PREKEN OVER LUCAS
Serie
van vijf preken over het eerste optreden van onze Heer zoals beschreven door de
evangelist Lucas. Ze gaan over de volgende gedeelten uit Lucas:
|
|
1
De eerste van de vijf heeft als tekst Lucas 4:16-24. Voor
de orde van eredienst worden hier enkele suggesties vermeld. De psalmen en
gezangen zijn uit het Gereformeerd
Kerkboek.
SCHRIFTLEZING: Lucas 4:14-30
Aanvangslied: Psalm 95:1, 3
Na de Tien Woorden: Psalm 1:1, 2
Na Schriftlezing: Liedboek 2):2, 5, 6
Na de preek: Psalm 6:1, 2, 3
Slotzang: Liedboek 169:1, 2, 4, 5
Geliefde gemeente van onze Heer Jezus Christus,
In onze tekst wordt ons verteld hoe onze Heer Jezus
preekte in de synagoge van Nazareth. Maar wat horen we over wat daar in
Nazareth gebeurde? Toen na de preek sommigen tot Hem iets zeiden over hoe ze
het gevonden hadden was de reactie van onze Heer daarop wel heel onverwacht.
Immers, wat was zijn antwoord op hun opmerkingen? Het was dit, dat Hij zei: het
is toch maar echt waar dat geen enkele profeet welkom is in zijn vaderstad.
Ook zei Hij tot hen: jullie denken zeker dat ik een
dokter, een geneesheer ben die maar eerst zichzelf genezen moet. Jullie vinden
zeker dat ik jullie tekort heb gedaan door hier niet die wonderen te doen die
ik in andere plaatsen wel heb gedaan. En ik kan me indenken, gemeente, als de
vraag bij u zou opkomen: maar hoe kan dat nu? Is dit nu een manier van optreden
bij Zijn eerste voorgaan in Nazareth?
Stelt u voor dat hier bij u een predikant (van elders, of
misschien ook wel uw eigen dominee) , als u na de dienst hem zou vertellen hoe
u van de preek genoten hebt, daarop op een dergelijke manier zou reageren als
we in onze tekst lezen dat onze Heer Jezus dat in Nazareth heeft gedaan. Dat
kan toch niet; dat kun je toch niet maken!
Misschien hebt u wel eens bij u zelf gezegd bij het lezen
van deze geschiedenis: onze Heer zal natuurlijk wel zijn redenen er voor hebben
gehad om zo te reageren, maar snappen doe ik het niet. Want ga maar na, wat was
er nu eigenlijk verkeerd in wat de kerkmensen in Nazareth tot de Heer zeiden
naar aanleiding van zijn preek? Waren het dan soms geen woorden van genade die
Hij gesproken had, en was het niet iets om je over te verwonderen dat deze zoon
van de timmerman in Nazareth zo’n machtige preek gehouden had? Hoe moet je dat
nu verklaren?
Nu zijn er die dit zo uitleggen, dat Jezus op een of
andere manier gemerkt moet hebben, bijv. van de manier waarop ze Hem aankeken,
dat ze Hem alleen maar met mooie woorden aan het vleien waren, maar in hun hart
jaloers waren. Nu, inderdaad, dat komt óók wel voor, ook in onze tijd. En uit
door Joodse rabbi’s geschreven boeken weten we dat toentertijd “het type van
een populaire dominee niet zoveel anders was van dat in onze tijd”. Ik zal hier
enkele citaten uit die Rabbijnse boeken geven, dan hoort u het wel, waaraan de
ideale predikant moet voldoen.
“De predikant moet
een goed voorkomen hebben, een prettig uiterlijk, en een melodieuze stem; hij
moet vlot kunnen spreken, met woorden zoet als honing en net zo fijntjes als
gezeefd meel, met een rijkelijk versierde woordenkeus, hij moet goed op zijn
kennis kunnen vertrouwen, en voldoende zelfverzekerd zijn. En hij moet bovenal
alle uitersten vermijden, altijd bemiddelend optreden, en zeker niet te
persoonlijk worden. Neem Mozes; Mozes noemde Israël opstandig en koppig (en wat
was het resultaat?), hem werd niet toegestaan hen het land der belofte binnen
te leiden. Elia had hun verweten dat ze het verbond gebroken hadden, (en wat
was het gevolg?); direct daarna werd Elisa als zijn opvolger aangewezen. En
zelfs Jesaja, diens lippen werden met brandende kolen aangeraakt, omdat hij had
gezegd dat hij woonde temidden van een volk met
zondige lippen ... En tenslotte, wat een predikant ook verder is of doet, maar
hij moet in elk geval aantrekkelijk en boeiend zijn”.1)
Tot zover wat die Rabbi’s er van zeiden. En u ziet wel,
bij velen was het toen net als vandaag. Als de kerkdiensten niet boeiend genoeg
zijn, of niet zoals ze in onze opinie zouden moeten zijn, dan heb je mensen die
daarom liever naar een andere kerk gaan, of misschien wel thuis blijven; en dat
is zeker het geval als de dominee de euvele moed zou hebben om te persoonlijk
te worden door bepaalde zonden in de gemeente te noemen die nodig met het bloed
van Christus moeten worden afgewassen.
Maar laten we, dit gehoord hebbende, nu terugkeren naar
hoe het daar in Nazareth toeging. Het zou natuurlijk best gekund hebben dat in
de ogen van de kerkmensen in Nazareth Jezus aardig beantwoordde aan al die
vereisten, dat ze zijn preek inderdaad boeiend hadden gevonden, en dat dus de
veronderstelling dat ze onze Heer alleen maar aan het vleien waren juist is.
Alleen maar, de moeilijkheid bij deze uitleg is, dat uit
de reactie van de Heer nergens blijkt dat dit het geval was, dat Hij zo streng
tegen hen sprak omdat ze Hem gevleid zouden hebben. Integendeel, in antwoord op
hun opmerkingen zegt de Heer in vers 23, “Jullie zullen me ongetwijfeld dit
gezegde voorhouden: Geneesheer, genees uzelf! Doe alles waarvan wij gehoord
hebben dat het in Kafarnaüm gebeurd is, ook hier in
uw vaderstad”. M.a.w., ze hadden duidelijk laten blijken dat ze de prediking
van de Heer helemaal niet op prijs stelden, omdat die alleen maar uit woorden
bestond, en dan ook nog woorden die Hij beter op zichzelf moest toepassen in
plaats van op hen; ze hadden willen zien dat Hij inderdaad ook wonderen kon
doen, zoals ze gehoord hadden dat Hij die in Kafarnaüm
gedaan had.
Jezus ging bovendien nog verder met te zeggen, in vers
24, “Luister, Ik zeg jullie, dat geen enkele profeet welkom is in zijn
vaderstad”, en dan verwijst Hij naar voorbeelden uit de geschiedenis van
kerkmensen die de profeten verwierpen, en dat die profeten daarom naar anderen
toe gingen, naar heidenen in andere landen, en dat zij hún
ziekten genazen.
Het is toch eigenlijk wel heel duidelijk uit het antwoord
van de Heer op hun opmerkingen dat zij Zijn prediking helemaal niet wílden.
Laten we daarom nu onze aandacht eens richten op hoe hun
opmerkingen in onze tekst zijn weergegeven. Dan lezen we in de Nieuwe Bijbel
Vertaling van vers 22 eerst deze woorden: “allen betuigden hem hun bijval”. In
de Statenvertaling is dit meer letterlijk weergegeven als: ‘en zij gaven Hem
allen getuigenis’). Nu kan het woord betuigen of getuigenis op twee manieren
gebruikt worden: getuigen vóór iets of iemand, of er tegen getuigen. Het zou
dus zo kunnen worden opgevat dat ze vóór Hem getuigden, door Hem hun bijval te
betuigen. Zo heeft de nieuwe vertaling het dus weergegeven. Maar het kan ook
betekenen dat ze tégen Hem getuigden.2)
En, zoals het ook blijkt uit de parallelplaatsen in Matteüs en Marcus, dat is
inderdaad wat hier gebeurde. Ze hadden bezwaren tegen Jezus’ prediking.
En wat waren dan hun bezwaren? Dan moeten we verder lezen
wat er staat in vers 22, zij “verwonderden zich over de genaderijke woorden die
uit zijn mond vloeiden”. Of meer precies: woorden van genáde!
Dáár verwonderden ze zich over! Waarom zou Hij tot hén woorden van genade spreken? Zij waren toch zeker Joden
die de wet onderhielden? Dan hadden ze toch geen genadeprediking nodig, alsof
ze zondaars waren?
Kijk, gemeente, dat is waar het hier om gaat. Ze stootten
zich aan dit soort prediking, ze waren het er totaal niet mee eens, en zo
werden al bij het eerste begin van Jezus’ publieke optreden de beschuldigingen
geuit die tenslotte uitmondden in Zijn kruisiging op Golgotha.
