat ze Jefta met hun dreigement confronteerden.
En dan zeggen ze tot Jefta: “Waarom bent
u tegen de Ammonieten opgetrokken zonder ons erbij te betrekken?” Dat is dus de
reden waarom ze Jefta en zijn huis willen verbranden. Ze uitten dat dreigement
dus al zonder eerst aan Jefta ook maar de gelegenheid te geven hun klacht te
beantwoorden en zich tegen hun beschuldiging te verdedigen. Maar dat betekent
dan ook, dat zelfs als hun bezwaar tegen Jefta’s optreden terecht zou zijn
geweest, dus zelfs als Jefta helemaal verkeerd gehandeld zou hebben, dan nog
was hun manier van optreden volledig in strijd met hoe men volgens de Bijbel in
de kerk met elkaar omgaat. Laten we even terugdenken aan dat Bijbelgedeelte dat
we zostraks in Deuteronomium gelezen hebben.
Het was juist in verband met de
onschendbaarheid van iemands erfdeel dat Mozes ook had voorgeschreven hoe te
handelen als er een conflict daarover ontstond. Dan moesten de partijen voor de
priesters en de rechters verschijnen om van hen een beslissing te krijgen. En
dan staat er ook bij, als blijken zou dat er een vals getuigenis is afgelegd,
dan moet die valse getuige de straf krijgen die hij de ander had toebedacht. En
de fundamentele rechtsregel die de rechters moeten toepassen is dat de straf in
overeenstemming moet zijn met het misdrijf.
Nu werden die rechtsregels in
Deuteronomium zelfs gegeven in de context van Mozes’ uitleg van het 6e
gebod: Pleeg geen moord! Wat die Efraïmieten hier doen is dus in strijd met
Mozes’ uitleg van het 6e gebod. En dat is hier nog des te erger,
omdat ze dat Jefta willen aandoen. Want wie is Jefta?
Jefta was door de HEER in zijn dienst genomen
als een Rechter in Israel. En de reden waarom ze hem en zijn huis verbranden
willen is nu juist vanwege het werk dat hij als Rechter in dienst van zijn HEER
heeft gedaan. In de naam van de HEER heeft hij de Ammonieten verslagen, die
vijanden van Gods volk die het land waren binnengedrongen. Ze waren eerst
Gilead binnengevallen om de Israëlieten die aan de Oostkant van de Jordaan
woonden te onderdrukken, maar daarna ook de rest van het land. Dat weten we uit
hoofdstuk 10:9. Daar staat dat ze zelfs de Jordaan waren overgestoken om ook de
strijd aan te binden met Juda, Benjamin en, ja ook met Efraïm.
Toen Jefta dan ook de strijd was
aangegaan met de Ammonieten en hen naar hun eigen land had teruggejaagd, had
hij daarmee ook Efraïm van het geweld van de Ammonieten verlost. En ook dat had
Jefta gedaan in de naam van de HEER. Hun beschuldiging aan Jefta’s adres was
dus tegelijk een ontkenning van Gods verlossingswerk waarin ook Efraïm had
mogen delen. Ze durven notabene te beweren dat Jefta hen had gepasseerd, en hen
niet eens had gevraagd mee te doen in de strijd tegen de Ammonieten. Maar het
tegendeel is waar. Hij had hen niet gepasseerd, maar juist bevrijd.
Niettemin, zelfs al zouden de Efraïmieten
gelijk hebben gehad en zou Jefta hen gepasseerd hebben, dan hadden ze toch nog
uit eigen beweging Jefta te hulp moeten komen. Die Ammonieten waren immers
vijanden van heel Israel, en niet een bedreiging voor Gilead alleen. Gilead was
toch ook een streek die deel uitmaakte van Israel. Bovendien, de Ammonieten
hadden toch ook Efraïm zelf al aangevallen met de bedoeling ook daar te roven
en te doden.