En wat was nu preciés
de reden dat ze zich zo ergerden aan deze preek van onze Heer? Wat hád de Heer hun dan verkondigd? Daarvoor moeten we even
goed kijken naar de tekst waarover Jezus had gepreekt, uit Jesaja 61, zoals
daaruit geciteerd wordt in de verzen 18 en 19, “De Geest van de Heer rust op
Mij, want Hij heeft Mij gezalfd. Om aan armen het goede nieuws te brengen heeft
Hij Mij gezonden, om aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken en aan
blinden het herstel van hun zicht, om onderdrukten hun vrijheid te geven, om
een genadejaar van de Heer uit te roepen”.
We mogen aannemen dat het niet de Schriftlezing was, en
de tekstkeus, waaraan ze zich gestoten hadden. Waarschijnlijk was deze tekst
zelfs aan de beurt op die bewuste sabbatdag. Nee, ze waren boos vanwege de maniér waarop Jezus daarover had gepréékt.
Want wat was het thema van zijn preek, waar kwam de boodschap er van op neer?
Hierop, dat Hij gezegd had, “Vandaag hebben jullie deze Schrifttekst in
vervulling horen gaan”. Dat was de korte samenvatting van de inhoud van Jezus’
preek, en daar vielen de Joden in Nazareth over.
Weet u waarom? In de eerste plaats omdat onze Heer door
dit te zeggen uitsprak dat Hij zelf met de Heilige Geest gezalfd was, dat dus
vandaag in Hem de belofte van de komende Messias tot vervulling was gekomen.
Nu kan de vraag opkomen, maar was dat dan niet geweldig?
Immers, verwachtten de Joden niet dat de dag zou komen waarop deze profetie van
Jesaja vervuld zou worden, en keken ze niet uit naar de komende Messias?
Natuurlijk: nou en of! En ik ben er zeker van dat ze Jezus met vreugde als hun
Messias aanvaard zouden hebben, ondanks het feit dat hij maar een eenvoudige
timmerman was, als Hij zich maar op een andere manier als de Messias had
voorgesteld.
Maar wat had Jezus gedaan? Hij durfde hun, zijn
plaatsgenoten en medekerkleden, te vertellen dat vandaag de belofte van Jesaja
voor de armen in hun oren is vervuld. M.a.w., Hij sprak hen aan
alsof zij die armen zouden zijn over wie Jesaja het had. Maar dát nemen ze niet. Die armen, dat zijn zij niet. Nee, dat
waren de mensen in Jesaja’s tijd die vanwege hun
zonden van afgoderij en moord en echtbreuk al hun bezittingen zouden verliezen
en in ballingschap naar Babel werden geleid. Maar zij waren toch zeker geen
zondaars zoals die lui.
Ook verkondigde deze Jezus hun dat de gevangenen zouden
worden bevrijd; maar zij waren toch zeker geen gevangenen; zij stamden af van dié Joden die uit de ballingschap waren teruggekeerd en
sindsdien nauwgezet de wet hadden onderhouden. Zij zijn toch zeker vrije Joden.
En ook zijn ze niet blind, zodat ze herstel van hun gezichtsvermogen nodig
zouden hebben. Zij hoefden niet van blindheid genezen te worden. Geneesheer,
genees u zelf!
Ja, die timmerman maakte het zelfs nog veel erger. Hij
durfde hun nota bene aan te zeggen dat vandaag in hun oren het genadejaar van
de Heer werd verkondigd. Maar dat hebben zij toch niet nodig! Ze zijn toch geen
slaven die wachten op het Jubeljaar, het 50e jaar waarin volgens de wet van
Mozes aan de slaven genade moet worden bewezen door hen vrij te laten.
Kortom, zij stootten zich aan Jezus’ woorden, juist omdat
het woorden van genade waren, van Gods genade voor zondaren. Maar dat gold hun
helemaal niet; zij waren toch zeker Gods eigen trouwe kinderen, zijn ware kerk?
Ziet u dat? Zó werd de eerste prediking van onze Heer over Gods genade voor
zondaars door hen verworpen.
En zo is het blijven gaan. Dit is inderdaad het thema
van het hele boek van Lucas, de prediking van Gods schuldvergevende genade
zoals die bekend is gemaakt in Jezus Christus, door Zijn Geest en bloed; en de
verwerping van die evangelieboodschap door mensen die o zo godsdienstig zijn,
maar die het niet kunnen uitstaan wanneer de prediking te persoonlijk wordt,
doordat de predikant het aandurft om hun te zeggen dat ze zondaars zijn die
alleen maar van genade kunnen leven, en dus juist genade hard nodig hebben.
Wat denkt u, gemeente? Zou het in onze tijd heel anders
zijn? Zou het niet goed zijn als ook wij vandaag ons afvragen hoe het met ons
zondebesef gesteld is?
Vanaf die dag in Nazareth tot aan de veroordeling van
Jezus door de hogepriester Kajaphas is het alleen
maar erger geworden. En weer vraag ik u daarom: zou het er vandaag de dag beter
voor staan? Hoe luisteren wij naar de prediking, en hoe praten wij er over, en
trekken wij het ons werkelijk aan als ons wordt voorgehouden in de weg van
zelfbeproeving na te gaan hoe het met ons staat?
Als we bijv. graag zouden horen in de preken dat het wel
aardig goed met ons is gesteld omdat we immers tot een trouwe Gereformeerde
kerk behoren en goede kerkleden zijn, dan mogen we wel oppassen dat wij ons
niet stoten aan de boodschap van het bloed van Christus, waarmee onze zonden
elke dag opnieuw weggewassen moeten worden, omdat we zo lang als we leven hier
op aarde zondaars zijn en blijven.
En als er hier zouden zijn die denken dat het niet zo
nodig is om altijd maar weer als er de gelegenheid voor is naar de kerk te
gaan, die mag zich wel realiseren dat ook in elke Bijbelse prediking in de kerk
vandaag dat Schriftwoord wordt vervuld dat zegt, dat het genadejaar van de Heer
is aangebroken.
Nog steeds is het het jaar van
de vrijlating van slaven; en allen die makkelijk de kerkdiensten verzuimen, of
die wel komen maar niet echt geloven wanneer deze boodschap hun verkondigd
wordt, die zijn nog steeds slaven en gevangenen en blinden, al hebben ze het
zelf helemaal niet in de gaten. Het waren dan ook zulke slaven en gevangenen en
blinden die, doordat ze geen acht sloegen op de genade van God in Jezus
Christus, tenslotte zover kwamen dat ze probeerden om Jezus te doden.
O ja, het is echt waar wat onze Heer Jezus zegt in vers
24, dat geen enkele profeet welkom is in zijn vaderstad. Geen profeet! O
ja, helden en wonderdoeners en gebedsgenezers worden door hun medeburgers wel
geaccepteerd. Natuurlijk, als Jezus maar wonderen had gedaan voor hen, zoals
men zei dat Hij dat in Kafarnaüm gedaan had, dat was
heel wat anders geweest. Wij vereren helden, kampioenschaatsers, en
-voetballers, en geweldige musici en geleerde wetenschappers, en ja, ook in de
kerk komt dat vaak voor dat bepaalde zgn. kerkleiders uit eigen kring door ons
hoog worden vereerd. Tenslotte is het zo dat dan ook iets van hún eer en glorie afstraalt op óns,
hun medeburgers, of medekerkleden.
Zo zal niemand zich toch schamen voor zijn of haar
dominee als die een aantrekkelijke spreker is en ook verder bijzondere dingen presteert?
Integendeel, de leden van de gemeente delen dan in diens glorie en voelen er
zich door gevleid. Ja toch?
Maar dat een profeet door zijn eigen mensen wordt
aanvaard, dat is onmogelijk. Weet u waarom? Omdat een profeet alleen maar Gods
Woord spreekt. Een profeet toont in zijn woorden en daden dat hij deelt in de
zalving van Christus met de Heilige Geest. Zijn wij zelf zulke profeten,
christenen die delen in de zalving van Christus met de Geest? Of geldt ook van
ons als mensen van de kerk dat profeten aanvaarden voor ons onmogelijk is? Ja,
het is onmogelijk, behalve door diezelfde genade van God die wie profeteert
verkondigt.
Broeders en zusters, als wij tevreden zouden zijn met een
prediking die het feit dat we zondaars zijn verdoezelt; als we tevreden zijn
met een prediking die er genoegen mee neemt wanneer we ons uiterlijk Christenen
tonen, maar zonder dat de echte vruchten van het geloof onze manier van leven
kenmerken; dan wordt door ons profetie niet aanvaard, dan zijn we ook zelf geen
profeten, en dan zouden we zodoende Jezus Christus zelf verwerpen.
Maar als we blij zijn met een prediking waarin Gods
genade voor zondaars ons verkondigd wordt, preken die ons in het hart raken en
daarom ons zo nodig ook pijn doen doordat ze ons onze zonden en onze zondigheid
laten zien, zodat we niets anders kunnen doen dan de toevlucht nemen tot het
kruis van onze Heiland; dan geldt ook ons: Gelukkig bent u, armen; want voor u
is het Koninkrijk van de hemel.