Daarom, gemeente, zelfs al zou Efraïm met
een schijn van recht Jefta beschuldigd hebben, dan nog hadden ze duidelijk
ongelijk omdat ze niet rekenden met het geheel van Gods kerk, maar alleen met
hun eigen groep. Ze waren niet werkelijk geïnteresseerd in het verlossingswerk
van Israëls God, maar alleen in hun eigen belangen, hun eigen groep en hun
eigen erfdeel. Ze beweerden wel dat ze gepasseerd waren, maar ze sluiten hun
ogen voor het feit dat de HEER hen door middel van Jefta heeft verlost.
Het is goed als we ons realiseren dat
deze geschiedenis een belangrijke les bevat voor de kerk van alle tijden, ook
voor ons vandaag. Het kan zo maar gebeuren dat er broeders of zusters zijn in
de kerk, of ook wel plaatselijke kerken of groepen van kerken, die het gevoel
hebben dat er niet voldoende met hen gerekend wordt. Maar kijk, of dat nu
terecht of ten onrechte zo wordt aangevoeld, maar juist dan moeten we ons realiseren
dat we samen delen in de erfenis van heel Gods kerk, de verlossing die Jezus
Christus voor ons heeft verworven toen Hij stierf aan het kruis voor ons aller
zonden. Hij heeft ons verlost uit de macht van onze vijanden, de duivel, onze
eigen zondige aard, en de eeuwige dood.
Laten we dat toch altijd allereerst
bedenken, als kerken en als gemeenteleden: of we ons werkelijk zoveel als
mogelijk laten betrekken bij wat de HEER ook door middel van mensen doet voor
ons heil. O ja, ook als we er niet altijd rechtstreeks voor gevraagd worden.
Voelen we ons dan gepasseerd, of willen we ook wel vrijwilligerswerk in de
gemeente doen? Want daaruit mag dan blijken dat we alleen maar willen leven
door Gods genade die ons in Christus bewezen is.
2. We gaan nu zien
hoe het bedreigde erfdeel wordt verdedigd.
In de verzen 2 en 3 van onze tekst lezen
we Jefta’s antwoord aan de Ephraïmieten. Wat onmiddellijk opvalt, is hoe
geduldig Jefta zichzelf opstelt. Het is een houding die inderdaad passend is
voor een dienaar van de HEER, voor ambtsdragers in de kerk, maar ook voor ieder
die christen genoemd mag worden. Het zou natuurlijk echt menselijk geweest zijn
als Jefta boos was geworden en direct zijn soldaten opdracht had gegeven om die
Ephraïmieten naar hun eigen gebied terug te jagen. Zo’n reactie zou heel
menselijk zijn geweest. Maar zo is het niet gegaan. Integendeel, Jefta probeert
eerst in een pastoraal gesprek de emoties van de Ephraïmieten te kalmeren.
En hoe doet hij dat dan? Hij wijst hen op
het verlossingswerk van de HEER waaraan ook zij deel mochten hebben. Op die
manier laat hij hen zien dat er geen grond is voor hun beschuldiging. Ik heb u
opgeroepen om met mij tegen de Ammonieten te strijden, maar jullie zijn mij
niet te hulp gekomen toen we die hulp heel hard nodig hadden.
Nu is het wel zo dat in de vorige
hoofdstukken ons daar niets van is verteld. Maar ook geeft de Bijbel ons geen
enkele reden om Jefta ervan te verdenken dat hij hier niet de waarheid
gesproken heeft. Trouwens, zoals we al eerder gezien hebben, zelfs als Jefta
hen er niet bij geroepen had dan was er nog geen reden voor die Ephraïmieten
Jefta aan te vallen. Het is toch niet zo dat je alleen maar voor de kerk
opkomt, of voor een broeder of zuster in de kerk, als je er om gevraagd wordt,
of ervoor benoemd bent? Dat is ieders roeping, wanneer de gemeente of leden van
de kerk het moeilijk hebben.