AMEN
NOTEN
1) Edersheim,
The Life and Time of Jesus the Messiah,
Vol. I, p. 447-448
2) Martureoo met dativus
incommodi (zo ook in Matth. 23:31). Zie Fr. Blass, Grammatik
des neutestamentlichen Griechisch
Göttingen 1896, en J. M. S. Baljon, Grieksch Theologisch Woordenboek, Utrecht 1908. Zie ook de parallelplaatsen in Matteüs 13:53-58 en Marcus
6:1-6.
2
De tweede preek in deze serie heeft als tekst Lucas
5:1-11, en als Schriftlezing Lucas 4:31-5:11. Suggesties voor de orde van
eredienst (psalmen en gezangen uit Gereformeerd
Kerkboek):
Aanvangslied: Liedboek 460:1, 3, 5
Na de Tien Woorden: Psalm 19:1, 3
Na Schriftlezing: Psalm 8:3-6
Na de preek: Gezang 107:1-4
Slotzang: Psalm 32:1, 3
Geliefde
gemeente van onze Heer Jezus Christus,
Het
was vol mensen op de strandweg naar het meer bij Kafarnaüm.
Ze kwamen niet alleen uit Kafarnaüm zelf, maar ze
waren ook op komen dagen uit de andere steden en dorpen van die streek; en dat
niet om vakantie te vieren in de zonneschijn. Ze waren allemaal gekomen om een
heel bijzondere predikant te zien en te horen, één die al geruime tijd op iedere
Sabbatdag was voorgegaan in hun synagogen. Overal deed het verhaal de ronde
over zieken die door hem genezen waren, en dat zelfs van de duivel bezeten
mensen door hem van die demonen bevrijd waren. Het was vooral in Kafarnaüm dat zulke wonderen gebeurd waren; vandaar dat al
die mensen daarheen gingen om die man te zien en zijn prediking van Gods Woord
te horen. Het was echt niet zo vreemd dat de mensen daar op af kwamen. Dat
gebeurt ook in onze tijd wel. Grote hallen of zelfs stadions stromen soms vol
met van heinde en verre gekomen mensen, als een beroemde evangelist een stad
bezoekt, of een gebedsgenezer ergens optreedt.
Ook
toen waren er heel veel religieuze mensen die in hun eigen predikanten
teleurgesteld waren omdat die niet het Woord van God brachten. In plaats
daarvan verveelden zij de mensen maar met hun menselijke theorieën en
machteloze woorden, zonder met een oplossing te komen voor hun problemen, en
zonder hen te troosten in hun verdriet en de moeiten in hun dagelijks leven.
Geen
wonder dus dat de mensen daar in Kafarnaüm zich
verdrongen om Jezus te zien, en Hem het Woord van God te horen verkondigen.
Ik
denk niet dat er toen veel mensen waren die aandacht hadden voor het prachtige
uitzicht, het lieflijke landschap rondom het meer, en het schilderachtige
tafereeltje van vissersboten die op het strand stonden, de zon schijnend op het
water, schitterend in de golfjes beneden de helderblauwe lucht. Een schilderij
van van Gogh, zo zouden we vandaag zeggen.
Ook
denk ik niet dat er op dat moment veel waren die dachten aan de verheerlijking
van de Schepper van deze prachtige wereld, zoals wij daarvan gezongen hebben
met Psalm 8, “Yahweh, onze Heer, hoe heerlijk is uw
naam op heel de aarde”.
Misschien
waren er zelfs mensen die er zich aan ergerden dat bij deze belangrijke
gebeurtenis, de aanwezigheid van deze geweldige prediker, sommige vissers
gewoon doorgingen met hun dagelijks werk, het spoelen van hun netten na hun
terugkeer van het vissen in de afgelopen nacht.
Maar
goed, laten wij dan nu eens extra aandacht geven aan wat er op die dag plaats
vond bij dat meer. Ik verkondig u ONZE HEER JEZUS CHRISTUS, DIE GOD EN ZIJN
SCHEPPINGSWERK VERHEERLIJKT,
door
1.
EEN VISSERSBOOT TOT ZIJN PREEKSTOEL,
2.
HET VISSEN TOT ZIJN PREDIKING, en
3.
VISSERS TOT ZIJN MEDEWERKERS te maken.
1.
In het vorige hoofdstuk is ons verteld hoe onze Heer zijn optreden begonnen is
met preken in de synagogen. De eerste keer dat dit wordt vermeld is in
hfst.4:15 waar staat: Hij gaf onderricht in hun synagogen. De tweede keer is
wanneer ons wordt verteld dat de HEER preekte in de synagoge te Nazareth.
Daar
toonde Hij zich in zijn profetisch ambt, en daar bleek toen hoe waar het
spreekwoord is dat geen profeet aangenaam is in zijn vaderstad. In het gedeelte
dat we gelezen hebben, de verzen 31vv, wordt ons verteld dat Jezus preekte in
de synagoge te Kafarnaüm. De mensen stonden versteld
over zijn leer, omdat Hij sprak met gezag. De mensen voelden het aan dat Hij
maar niet een welbespraakte en prettige spreker was, maar dat Hij een echte
boodschap had, een boodschap die op hen af kwam met de kracht van het Woord van
God zelf.
Toen
echter duivels die uitgeworpen werden aan de mensen wilden vertellen dat Jezus
de Zoon van God was bestrafte Hij hen en beval Hij hun zich stil te houden (zie
verzen 35 en 41). Immers, het was nog maar net het begin van Jezus’ optreden,
en de mensen zouden het nog niet kunnen bevatten dat Hij de Zoon van God was,
en dus zelf ook God. Dat was toen voor de Joden net zo moeilijk aan te nemen
als het vandaag voor onze moslimmedeburgers is om te geloven dat Jezus Gods
Zoon is, en dus zelf ook God.
Maar
ze verwierpen Jezus en zijn prediking dus nog niet, zoals wel in Nazareth
gebeurd was. Vandaar dat onze Heer er hier mee door ging zijn prediking te
bevestigen met tekens en wonderen; Hij genas zieken en van demonen bezetenen;
daarin toonde onze Heer zijn priesterlijke ontferming.
Het
is dan ook heel goed te begrijpen dat de mensen in Kafarnaüm
het niet leuk vonden toen Hij hun stadje verlaten ging. De Heer zei echter tot
hen dat Hij niet bij hen blijven kon, omdat Hij de blijde boodschap van het
Koninkrijk van God ook verkondigen moest in andere plaatsen; daartoe ben ik
uitgezonden, zei Hij.
En
dan vermeldt Lucas weer, in vers 44, dat Jezus preekte in de synagogen.
Lucas
legt daar dus telkens weer de nadruk op dat Jezus in de synagogen preekte, en
dat geeft aanleiding voor de vraag: heeft dat soms een bijzondere betekenis?
Maakt het verschil dat de Heer preekte in de synagogen, vergeleken met zijn
preken op andere plaatsen zoals we daar later van horen? En ja, inderdaad, daar
is verschil tussen.
In
de synagogen was het de gewoonte dat iemand, een bezoekende rabbi bijv., die
geacht werd in staat te zijn om de Schriften uit te leggen, uitgenodigd werd om
te spreken in de officiële erediensten onder de verantwoordelijkheid van de
oudsten of ouderlingen. Het was eigenlijk net eender als bij ons wanneer een
gastpredikant voorgaat in de eredienst, waarvoor in onze Kerkorde geregeld is
dat dit alleen kan met toestemming van de kerkeraad.
En
dus betekende Jezus’ prediking in de synagogen onder verantwoordelijkheid van
de ouderlingen, dat de Heer niet minachtend neerkeek op de regels en de
organisatie van de kerk, maar zich daar aan hield, ondanks de Farizeďstische toepassing die soms zelfs belangrijker werd
geacht dan Gods eigen Woord van genade. Zelfs na zijn verwerping door de
ouderlingen en de gemeente in Nazareth ging de Heer zich niet gelijk maar
onttrekken en afscheiden, maar ging Hij door met het preken in de synagogen in
die streek. In die andere plaatsen werd Hij kennelijk nog steeds uitgenodigd en
bleven de mensen nog steeds naar Hem luisteren.
Maar
nu, in ons tekstgedeelte, vertelt Lucas ons dat Jezus de mensen is gaan
onderrichten in een open-lucht-samenkomst, niet in
een officiële eredienst, en niet onder de verantwoordelijkheid van de
ouderlingen.
Er
lag een simpele aanleiding daarvoor in het feit dat een hele menigte van mensen
op het strand of op de weg naar het strand om Jezus samendromde. En onze Heer
greep die gelegenheid aan. Daar ziet de Heer dan twee scheepjes die op het
strand getrokken zijn. Hij begeeft zich in één van die boten, het was die van
Simon, en Hij vraagt hem een klein eindje de zee in te gaan.
Dan
gaat Jezus zitten, en vanaf die boot gaat Hij dan de mensen toespreken en
onderrichten. Nu, je had hier een heel goede gelegenheid voor een
openluchtsamenkomst. U weet dat wel, als je in de vakantie aan het strand van
een meertje bent, waar kinderen in het water aan het spelen zijn, dan kun je
alles horen en verstaan wat ze schreeuwen. De oppervlakte van het water zorgt
voor een goede akoestiek, en dus kon de hele menigte Zijn stem heel goed horen
en verstaan.