Welnu, zo komt Jefta dan tot het stellen
van de vraag: “Waarom vallen jullie me nu dan aan?” Ook hier toont Jefta door
de Geest van Christus het beeld van onze Heer, want in de ambtsdrager Jefta
laat Christus al iets zien van het lijden dat Hem zal overkomen van de kant van
zijn eigen volk. We weten wat er gebeurde toen Jezus met zijn discipelen in de
Hof van Gethsemane was! Toen kwamen de soldaten en de leden van het Sanhedrin
met stokken en zwaarden op Hem af om hem te arresteren, te kruisigen, en zo uit
de gemeenschap van zijn kerk uit te bannen.
Toen dat gebeurde stelde ook onze Heer
een dergelijke vraag als Jefta: U bent er met stokken en zwaarden op uit gegaan
om mij gevangen te nemen. Waarom? Alsof ik een misdadiger ben? Toch was ik
dagelijks in de tempel om onderricht te geven in Gods wet; maar dit is uw uur,
het uur van de macht van de duisternis. Toen gaf onze Heer zich vrijwillig, in
volkomen zelfverloochening, over aan de macht van de duisternis.
Nu was bij Jefta de situatie natuurlijk
niet gelijk. Voor Jezus was toen inderdaad het beslissende uur aangebroken dat
in Hem de Schriften tot vervulling zouden komen. Maar voor Jefta was dat uur er
nog niet, want niet Jefta, maar Jezus zal de grote Rechter zijn, die eens komen
zal om het definitieve oordeel uit te spreken. Daarvoor was het toen nog niet
de tijd; en daarom was het Jefta’s roeping om als de toenmalige
Oudtestamentische rechter de kerkelijke muiterij van de Ephraïmieten te
weerstaan en te veroordelen. Hij moest die wel weerstaan, opdat Israel als volk
kon blijven bestaan tot de tijd dat Jezus in Kanaän geboren zou worden. Jefta
moest daarna optreden zoals hij deed (zie daarover na onze tekst), opdat
Christus eens komen zou in Kanaän om verzoening te doen voor de zonden van alle
gelovigen, ook die van Jefta zelf, maar ook die van gelovigen uit Ephraïm, en
zelfs ook die uit Ammon en Moab (denk maar aan Ruth!). Hij moest komen, die
verzoening zou doen voor de zonden van de hele wereld, voor allen die op de
grote Rechter en Verlosser Jezus Christus hun vertrouwen zouden stellen.
Dus is die vraag van Jefta, ‘Waarom
vallen jullie mij nu aan?’ ook voor ons vandaag van betekenis. Belangrijk is niet
of we bepaalde mensen, ook bepaalde ambtsdragers in de kerk wel aardig vinden
of niet, begaafd of minder begaafd. Waar het op aan komt is of de HEER bepaalde
ambtsdragers en ook anderen in de gemeente wil gebruiken voor de proclamatie
van zijn Koningschap in deze wereld, een Koningschap gebaseerd op de verzoening
van onze zonden.
Het kan ook in onze tijd gebeuren (en de
kerkgeschiedenis laat zien dat het vaak het geval is geweest), dat de kerk als
geheel, of bepaalde mensen in de kerk, onrechtmatig worden bekritiseerd of
zelfs verworpen. Dan is het stellen van Jefta’s vraag ook nu toepasselijk:
waarom doet u dat toch? We moeten die vraag natuurlijk wel stellen zonder ons
persoonlijk geraakt te voelen. Dan mogen we net als Jefta dat deed beginnen met
hetzelfde geduldig pastoraal onderwijs waarmee Jefta het beeld van Christus
vertonen mocht. Dan blijven we bidden en hopen dat de reactie van hen die zo de
kerk bekritiseren of zelfs aanvallen toch anders mag zijn dan de reactie van de
Ephraïmieten.
Onze verantwoordelijkheid vandaag is veel
groter dan van de mensen toen. Dank zij Golgotha, Pasen en Pinksteren hebben
wij allemaal de Heilige Geest ontvangen, veel meer dus dan indertijd de
Ephraïmieten en zelfs Jefta zelf. Daarom wordt er van ons ook meer gevraagd.
Laat daarom ons gebed voor het behoud van allen des te vuriger zijn. De HEER
alleen kan zijn volk verlossen van ontbindende krachten in de kerk, waardoor
soms wie christenen heten toch tegenover elkaar komen te staan. En dat doet God
in de eerste plaats door de prediking van het Evangelie. Verder ook door het
pastorale optreden van de ambtsdragers opdat ieder in radicale
zelfverloochening, door de kracht van de Heilige Geest, het beeld van Christus
zelf mag vertonen.
Laten we daar dan ook om bidden, om die
genadige werking van de Heilige Geest, ook nu en hier.
AMEN
6
De
laatste van de zes heeft als tekst Rechters 12. Voor de orde van eredienst worden
hier enkele suggesties vermeld. De psalmen en gezangen zijn, tenzij anders
vermeld, uit het Gereformeerd Kerkboek.
Inleidend
woord. In deze laatste preek over Jefta gaat het over een strijd tussen
volksgenoten die op het slagveld gevoerd werd. Gewapend geweld alleen, of, een
Geestelijke strijd? In gehoorzaamheid aan Gods gebod aan Israël, en in het
bijzonder Jozef of Ephraïm, of, in strijd daarmee?
1e SCHRIFTLEZING: Genesis
48:12-20
gevolgd door zingen van Psalm 80:1,2
2e SCHRIFTLEZING: Jozua 17:14-15
en Rechters 7:23-8:3
gevolgd door zingen van Psalm 60:3
3e SCHRIFTLEZING: Rechters 12
(tevens tekstlezing)
gevolg door zingen van Psalm 101:1,3,4
Aanvangslied: Psalm 81:1,2,3
Na de Tien Woorden: Psalm 81:6, 7
Na de preek: Gezang 139:4,5
Slotzang: Liedboek 442:1,2,3,4
Geliefde
gemeente van onze Heer Jezus Christus,
Je
vraagt je af als je deze geschiedenis leest, ging dit niet veel te ver, zoals
de Gileadieten onder leiding van Jefta die Efraïmieten hebben afgestraft. Het
was tenslotte toch wel hun broedervolk!
Het was natuurlijk wel erg wat die
Efraïmieten gedaan hadden. In de verzen 1-3 lezen we hoe de Efraïmieten de
Jordaan zijn overgestoken en dreigden Jefta’s huis in brand te steken en hem te
verbranden. Waarom eigenlijk deden ze dat? Daarvoor moeten we even terugdenken
aan wat ons is verteld in de voorgaande hoofdstukken, hoofdstukken 10 en 11.
Het was weer helemaal mis met Israël. Ze
hadden zich het land Kanaän dat hun als een erfdeel beloofd was volkomen
onwaardig gemaakt. Dat was bijv. heel duidelijk geworden in hun misbruik maken
van de kerkelijke tucht, toen Jefta’s broers, met goedkeuren van de oudsten van
Gilead, hun halfbroer Jefta het huis uit hadden gejaagd. Ze wilden namelijk
niet dat hij delen zou in de erfenis van hun overleden vader. Daarmee hadden ze
hem niet alleen zijn familie-erfdeel ontzegd, maar tegelijk ook hem zijn
wettige plaats onder Gods volk, zijn plaats in de kerk, ontnomen. En juist dat
vindt onze God heel erg: medegelovigen hun wettige plaats in de kerk misgunnen
en zelfs ontnemen, mensen de kerk uitjagen. Dat wekt Gods boosheid op, en
vraagt om zijn straf.
Ja, daar gaat het telkens weer over in
het boek Rechters, en ook in deze geschiedenis weer, hoe slecht de Israëlieten
omgingen met hun erfdeel in Kanaän, zoals God hun dat onder Jozua had
toebedeeld. Maar ook zien we telkens weer in dit boek Gods liefde en geduld,
hoe de HEER ondanks hun zonden hen toch bleef leiden en bij het hun geschonken
erfdeel bewaarde.
Zo was God voor zijn volk Israël in die
tijd, en zo wil God ook vandaag voor ons zijn. De HEER wil ook ons bewaren bij
het erfdeel dat Christus voor ons aan het kruis verworven heeft.