Toch
is dit op zich zelf nog niet een voldoende verklaring voor het feit dat de Heer
deze openluchtsamenkomst hield. De werkelijke reden moet toch wel geweest zijn
wat we ook lezen in vers 1, namelijk dat ze om de Heer samendromden om Hem het
Woord van God te horen verkondigen. Ze verlangden er naar de boodschap van het
Evangelie te horen, niet alleen in een officiële kerkdienst in de synagoge,
maar ook bij andere doordeweekse gelegenheden, ook naast de officiële
samenkomsten.
Nu,
dit gezien hebbende kunnen we dit gedeelte van de boodschap van onze tekst al
beter begrijpen. Deze samenkomst op een doordeweekse dag is het resultaat, is
de vrucht van de prediking van Gods Woord door onze Heer in de officiële
kerkdiensten in de synagoge.
Kijk,
als in de gewone kerkdiensten het Woord van God met gezag wordt verkondigd, als
daarin het Evangelie van behoud door genade alleen goed doorkomt, en als zulke
evangeliebediening niet in ongeloof verworpen wordt zoals dat in Nazareth was
gebeurd (zie hoofdstuk 4), dan gaan de mensen meer en meer verstaan dat het
Woord van God maar niet alleen iets is voor de sabbatdag, of voor de zondag.
Dan gaan ze inzien dat het ook van belang is voor het leven van alledag. Dan ga
je zien dat preken en het luisteren naar Gods Woord niet beperkt moet blijven
tot de preekstoel en de banken of stoelen in een kerkgebouw, maar dat het ook
informeel kan en onofficiëel kan plaats vinden, bijv.
vanaf een vissersboot waarop de bemanning bezig was de netten te spoelen.
Als
wij, mensen van de kerk, als resultaat van de prediking op de zondag, er naar
verlangen om meer over Gods genade voor ons zondaren te horen, dan mogen we -
en dan toont God zelf wel de gelegenheden daarvoor - ook een vissersboot of een
huiskamer, een werkplaats of een schuur, of een zaaltje bij de kerk, ook op een
doordeweekse dag, maken tot een plaats waar Zijn Woord besproken en toegepast
kan worden.
Dit
is wat als eerste vanuit onze tekst afkomt op ons die elke zondag de
verkondiging van Gods genade in Jezus Christus mogen horen: dat het ons begerig
moet maken naar meer, ook in de volgende dagen van de week. We moeten de
gelegenheden aangrijpen, persoonlijk en in onze gezinnen allereerst, maar ook
in andere verbanden, om met de Bijbel bezig te zijn en de boodschap ervan te
verstaan en toe te passen. Dat geldt dus ook als we aan het vissen zijn, of met
vakantie op het strand, op kantoor of op school of in de bouwerij.
Het
feit zelf dat onze Heer Jezus deze vissersboot tot Zijn preekstoel maakt leert
ons wat we gezongen hebben met Psalm 8: “O Yahweh,
onze Heer, hoe heerlijk is Uw Naam”, niet alleen op zondag in de kerk, maar ook
op de andere dagen van de week.
2.
Maar onze Heer Jezus verheerlijkt God en Zijn scheppingswerken ook door het
vissen tot prediking te maken. Dat is het tweede wat we zien in onze tekst.
Toen
de Heer ophield met de menigte toe te spreken zei Hij tot Simon: Vaar naar diep
water en gooi jullie netten uit om vis te vangen. Simon was een ervaren visser
die wist dat het onzin was om dat te doen. In het meer van Gennesareth
viste je alleen maar ’s nachts. Ook vandaag is het nog zo dat vissers daar de
spot drijven met de gedachte om bij daglicht te gaan vissen. En dus doe je dat
zeker niet in het begin van de middag, op het heetst van de dag. Geen wonder
dus dat zijn eerste reactie was: Meester, de hele nacht door hebben we hard
gewerkt en toch niets gevangen. Maar Petrus durft niet te weigeren. De Heer had
immers zijn schoonmoeder beter gemaakt toen ze ziek was, en hij had ook andere
zieken genezen, en zelfs had hij demonen uitgeworpen. Daarmee had de Heer laten
zien dat hij zelfs gezag uitoefende over gevallen engelen. Ook was zijn
prediking altijd met gezag. Daarom noemde Petrus hem dan ook ‘Meester’. Dat was
geen gebruikelijke titel, maar alleen gegeven aan iemand met buitengewoon
gezag, bijv. iemand die God zelf vertegenwoordigde. Het is dan ook alleen om
die redenen dat Simon er aan toevoegde: Maar als u het zegt zal ik de netten
uitzetten.
Simon
gehoorzaamt dus ondanks het feit dat hij niet gelooft dat er iets van terecht
zal komen. De Heer heeft dan wel godsdienstig gezag, en zelfs de macht om
zieken te genezen en demonen uit te werpen, maar vissen, dat is toch zeker weer
iets anders. Vissen is een vak, een kunst die je alleen door ervaring kunt
leren; vissen heeft toch zeker niets te maken met religieus gezag.
O
ja, Simon heeft intussen wel geleerd dat in een bijzonder geval een vissersboot
gebruikt kan worden als een preekstoel, maar vissen is vissen, een speciaal vak
dat je vanjongsafaan geleerd moet hebben.
Niettemin,
ze deden dus wat de Heer gevraagd had, ze, dat zijn Simon en zijn metgezellen
Jacobus en Johannes; en daar vingen ze me toch een hoop vissen, zo veel dat hun
netten begonnen te scheuren. Met behulp van de lui in de andere boot vulden ze
toen allebei de scheepjes tot zinkens toe.
U
kunt begrijpen hoe verbaasd ze waren!Toen Simon Petrus zich realiseerde wat er
gebeurd was viel hij op zijn knieën neer voor Jezus en riep: Ga weg van mij,
Heer, want ik ben een zondig mens!
We
kunnen hun verbazing natuurlijk best begrijpen. ‘t Was me ook nogal wat! Maar
waarom noemt Simon Petrus zich in dit verband een zondig mens, en waarom is hij
ineens zo bang in de tegenwoordigheid van de Heer? Was het soms zo dat hij
plotseling geloofde dat hij voor God zelf stond? Zou dat de reden zijn dat hij
zichzelf een zondig mens noemde die als zodanig niet bestaan kan voor Gods heiligheid
en majesteit? Op dezelfde manier dus als dit geldt voor ieder mens dat we als
zondaars niet voor Gods aangezicht kunnen bestaan?
Als
dit het geval zou zijn, dan gold dit natuurlijk ook voor Jacobus en Johannes.
Maar die reageerden zo niet! Daar komt bij, dat het dan al bij deze gelegenheid
zou zijn geweest dat Simon Petrus Jezus zou hebben beleden als de Zoon van de
levende God. Maar we weten dat het pas na enige jaren van met de Heer
rondtrekken was dat hij werkelijk en ten volle tot die belijdenis kwam. En
daarom is het dus niet zo dat Simon Petrus dit zei omdat hij besefte dat hij nu
eenmaal niet zich kon bevinden in de onmiddellijke tegenwoordigheid van God.
Nee,
hij noemt zich hier niet een zondaar in het algemeen, zoals alle mensen
zondaars zijn voor God, maar hij belijdt hier dat hij daadwerkelijk een grote
zonde begaan heeft; zojuist, een paar minuten geleden nog maar. Petrus schaamt
zich geweldig, omdat hij met zijn ongeloofswoorden
van een paar minuten eerder duidelijk heeft laten zien dat hij nog altijd de
prediking van de Heer niet had begrepen. Hij moet zich wel schamen dat hij,
ondanks het feit dat de Heer zelfs Petrus’ eigen boot tot een preekstoel
gemaakt had, toch nog steeds de dienst van God en het dagelijkse leven van
elkaar bleef losmaken. Want dat deed hij door de prediking van het Evangelie
door de Heer gescheiden te houden van zijn eigen vak van vissen vangen.
Maar
nu gaat Petrus het verstaan dat zelfs het vissersvak een prediking van Gods
Woord kan inhouden, als dat vak maar beoefend wordt door een mens die niet door
de zonde beheerst wordt. Petrus schaamt zich om zich in Jezus’ tegenwoordigheid
te bevinden, maar dus niet omdat hij plotseling tot het inzicht zou zijn
gekomen dat Jezus God is, maar omdat hij Jezus herkende als de mens van wie we
zingen in Psalm 8, de mens zoals hij in het Paradijs door God geschapen werd,
gemaakt naar Gods beeld, met het gezag, de bevoegdheid, om heerschappij te
hebben over de werken van Gods hand. De mens in zijn koninklijke ambt.