Zo
mag ik u verkondigen
HOE
ONZE HEER ZIJN VOLK BIJ HET VOOR HEN VERWORVEN ERFDEEL BEWAART:
1.
DOOR HET UITOEFENEN VAN DE KERKELIJKE TUCHT
2.
DOOR HET HERSTELLEN VAN DE EENHEID VAN DE KERK
1. Hoe onze God is
volk bij het hun beloofde erfdeel bewaart lezen we in de verzen 4 t/m 7. Onze
HEER doet dat door het toepassen van de kerkelijke tucht over Efraïm, en daarin
zien we hier duidelijk Gods boosheid en straf vanwege kerkelijke zonden. Dat
uitoefenen van de kerkelijke tucht kwam in dit geval hier op neer dat Jefta
alle mannen in Gilead opriep om de strijd tegen Efraïm aan te binden. En toen
werden die Efraïmieten verslagen. En dan lezen we in vers 6 van onze vertaling
dat er op die dag 42000 Efraïmietische mannen sneuvelden.
Nu moeten we ons wel realiseren dat het
Hebreeuwse woord dat meestal met duizend wordt vertaald niet altijd die
betekenis heeft. Het kan ook voor een grote groep mensen gebruikt worden; in
onze tekst bijv. als 42 legerafdelingen. Niettemin, er vielen toch wel heel
veel doden.
Maar was dat nu echt wel nodig?.Dat is
toch een vraag die zich als vanzelf aan ons opdringt. Daarom is het goed dat we
ons herinneren wat de reden voor dit alles is geweest.
Die Efraïmieten dreigden Jefta te
vermoorden en gingen zelfs een burgeroorlog tegen de Gileadieten voeren. Ja, en
dat terwijl Jefta juist ook hen van de vijand, van de Ammonieten, had bevrijd.
Met moord en brand en burgeroorlog, met de ernstigste vorm van kerkscheuring
dus, verzetten ze zich tegen het verlossingswerk van God. Ze hadden zelf op een
slachting onder Gods volk aangestuurd, en nu kwam het op hun eigen hoofden
neer.
Jefta heeft dan ook heel terecht Gods
oordeel zo streng over hen uitgevoerd.
Toch is het wel heel vreselijk wat ons
hier verteld wordt. Als je het alleen maar menselijk bekijkt (bijvoorbeeld
vanuit het oogpunt van tolerantie en van de rechten van de mens)], dan laat de
vraag zich niet onderdrukken: kun je werkelijk de slachting die toen plaats
vond als een verlossingswerk van God zien? Is het niet eerder een verder
doorgaan met het verscheuren van de kerk in die dagen? Kunnen we dit echt een
daad van verlossing noemen?
Het is waar: op het eerste gezicht lijkt
het er niet op, maar zou je je eerder afvragen: waar is God eigenlijk, als
zulke dingen kunnen gebeuren. We moeten echter niet vergeten dat de manier
waarop Efraïm was opgetreden tegen Jefta en de Gileadieten maar niet een
ongelukkig incident was. Integendeel, wat die Efraïmieten hadden gedaan was
kenmerkend voor Efraïms houding telkens weer in de geschiedenis van Israël.
Het is voor een beter begrip goed om daar
wat meer aandacht aan te geven.
Dan gaan we eerst naar Jozua 17 (verzen
14vv). Daar lezen we dat het al begon bij de verdeling van het land. De zonen
van Jozef, Efraïm en Manasse, waren niet tevreden met het hun toegewezen
erfdeel. Ze wilden meer. Ze dachten dat ze daar recht op hadden vanwege de
belangrijke positie die zij in Israël innamen. Jacob had hun toch een
bijzondere zegen gegeven? Dat hebben we inderdaad gelezen in Genesis 48. Maar
weet u, de Efraïmieten konden kennelijk niet wachten op de vervulling van die
zegen door God zelf. Ze wilden het zelf doen door naar de macht te grijpen en
zichzelf een leidende positie in Israël te veroveren. Daar waren ze direct in
het begin al mee begonnen.
Jozua heeft hen toen tijdelijk tevreden
kunnen stellen door hun uitbreiding van hun erfdeel toe te staan. Maar toen
enige tijd later Gideon Rechter was kwam hun machtswellust weer naar boven. In
Rechters 8:1 lezen we dat ze bij Gideon kwamen met zowat hetzelfde verwijt als
later tegen Jefta. “Waarom hebt u er ons niet bij betrokken toen u tegen Midjan
ten strijde trok? Ze maakten hem de heftigste verwijten”. Ook Gideon toonde hun
toen aan dat ze het helemaal mis hadden, want dat ze inderdaad bij de strijd
betrokken waren geweest. Maar Gideon kon hen toen nog tot bedaren brengen door
hun een complimentje te geven voor hun aandeel in de strijd tegen Midjan.
Maar nu, in hoofdstuk 12, is het dus voor
de derde keer dat Efraïm de eerste viool wil spelen onder de stammen van
Israël. Dit keer doen ze het zelfs door eerst de vijand zijn gang te laten gaan
en Jefta en Gilead in de steek te laten. Ze lieten hen eerst met gevaar van hun
leven de kolen uit het vuur halen, waarmee ze toch tegelijk ook Efraïm hadden
beschermd tegen de Ammonieten en bevrijd. Maar helaas, ze laten zich door het
rustige antwoord van Jefta op hun verwijten niet tot rede brengen.
Integendeel, ze zijn gaan schelden en
beledigen. Dat blijkt uit vers 4. Daar staat dat Jefta de strijd met de
Efraïmieten pas aanging nadat die gezegd hadden: “Jullie zijn niets anders dan
een stel gevluchte Efraïmieten”. En die woorden hadden tegelijk ook een
politieke betekenis. Laat me daar een voorbeeld van geven. Ze bedoelden daar
hetzelfde mee als toen indertijd Adolf Hitler zei, dat de Nederlanders toch
eigenlijk van oorsprong allemaal Duitsers waren die zich van het Duitse rijk
hadden afgescheiden. Zo bedoelden die Efraïmieten het namelijk ook. En ook zij
hadden daarvoor een historische aanleiding in het verleden. Want in Jozua 22
kunt u lezen hoe indertijd bij de intocht, toen Ruben, Gad en half Manasse
terugkeerden naar Gilead, over de Jordaan, de rest van Israël hen er van
verdacht dat ze zich wilden afscheiden van Israël. Ze werden toen beschouwd als
weglopende of vluchtende Israëlieten. Die kwestie is toen gelukkig weer goed
gekomen omdat duidelijk bleek dat dit helemaal niet hun bedoeling was geweest.
Maar kijk, daarop grijpt dit beledigende
schelden wel terug. Jullie zijn toen weggelopen uit Israël, - en Israël, dat is
toch eigenlijk Efraïm, want wij zijn immers de voornaamste van alle stammen - ;
welnu, jullie zijn dus niets anders dan weggelopen Efraïmieten. En dus hoort
Gilead gewoon bij Efraïm en Manasse. De Efraïmieten willen Gilead dus gaan
verdelen tussen henzelf en de naar Jozefs andere zoon genoemde stam Manasse. Manasse kan dan houden wat het al heeft in
het Oost-Jordaanse, en de rest van Gilead, dat zal Efraïm dan wel even
annexeren.
Maar gemeente, zo willen zij dus aan hun
mede-Israëlieten hun wettige plaats in Israël ontnemen, door hun erfdeel te
annexeren dat onder Jozua aan hen was toebedeeld. Maar daarmee overtraden zij
de wet van Mozes in Deut. 19:14, waar staat: “U mag in het gebied dat de HEER,
uw God, u toewijst in het land dat hij u in bezit geeft, de stenen die al
generaties lang andermans grond begrenzen niet verplaatsen”: niet knoeien dus
met de vastgestelde grenzen.