Petrus
had gedaan wat sinds de zondeval telkens weer door de mensen als zonde bedreven
is: hij maakte een scheiding tussen z’n vak en z’n godsdienst, tussen ons
dagelijks werk, en de sabbat van God. Maar nu heeft hij in Jezus de mens van
Psalm 8 herkend, van wie daar wordt gezegd dat God hem heerschappij gegeven
heeft over zijn scheppingswerken, zelfs over de vissen in de zee en alles wat
trekt over de wegen van de zeeën. Nu heeft Petrus de mens gezien zoals hij in
het Paradijs geschapen was; hij heeft de Heer Jezus herkend als de tweede Adam.
Nee,
nogmaals, Petrus heeft toen de Heer Jezus nog niet herkend als de Zoon van God
en als zelf ook God; maar hij heeft Hem herkend als de Zoon des Mensen, de
oorspronkelijke mens, voor wie alle dingen in het leven één zijn: een dienen
van God, overeenkomstig Gods bevel in het begin.
In
de woorden en daden van Jezus ziet Petrus nu dat Gods schepping hernieuwd gaat
worden zoals het in het begin was bedoeld: O Yahweh,
onze Heer, hoe heerlijk is uw naam over heel de aarde, ook in het
vissersbedrijf, in het heerschappij hebben over de vissen in de zee door mensen
die geschapen zijn naar het beeld van hun Schepper.
Kijk
gemeente, daarom moet dit meer en meer de vrucht, het resultaat zijn van de
prediking van het Evangelie in onze zondagse kerkdiensten, dat we ook in ons
dagelijks leven in de maatschappij de naam van onze Verbondsgod en Heer
verheerlijken, overal, niets in het leven daarvan uitgezonderd.
3.
Maar dat moeten we wel leren, en daarom moet het ons ook geleerd worden. Daarom
zijn er ook verkondigers van deze boodschap nodig. Het is dan ook om die reden
dat onze Heer, nadat Hij deze vissers dit alles geleerd had, hen tot zijn
medewerkers ging maken. En zo mag ik u dan ook in de derde plaats verkondigen,
hoe onze Heer vissers maakt tot zijn medewerkers in de proclamatie van zijn
koningschap.
We
lezen in vers 10 dat de Heer tot Simon zei: Wees niet bang, voortaan zul je
mensen vangen. Nu heeft het woord dat hier voor vangen gebruikt is niets te
maken met het vangen van vissen, maar betekent het letterlijk: mensen levend
vangen, hen krijgsgevangen maken. Je kunt het ook zo opvatten dat zij die eerst
in de macht van de vijand waren en voor hem streden, nu van hem weggenomen
worden om aan onze kant mee te strijden.
Van
nu af aan zal dit dus hun werk worden, dat ze velen van hen die in de macht van
de dood en van de duivel zijn brengen tot een leven in de dienst van God, door
hun leven te herstellen zoals God het tot Zijn eeuwige verheerlijking geschapen
heeft. Zo komen ze pas echt weer tot leven!
Medewerkers
worden van de Heer Jezus betekent maar niet dat je probeert zo veel mogelijk
zielen te redden opdat ze eens naar de hemel kunnen gaan. En ook het feit dat
ze om de Heer Jezus te volgen alles achterlieten, hun boten en hun bedrijf en
hun gezinnen, het betekent niet dat de dingen die bij het leven hier op aarde
horen onbelangrijk zijn vergeleken met het redden van zielen.
Integendeel.
Om te beginnen laten ze hun gezinnen niet achter zonder middelen van bestaan.
De Heer heeft er zelf voor gezorgd, door ze zo veel vis te laten vangen dat
twee boten er mee gevuld konden worden, dat hun gezinnen zonder zorg van het
Evangelie kunnen leven. Het is hun duidelijk getoond dat Christus daarvoor
zorgen kan, en dat Hij het ook doet.
Maar
ook moeten we er op letten dat de Heer hen medewerkers maakt in hetzelfde
evangelie dat Hijzelf verkondigde. Door middel van hun prediking moeten ze
alles wat losgemaakt is van het dienen van God wegrukken uit de macht van de
dood en van satan. Het hele leven moet weer veranderd worden tot hoe het was
toen het door God geschapen werd.
Ja
gemeente, vooral met het oog daarop hebben we onze kerkdiensten, en onderhouden
we een Theologische Universiteit voor de Opleiding tot de Dienst des Woords, en zijn we bezig met zending en evangelisatie. Dat
alles is er niet alleen maar, of in de eerste plaats, opdat we eens naar de
hemel kunnen gaan en er zoveel mogelijk zielen voor de hemel behouden worden.
Natuurlijk,
ook dat! Maar het doel van de prediking is dit, dat de aarde weer vol wordt
van de verheerlijking van onze God. Dat geldt dus ook in de bouwerij en in het
zaken doen, in de beoefening van de wetenschap en in de politiek, in onze
huizen en op vissersboten, in fabrieken, voor de radio en op TV. en op het
‘internet’, in studieverenigingen en op kantoren. Ook daar kan en mag de Naam
van onze Heer en Verbondsgod geëerd worden, dank zij het verlossend bloed van
Jezus, dat Hij vergoten heeft om ons te reinigen van onze zonden en ons met God
te verzoenen..
Daar
kunnen en mogen we AMEN op zeggen. Want ja, dat is tot leven komen!
Dat
is pas echt: léven!!
AMEN
3
De derde preek in deze serie heeft als tekst LUCAS 5 :
17-26, en als Schriftlezing Lucas 5:12-26. Suggesties voor de orde van
eredienst (psalmen en gezangen uit Gereformeerd Kerkboek):
Aanvangslied: Psalm 103: 1
Na de Tien Woorden: Psalm 103:3
Na Schriftlezing: Gezang 141:1,2
Na de preek: Liedboek 20:1,4,6,7
Slotzang: Psalm 5:9,10
Geliefde gemeente van onze Heer Jezus
Christus,
In het Evangelie naar Lucas wordt ons
een portret van Jezus gegeven. In onze tekst wil Lucas ons laten zien dat Jezus
als de Mensenzoon tegelijk ook de Zoon van God en zelf God is. In hoofdstuk 1,
bij de aankondiging van Jezus' geboorte, is al gezegd dat Hij Gods Zoon genoemd
zal worden. In hoofdstuk 2 lezen we van zijn geboorte en zijn kinderjaren. Dan,
in hoofdstuk 3, heeft Lucas ons verteld hoe onze Heer voor het begin van zijn
optreden door zijn Vader werd aangesproken als Zijn geliefde Zoon. Dit gebeurde
bij gelegenheid van zijn doop door Johannes de Doper. Toen werd Hij ook gezalfd
met de Heilige Geest als de beloofde Messias, de Christus.
Direct daarna, we lezen dat in
hoofdstuk 4, maakte Jezus zichzelf in zijn preek in de synagoge te Nazareth
bekend als de beloofde profeet op wie de Geest van God is neergedaald (4:18).
In het verdere gedeelte van hoofdstuk
4 en het begin van hoofdstuk 5 heeft onze Heer zich bekend gemaakt in zijn
koninklijk ambt door het uitwerpen van duivels, gevallen engelen dus, en door
een grote en totaal onverwachte visvangst in het meer van Gennesareth.
Daar toonde Hij zichzelf als de Mensenzoon uit Psalm 8, de tweede Adam die
zelfs boven de engelen verheven is, en ook heerschappij voert over de vissen
van de zee. En daarna volgde de genezing van een melaatse, waarin onze Heer
zijn priesterlijke barmhartigheid toonde.
Maar tot op dat moment wilde Jezus
niet dat bekend werd gemaakt dat Hij ook de Zoon van God is (zie 4:35,41).
Echter, nu mag ik u, ook tegenover
allerlei hedendaagse loochening van het feit dat Jezus ook God is, vanuit onze
tekst verkondigen hoe DE MENSENZOON TOONT ZIJN GODDELIJKE KRACHT EN
BEVOEGDHEID.
We letten op
1. Zijn goddelijke bevoegdheid om
zonden te vergeven
2. Zijn goddelijke kracht om ziekte te
genezen
3. Zijn door de mensen verheerlijkte
goddelijke majesteit.
1. Op een zekere dag was Jezus weer een
menigte mensen aan het onderwijzen, niet in de synagoge op een sabbatdag, maar
in iemands huis. Volgens Markus die ook deze geschiedenis vertelt gebeurde dit
in Kafarnaüm. Intussen hadden de Farizeeën en
wetgeleerden gehoord dat Jezus rondging om de mensen onderricht te geven, en
dat Hij ook allerlei tekenen en wonderen deed.
Een aantal van hen was er op uit
gegaan, niet alleen vanuit Galilea maar zelfs uit Judea en Jeruzalem, om te
controleren wat de Heer aan het leren en aan het doen was. Misschien waren ze
wel gewaarschuwd door de ouderlingen in Nazareth, en in elk geval waren ze
kennelijk niet met goede en vriendschappelijke bedoelingen daar ook aanwezig in
dat huis.