En kijk, nu is het toch wel duidelijk
waarom Jefta zo streng moest optreden met de kerkelijke tucht. Want nu moest
hij het erfdeel van Gods volk maar niet verdedigen tegen buitenlandse vijanden,
maar tegen hun eigen broeders. In hun zelf de baas willen spelen in Gods kerk
miskenden zij niet alleen Jefta in zijn ambt als Rechter, maar wilden ze ook
over dat deel van Gods gemeente de baas spelen, alsof zij alleen Gods wettige
erfgenamen zouden zijn.
Deze strenge tuchtoefening over Efraïm is
dan ook juist een verlossingsdaad van de HEER, tot behoud van zijn gemeente op
het haar gegeven erfdeel, om daar de komst van de grote Rechter en Verlosser,
Jezus Christus, te verwachten.
Eerst hebben de Efraïmieten de inwoners
van Gilead een stel gevluchte Efraïmieten genoemd. Hoe ironisch! Nu zijn ze
zelf vluchtelingen geworden, die in allerijl de ondiepten van de Jordaan
proberen te bereiken. Nu zijn ze zelf zulke gesmade vluchtelingen!
Ja, en nu proberen die eerst zo trotse
Efraïmieten ook nog hun afkomst te verbergen. Als hun bij de Jordaan waar ze
willen oversteken door Jefta’s wachtposten gevraagd wordt of ze uit Efraïm
kwamen dan durven ze er niet voor uit te komen en zeggen ze: nee hoor!
En dan wordt hun vernedering nog een
graadje erger. Voordat ze eventueel toestemming krijgen de rivier over te
steken moeten ze eerst het Hebreeuwse woord voor ‘rivier’ zeggen: “sjibbolet”. En dan blijkt dat die
Efraïmieten, die zichzelf de echte Israëlieten vonden, niet eens in staat zijn
dat Hebreeuwse woord goed uit te spreken: dan zeggen ze “sibbolet” in plaats van “sjibbolet”.
Ook hùn taal heeft de eigenaardigheden van een plaatselijk dialect.
Ze wilden de voornaamsten in Israël zijn
en over de andere stammen de baas spelen. Maar God zelf heeft Israël verlost
van hun heerszuchtige gedrag. En Hij heeft daarvoor deze strenge uitoefening
van de kerkelijke tucht door Jefta gebruikt. In de Rechter Jefta werkte de
Geest van de komende Christus. Toen de kudde waarover de HEER hem als onderherder
had aangesteld werd aangevallen aarzelde hij niet om zijn leven te wagen, zelfs
als dat nodig was in een conflict met zijn eigen volksgenoten.
Jefta durfde deze strenge straf van God
uit te voeren. En toch, nog in onze tijd wordt hem dat soms verweten als een
veel te strenge reactie. Maar dat was het niet! Jefta heeft hier juist de stijl
van de Goede Herder getoond. De Goede Herder vlucht niet als een huurling
wanneer dieven en rovers proberen het erfdeel van Gods volk af te nemen en de
baas te spelen over de schapen. De Goede Herder aarzelt niet om zo nodig de
kerkelijke tucht in alle strengheid toe te passen. Voor de hem toevertrouwde
schapen geeft Hij zijn eigen leven prijs.
God hield Jefta in leven toen die bereid
was zijn leven te riskeren voor zijn volk. Jefta mocht in leven blijven tot
zijn werk klaar was. Zes jaren is hij Rechter in Israël geweest. Het waren
jaren van eenzaamheid en moeiten, van verdriet en zelfopoffering. Ook na zijn
sterven werd zijn werk vaak niet naar waarde geschat. Waar hij begraven werd is
niet eens bekend: in een of andere stad in Gilead; welke wordt niet genoemd.
Hij was een discipel die niet meer geacht werd dan zijn Heer. Op onze Heer zijn
al de smaadheden neergekomen waaronder zijn dienaren geleden hebben, of nog
lijden en zullen lijden.En al moet ook naar de plaats van Jezus’ graf worden
gegist, zijn geopende graf is niet vergeten. Hij is opgestaan! Als de grote
Herder van de schapen heeft Hij de overwinning bevochten over de machten van
zonde en dood. Dat is onze troost, gemeente: de ontbindende krachten van zonde
en dood zijn overwonnen door de kracht van zijn eeuwig leven. Ook Jefta’s ziel,
in ’t eeuwig leven, verwacht de Jongste Dag, de Dag waarop de grote Rechter zal
komen op de wolken.
2. We gaan nu (heel
kort) in de tweede plaats zien hoe onze God door de tuchtoefening waarover we
hoorden in het eerste deel van de preek de eenheid van zijn kerk heeft
hersteld.
De HEER is namelijk doorgegaan met aan
zijn volk Rechters te geven. Daar lezen we over in de verzen 8-15. Eerst roept
de HEER een zekere Ibsan uit Bethlehem om als Rechter op te treden. Die heeft
30 zonen en 30 dochters die allen trouwen. Dit wijst er op dat de HEER hem rijk
gezegend heeft. Waar Jefta gestorven is zonder nageslacht in de uitoefening van
zijn ambt als Rechter, daar mag nu de vrucht daarvan gezien worden in zijn
opvolger.
Na Ibsan wordt Elon Rechter. Hij komt uit
Zebulon. De stam van Zebulon woonde in het hoge Noorden, ver weg, aan de
Middellandse Zee. Die stam kon vanwege zijn ligging zich heel makkelijk aan de
rest van Israël weinig gelegen laten liggen en zijn eigen gang gaan. Maar de
geschiedenis van juist deze stam laat zien dat die altijd weer de eenheid van
Israël en de samenbinding van alle stammen onderhouden heeft. Dat daar nu een
Rechter vandaan komt mogen we wel zien als een kroon op het werk van Jefta, die
juist voor de eenheid van Israël alles, tot zelfs zijn eigen erfdeel in Israël,
heeft over gehad.
En dan, tenslotte, daar is ook Abdon. En
die is nu een Rechter afkomstig uit Efraïm. Jazeker, uit Efraïm! Hij had 40
zonen en 30 kleinzonen, die allemaal een ezelshengst als rijdier hadden. Dit
betekent dat zij 70 vooraanstaande plaatsen in Israël mochten innemen. Wat is
dat een wonder van Gods genade. Wat een zegen is er voortgekomen uit Jefta’s
ten koste van alles, zelfs van zijn eigen erfdeel, opkomen voor de eenheid van
Gods volk. Nu wordt ook Efraïm door God zelf gekozen om aan Gods volk een
Rechter te verschaffen.
Toen Efraïm zelf naar de macht greep om
leider te worden in Gods kerk heeft God het moeten vernederen. Maar nu toont de
HEER ook de zegen die voortvloeit uit gerechtvaardigde toepassing van
kerkelijke tucht. Ook die tucht is een genademiddel!
Nu zijn die drie Rechters, en ook Jefta
zelf, maar kort in dienst geweest, vooral als we het getal van de jaren van hun
ambtsbediening, 6, 7, 10, en 8, vergelijken met dat van andere Rechters voor
hen (Jaïr 22, Tola 23, Gideon tot op hoge leeftijd, en Otniël 40 jaren). In
snel tempo gaat de HEER nu het tijdvak van de Rechters afsluiten, om te komen
tot het Koningschap in Israël.
Ja, want de gevaren die de eenheid van
Gods volk bedreigden waren er nog wel. Pas onder koning David zal Gods volk
werkelijk tot eenheid komen. Maar ook die eenheid zal weer opnieuw verbroken worden.
Onder Jerobeam zal Efraïm opnieuw een greep naar de macht doen. En tenslotte
zal dan het land ondergaan in de nacht van de Babylonische ballingschap.
Maar de grote Herder van de schapen zal
niet slapen. Hij gaf eertijds aan zijn volk het bergland van de Amalekieten ten
erfdeel, zodat de Rechter Abdon daar kon worden begraven. En tenslotte heeft
onze God in deze wereld een plaats bereid waar zijn Zoon begraven zou worden.
Maar Hij is opgestaan om op al de bergen en in alle dalen van deze wereld, ook
vandaag, zijn verstrooide schapen bijeen te brengen, opdat het worden zou één
kudde en één Herder.
AMEN