Het is duidelijk dat er iets staat te
gebeuren, want Lucas vertelt ons dat "er was kracht van de Heer",
waarmee uiteraard de kracht van God bedoeld wordt, "zodat Hij kon
genezen". Het was natuurlijk niet toevallig dat de kracht van God om te
genezen bij Jezus was, juist nu die Farizeeën en wetgeleerden daar waren om Hem
in de gaten te houden, en dat daar een verlamde bij Hem werd gebracht die
inderdaad genezen werd.
En ook volgt uit het feit dat er staat
dat de kracht van God bij Hem aanwezig was om te genezen, dat het niet altijd
vanzelfsprekend is dat zieken die in de Heer Jezus geloven onmiddellijk van hun
ziekten genezen worden. O nee, God moet niets hebben van zogenaamde
gebedsgenezers die beweren dat als je maar gelooft dan kun je beter worden, en
de Heer Jezus was dan ook zeker niet zo'n gebedsgenezer.
Maar laten we dan nu eens letten op
wat er gebeurde.
Terwijl Jezus de mensen aan het
onderrichten is en ze allemaal naar Hem luisteren, daar is boven op het dak
iets aan de gang, juist boven het hoofd van de Heer. En zomaar ineens
verschijnt er een gat in het dak, en door die opening laten een paar mannen
iemand die op een bed ligt naar beneden zakken, vlak voor Jezus. Die man was
verlamd, en wel zo erg dat de enige manier om hem bij de Heer te krijgen was
hem op zijn bed erheen te dragen. Het gerucht was kennelijk rondgegaan dat
Jezus in dat huis was. Toen ze dan ook bij de deur van dat huis aankwamen bleek
het onmogelijk te zijn, vanwege de menigte mensen daar, om hem naar binnen te
dragen.
Het huis (zo blijkt uit opgravingen
van huizen uit die tijd, zie BAR Nov/Dec'82) was een
vierkant gebouw zonder vensters aan de buitenkant, en met slechts één deur, die
via een gangetje toegang gaf tot een binnenplaats die omringd werd door één
grote en een aantal kleinere kamers. Zowel die binnenplaats als ook die kamers
moeten wel vol geweest zijn met mensen, want volgens de beschrijving van Markus
was er zelfs bij de deur geen ruimte meer. Ook het gangetje naar de
binnenplaats was dus vol. Kennelijk was ook niemand bereid ruimte te maken om
een zieke te laten passeren, wat misschien wel wat zegt over de kwaliteit van
hun 'heilsbegeerte', hun verlangen naar geestelijke groei.
Die mannen waren echter vast besloten
hun zieke vriend bij Jezus te brengen, en dus droegen ze hem met bed en al het
dak op. Vandaar de binnenplaats overziende zochten ze uit waar Jezus stond,
maakten het dak boven Hem open, en lieten het bed naar beneden zakken. En daar
lag die man nu, hulpeloos, plotseling tussen een menigte van mensen, vlak voor
Jezus, en naar Hem opziende met ogen vol van ellende, maar ook, vol van
verwachting.
De Heer keek naar de man die daar aan
zijn voeten lag, en wat Hij zag was de grote ellende en het vreselijke lijden
dat hier op aarde door de zonde veroorzaakt is. En de Heer was zich bewust dat
Hij op aarde gekomen was om alle ellende en lijden vanwege de zonde op Zich te
nemen. Toen Jezus keek naar deze man voelde Hij bij voorbaat al de pijn en de
ellende die Hijzelf zou lijden aan het kruis, vanwege Gods toorn tegen onze
zonden.
Maar wat de Heer ook zag toen Hij deze
mannen zag, de vier boven Hem en de man aan zijn voeten, dat was hun geloof.
Het was hun geloof dat hen naar dit huis gebracht had, en het was hun geloof in
wat God door Jezus kon doen dat maakte dat ze niet teleurgesteld terug waren
gegaan toen de toegang onbereikbaar bleek. Daarom hadden ze al die moeite
genomen om op het dak te klimmen, ook die man op zijn bed daarop te hijsen, en
hem dan weer door het dak neer te laten op de grond...
Vlak daarbij zaten ook die Farizeeën
en wetgeleerden. Zij waren gekomen om Jezus te bespioneren, om te zien of Hij
iets zou zeggen of zou doen waarvan ze Hem konden beschuldigen dat Hij de wet
overtrad, de wet zoals zij die opvatten en leerden, een harde wet, een wet
zonder barmhartigheid. En hier lag nu ook die verlamde man, in wiens ogen Jezus
kon lezen hoe hij smachtte naar medegevoel, naar barmhartigheid.
Wat was nu eigenlijk de ellende van
deze arme man? Was het dat hij zo vreselijk verlamd was dat hij niets anders
kon doen dan op een bed liggen? Dan moeten we wel weten, gemeente, dat de
Farizeeën en wetgeleerden de mensen, en dus ook deze verlamde, geleerd hadden
dat zo'n ernstige ziekte wel een straf van God moest wezen voor een of andere
grote zonde die door hem bedreven was. Zo lang als men aan een dergelijke
ziekte leed, zo lang was die zonde niet weggedaan en door God vergeven; en zo
lang kon dus ook de kerk, d.m.v. de priesters, niet officieel uitspreken dat de
zonde vergeven was.
Eerst moest de zieke weer beter
geworden zijn, als bewijs dat God hem vergeven had, en pas dan kon die
vergeving ook hier op aarde bevestigd worden door hen die de ambtelijke
bevoegdheid hadden om zo'n uitspraak te doen.
De man op het bed vraagt nergens om;
maar hij moet toch wel heel erg gedeprimeerd geweest zijn, wel diep in de put
gezeten hebben, bij de gedachte dat eerst zijn zonden moesten zijn weggedaan
voordat hij ooit beter zou kunnen worden; en met ogen vol ellende maar ook vol
verwachting kijkt hij op naar de Heer. Kunnen zijn zonden misschien toch
vergeven worden, en dus de oorzaak van zijn ellende weggenomen?
De Farizeeën en wetgeleerden kijken
nauwkeurig toe op wat Jezus gaat doen. Zal hij een wonder gaan doen door die
man te genezen, zoals ze gehoord hebben dat hij al zo veel wonderen heeft
gedaan? Och, dan is ook hij alleen maar weer één of andere gebedsgenezer of
wonderdoener zoals er wel meer zijn opgetreden. Dan zal hij voor een poosje wel
veel mensen trekken, maar toch ook wel weer gauw vergeten worden als iemand
anders die weer wat slimmer is succes gaat krijgen en hem zal overtreffen en
zijn plaats overnemen.
En dus wachten ze af om te zien of de
Heer de man zal vragen wat hij wil, en als die man dan natuurlijk vraagt om
beter gemaakt te worden, of Hij hem dan de handen zal opleggen en hem van zijn
verlamming genezen zal.
Dan, plotseling, gaat de Heer Jezus
spreken. Maar Hij vraagt helemaal niet aan die man wat hij wil, en ook legt Hij
hem de handen niet op om hem te genezen. Nee, de Jezus zegt tot hem:"Mens,
uw zonden zijn u vergeven".
Nu, dit was iets dat niemand had
verwacht. Wat ook maar, maar dit niet. De Farizeeën en wetgeleerden begonnen
direct onder elkaar te fluisteren, "Wie is deze man, die zulke
godslasterlijke dingen zegt? Wie kan zonden vergeven dan God alleen?” Ze konden
er gewoon niet bij wat die man, die Jezus daar, durfde te zeggen. Wist die Jezus
dan niet dat God pas, nadat Hij iemand met een dergelijke ernstige ziekte weer
beter had laten worden, hem zijn zonden vergaf, dus pas nadat de zieke eerst tenvolle de straf voor zijn zonden had ondergaan?
Dit was gewoon ongehoord. Alleen God
in de hemel kan zonden vergeven; maar het was toch zeker duidelijk dat de
zonden van deze man nog niet vergeven waren; hij lag immers nog steeds verlamd
op zijn bed. Maar nota bene, deze Jezus praat alsof hijzelf hem zijn zonden
vergeven kan. Hij doet alsof hij zelf God zou zijn.
Ziet u wat hier aan de hand is,
gemeente? Onze Heer keert hier hun theologie volledig ondersteboven, hun
theologie over een God die alleen zonden vergeeft als je je
dat zelf waardig gemaakt hebt; waardig door eerst zelf de straf te ondergaan en
zo zelf je zonden uit te wissen. En zonder ook maar de vraag te overwegen of
misschien toch God zelf spreekt door Jezus hebben ze Hem veroordeeld: "Wie
is deze man, die zulke godslasterlijke dingen zegt?" Erg, hč?
Ja, maar hebben deze Farizeeën en wetgeleerden
toch in dit opzicht geen gelijk, dat deze man op zijn minst toch eerst had
moeten worden genezen? Laten we eerlijk zijn: waar bidden wij om als we ernstig
ziek zijn, of als een broeder of zuster ziek is? Bidden we dan vaak niet dat de
Heer de ziek weer beter wil maken? Goed, we voegen er aan toe, als het Uw wil
is, of Uw wil geschiede; niettemin, het is toch om genezing van onze ziekten
dat we vragen. Zijn wij in dit opzicht dan wel heel anders dan die Farizeeën en
wetgeleerden? Of, vragen we, voordat we om genezing bidden, in de eerste plaats
om vergeving van onze zonden, onze zonden die toch immers de oorzaak zijn van
alle ziekten en ellenden, en van de dood?
We weten niet of de verlamming van
deze man was veroorzaakt door een concrete zonde die hij bedreven had. Dat
wordt ons niet verteld omdat het daar helemaal niet om gaat in dit verband. Wat
we wel weten is dat Jezus zag dat deze man zich van zijn zonden bewust was, en
dat hij geloofde dat Jezus zijn enige hoop was. Onze Heer wist ook hoe die leer
van de Farizeeën en wetgeleerden mensen als deze man alle hoop deed verliezen.
Het was dan ook uit Goddelijke mededogen, Goddelijke barmhartigheid dat de Heer
gebruik maakte van Zijn Goddelijke bevoegdheid om zonden te vergeven. Uit
barmhartigheid vergaf Hij deze man zijn zonden! Ja, en zo groot was Jezus'
mededogen, zo Goddelijk barmhartig, dat Hij zijn barmhartigheid zelfs
uitstrekte tot hen, die Farizeeën, hoewel Hij wist dat het Hem de dood aan het
kruis zou opleveren.
2. Ja, de Heer openbaarde hier ook
zijn barmhartigheid voor hen, die Farizeeën en wetgeleerden. Dat blijkt uit het
doel waarmee de Heer gebruik maakte van de Goddelijke kracht om te genezen die
bij Hem aanwezig was. Het tweede waarover ik tot u spreken mag.
Die verlamde man heeft
gekregen wat hij in zijn ellende het meest nodig had: de vergeving van zijn
zonden. Hij had er eigenlijk helemaal geen ander wonder meer bij nodig, een
wonder om hem nu ook nog te genezen van zijn verlamming, al wilde hij dat
natuurlijk best graag. Wanneer wij ziek zijn, en dat geldt ook hen die dat op
dit moment zijn, dan mogen we ons verlangen om nog beter te mogen worden best
aan de Heer vertellen. Maar wat we in die situatie het meest nodig hebben is
niet herstel van onze gezondheid, maar de vergeving van onze zonden, dat we in
vrede met God mogen leven, doordat onze zonden gewassen zijn met het bloed van
onze Heiland. En of we dan ook nog beter worden hangt helemaal af van de
bedoeling die God nog met ons leven heeft, of dat Hij vindt dat het genoeg is
geweest!
Nu, Gods bedoeling met deze verlamde
man was inderdaad dat hij genezen werd door de Goddelijke kracht die er bij
Jezus was. Maar weet u waarom? Waarom? Het was opdat die Farizeeën en
wetgeleerden alsnog de gelegenheid zouden krijgen om te weten te komen en te
erkennen dat de Heer Jezus meer was dan alleen maar een mens, maar dat Hij
inderdaad gekomen was van zijn Vader in de hemel om hier op aarde zonden te
vergeven.
Hoort u het dus? De Heer zei dit niet
tot die verlamde man omdat hij het zo graag wilde. Nee, Jezus zei dit terwille van die Farizeeën en wetgeleerden, opdat ook zij
de vergeving van hun zonden in Jezus Christus zouden zoeken en Hem als God
zouden erkennen.
Het is inderdaad waar dat het
makkelijker is om te zeggen, 'uw zonden zijn uw vergeven'. Niemand, behalve de
zondaar wiens zonden vergeven worden, kan weten of het echt gebeurde. Dat moet
nog bewezen worden. Nu zou er een tijd komen dat de Heer weigert om aan zijn
vijanden een teken te geven als bewijs voor zijn bevoegdheid. Ik denk aan wat
we verderop lezen, in 11:29: Dit boos geslacht "begeert een teken, maar
het zal geen teken ontvangen dan het teken van Jona".
Maar hier gaat Gods barmhartigheid nog steeds
uit tot zelfs deze Farizeeën en wetgeleerden die gekomen waren om als spionnen
Jezus in de gaten te houden. Dat is dus de reden waarom de kracht van God om te
genezen met Jezus was, en dat is dan ook de reden dat Jezus deze verlamde man
van zijn ziekte genas. Het was om aan hen het bewijs te geven dat ze nodig
hadden!
Ook als in onze tijd de Heer, behalve
dat Hij op ons gebed ons onze zonden vergeeft, ons tegelijk geneest van onze
ziekten en ons weer beter maakt, dan is de bedoeling daarvan dat zowel wij zelf
alsook anderen, bijvoorbeeld dokters en verpleegsters en medepatiënten in het
ziekenhuis, daaruit mogen leren om ook de Heer te zoeken, en hem te bidden om
vergeving van hun zonden. En daar hoort dan ook bij, dat ze elke genezing, hoe
ook tot stand gebracht, toe zullen schrijven aan Zijn Goddelijke kracht alleen,
en hen die zeggen dat Jezus niet echt God is, nog tot bekering roepen, en ook
barmhartigheid betonen aan afgedwaalden, onttrokkenen, en afgesnedenen.
3. Want, en dat is het derde waarover
ik tot u spreken mag, op die manier wordt Gods goddelijke majesteit, zoals die
in Jezus Christus tot uiting komt, verheerlijkt. In de eerste plaats door hen
die genezen worden. De man die lam geweest was "ging naar zijn huis, God
verheerlijkend". Maar "ontzetting beving allen" die er bij
waren, ze waren uiterst verbaasd, en ook "zij verheerlijkten God, en
werden met vrees (dat is: ontzag) vervuld, zeggende: 'we hebben vandaag
ongelooflijke dingen gezien'."
Alleen maar, helaas, de Farizeeën en
wetgeleerden deden daar niet aan mee; zij verheerlijkten God niet. Uit de drie
gebeurtenissen die in de verzen 27 tot hoofdstuk 6:11 verhaald worden blijkt,
dat ze onze Heer bleven bekritiseren, en reden zochten om Hem van het doen van
onwettige handelingen te betichten. Alle andere mensen echter waren niet alleen
door ontzetting bevangen, uiterst verbaasd dus, - want dat waren de Farizeeën
en wetgeleerden natuurlijk ook - , maar die andere mensen werden ook met vrees,
dat is met ontzag vervuld. En ontzag, dat voel je als je jezelf weet in de
tegenwoordigheid van de heilige God, als je weet dat je in aanraking bent
gekomen met zijn goddelijke majesteit.
Dat ze met ontzag vervuld werden
betekent dat ze aanvoelden, hoe ze in Hem die zichzelf de Zoon des mensen
noemde met meer dan slechts een menselijk wezen te maken hadden. O ja, dat ze
dit heel goed aanvoelden blijkt uit hun zeggen: "We hebben vandaag
ongelooflijke dingen gezien". Want voor het woord 'ongelooflijk' gebruikt
Lucas een term die maar één keer voorkomt in het Nieuwe Testament. Het is het
Griekse woord 'paradox'. We hebben vandaag paradoxale dingen gezien, die
precies andersom waren dan je verwachten zou.
Nu was het doen van een wonderlijke
genezing niet echt onverwacht. Jezus had immers al heel wat wonderen verricht.
Alleen maar, wonderen hebben geen betekenis op zichzelf. Bovendien, die werden
soms ook door anderen wel verricht. Zelfs de zonen van de Farizeeën wierpen nu
en dan boze geesten uit, en ook zogenaamde gebedsgenezers kunnen zich soms op
opmerkelijke resultaten beroemen.
Maar dit is anders. De genezing van
deze lamme man door Jezus was een manifestatie van zijn goddelijke macht.
Daarmee openbaarde Hij zich als de enige die ook de goddelijke bevoegdheid
heeft om ons hier op aarde onze zonden te vergeven.
Dat is dan ook waarom zij God
verheerlijkten. En het is om dezelfde reden dat ook wij God verheerlijken, of
de zieken onder ons nog in dit leven beter worden, of dat het hiernamaals, na
dit leven, gebeurt. Want of we nu gezond zijn of ziek, als we terneergeslagen
zijn vanwege onze zonden komt Jezus Christus, met Goddelijk gezag van boven,
tot ons allen met zijn boodschap, vol erbarmen: uw zonden zijn u vergeven!
Ja, laten ook wij straks God
verheerlijkend naar huis gaan!
AMEN
4
De vierde preek in deze serie heeft als tekst LUCAS 5 :
27-39, en als Schriftlezing Lucas 5:1-11 en 27-32. Suggesties
voor de orde van eredienst: (psalmen en gezangen uit Gereformeerd Kerkboek)
Aanvangslied: Psalm 116: 1
Na de Tien Woorden: Psalm 116:3
Na Schriftlezing: Psalm 103:1,3
Na de preek: Liedboek 408:1-6
Slotzang: Psalm 6:2,3,5
Geliefde gemeente van onze Heer Jezus Christus,
Het smaakt niet lekker als je, na een eerste klas
maal gegeten te hebben, direct daarna iets eet waarvan de kwaliteit maar zo zo is. Je maag zou er tegen in opstand kunnen komen. In
Kanaän gold zoiets van het drinken van nieuwe wijn direct nadat je een glas
oude wijn gedronken had. De smaak van nieuwe wijn is bitter, vergeleken met de
milde smaak van oude wijn.
Jezus kon dan ook geen beter beeld gegeven hebben
van de houding van de Farizeeën, toen Hij de belastinginner Levi riep om zijn
discipel te worden, een volgeling van de Heer, en toen Hij zich zelfs aansloot
bij een heel gezelschap van belastinginners en andere openbare zondaars die een
feestje hadden in Levi's huis.
De Farizeeën konden dat gewoon niet uitstaan; ze
waren er helemaal van ontdaan en ondersteboven. De manier waarop Jezus de
dingen deed lustten ze niet, dat smaakte bitter in hun mond. Zij gingen totaal
niet om met dat soort mensen, laat staan dat ze in iets ook maar met hen zouden
samenwerken of zelfs met hen aan een maaltijd zouden zitten.
O nee, dat soort lui behandelden ze alsof ze een
besmettelijke ziekte hadden; die moest je kost wat kost vermijden om niet zelf
door hen besmet te worden. Het gedrag van Jezus was dan ook net zo
onbegrijpelijk en onaanvaardbaar voor hen als het drinken van nieuwe wijn
direct na dat je een glas oude wijn gedronken had; hun oude ethiek en
leerstellingen waren goed, maar de nieuwe leer en ethiek van Jezus, daar
moesten ze niets van hebben.
Het was dan ook juist toen
dat onze Heer zichzelf liet zien als de goede dokter door tot hen te zeggen:
"Zij die gezond zijn hebben geen geneesheer nodig, maar zij die ziek zijn;
Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars tot
bekering."
Ik mag u verkondigen:
JEZUS CHRISTUS, ONZE GROTE GENEESHEER. DE
VOLMAAKTE DOKTER
1. HIJ ROEPT DE ZIEKEN OM HUN MEDICIJN TE GEVEN
2. HIJ LEGT HUN DE WERKING VAN ZIJN MEDICIJN UIT
3. HIJ WAARSCHUWT TEGEN MISBRUIK VAN ZIJN
MEDICIJN
1. Enige tijd nadat de Heer Jezus Petrus, Jacobus
en Johannes geroepen had om vissers van mensen te worden wandelde Hij weer
langs het meer in de buurt van Kapernaüm.
Deze keer kwam Hij dicht bij de aanlegplaats voor
schepen, vlak bij de kruising net de weg naar Noord-Galilea.
Al het vrachtverkeer, in het bijzonder het transport van vis, moest die plaats
passeren, en dus was het logisch dat daar ook een kantoortje van de belastingen
en accijnzen te vinden was.
De ambtenaar, een zekere Levi (hij werd ook wel Mattheüs genoemd), zat daar achter zijn bureau. Nu waren
zulke belastinginners niet erg populair bij de Joden, en dat niet alleen omdat
nu eenmaal veel mensen niet graag belasting betalen (die vind je ook onder ons
wel, ja toch?); maar in het Palestina van die dagen waren het ambtenaren van
een gehate regering, van bezetters van hun land. Behalve dat ze als verraders
beschouwd werden kwam daar nog bij dat ze probeerden zoveel mogelijk geld van
de mensen af te persen; ook daarom werden ze gehaat. En Levi hoorde zelfs bij
de ergsten. Een spreekwoord uit die tijd luidde: “Wee
het schip dat vaart zonder de accijnzen betaald te hebben”.
In de ogen van de Joden was zo’n belastinginner
dus een openbare zondaar, gelijk aan rovers en hoeren en dat slag mensen. Ze
vielen onder de Rabbijnse ban, dat betekent dat ze niet mochten deelnemen aan
de erediensten in de synagoge, en dat het trouwe kerkleden verboden was om op
wat voor manier ook maar omgang met hen te hebben.
En nu komt Jezus daar langs dat
belastingkantoortje, en ziet Levi daar achter zijn bureau zitten, en wat
gebeurt er? Dan zegt de Heer tot hem, Volg Mij. En wat doet Levi? Levi schuift
zijn bureaustoel achteruit, hij laat alles achter en gaat Jezus achterna.
Levi had waarschijnlijk al wel iets over Jezus
gehoord, en van de werken die Hij gedaan had. Het hele stadje praatte er over,
en waarschijnlijk wist hij ook wel van die grote visvangst, op aanwijzing van
Jezus. Maar dit had hij nooit kunnen verwachten, dat de Heer hem zou oproepen om Hem te volgen,
hem, een uit de gemeenschap verbannen openbare zondaar.
Maar kijk, door deze oproep van de Heer, door
Zijn woorden ‘volg Mij’, wordt Levi ineens een ander mens. Hij heeft berouw van
zijn verkeerde manier van leven, hij laat alles wat hij heeft achter, zijn
geld, zijn kantoor, zijn baan waar hij van leven moet, en hij volgt nu Jezus
als zijn Heer.
Hier zien we dus voor onze ogen hoe het Woord van
God een medicijn is dat zieken beter maakt, zo’n krachtig medicijn dat het hen
die dood zijn in zonden en misdaden weer levend maakt! Ja, en dat is het nog,
gemeente! Beseft u dat?
Levi is de Heer geweldig dankbaar. Vandaar dat
hij een feestmaal voor de Heer gaat aanrichten. Maar Levi is niet dom! Tegelijk
is dit ook een goede gelegenheid om zijn collega’s in contact met Jezus te
brengen. Die worden dus ook uitgenodigd.
Zo zit er dus een groot aantal belastinginners en
dergelijke mensen met hen aan tafel; allemaal mensen die geen lid waren van de
officiële kerk.
Nu, dan is het toch ook geen wonder dat de
Farizeeën en hun metgezellen, de wetgeleerden, daar verontwaardigd over
mopperden. Tenslotte was in die cultuur het samen eten, en zeker het samen aan
een feestmaal deelnemen, de manier om geestelijke gemeenschap met elkaar te
hebben.
Kijk, dat is dus wat Jezus deed toen Hij de
uitnodiging om samen met die mensen aan tafel te zitten aannam:
Maar nu, wat te denken van hun vraag, “Waarom eet
en drinkt u met die belastinginners en zondaars?” Dat was toch niet zo’n rare
vraag? Al die lui waren openbare zondaars, ja, ook Levi zelf was dat nog toen
Jezus hem riep met de woorden: volg Mij. Zeker, nadat hij geroepen was toonde
hij berouw; maar hoe kon Jezus hem al uitnodigen om zijn discipel te worden nog
voordat hij berouw getoond had? Dat kan toch niet? Nee toch? Immers, wat voor
gemeenschappelijke grondslag heb je met zulke mensen om op te staan?
Maar kijk, wat blijkt nu uit het antwoord van
onze Heer? Uit Jezus
antwoord blijkt duidelijk dat het er helemaal van afhangt op welke grondslag je
zelf staat.
Immers, zo antwoordde de Heer in vers 31, “Zij
die gezond zijn hebben geen geneesheer nodig, maar zij die ziek zijn. Ik ben
niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars tot bekering”. Kijk, dat
is de grondslag waar Jezus op staat, en waarom Hij doet wat Hij doet; Hij is
gekomen om zondaars tot bekering te roepen. Maar wat was de grondslag waarop de
Farizeeën stonden? Zij gingen er van uit dat alleen rechtvaardigen konden
worden geroepen, zij die al aan de voorwaarde van bekering hadden voldaan.
De Farizeeën hielden er net zo’n leer op na als
later in de Gereformeerde Kerken in Nederland de Remonstranten, van wie we
lezen in de Verwerping der Dwalingen in de Dordtse Leerregels (I,5) dat God die
mensen tot bekering roept die het dat waard zijn. (letterlijk: een “waardigheid
waardoor hij die uitverkoren wordt zich onderscheidt van hem die niet
uitverkoren wordt”, vanwege “voorwaarden waarvan God vooraf gezien heeft dat er
aan voldaan zou worden”. Het is daar tegenover dat wij in de Dordtse Leerregels
belijden (III/IV,10), dat God hen die Hij heeft uitverkoren in dit leven met
kracht roept en hun geloof en bekering schenkt).
(Zo zeiden de Farizeeën dat mensen die al goede
werken doen en daarom het heil verdienen, dat die hun bekering nog aan hun
goede werken toevoegen. En die bekering bestaat dan uit berouw om het feit dat
ze nog niet helemaal volmaakt zijn; en dat berouw maakt hen dan het heil nog
meer waard, en beter dan andere mensen die zo ver nog niet zijn)
Kijk,
daarom was het ook onmogelijk voor de Farizeeën om met openbare zondaren om te
gaan; die waren het niet waard, en zolang als ze zichzelf dat niet waardig
maakten was elke samenwerking en contact met hen verboden. Er was daarvoor geen
gemeenschappelijke grond om op te staan.
Maar wat doet Jezus nu? Zou die het nu in reactie
precies net andersom doen? Dat zou natuurlijk wel echt menselijk zijn.
Verloochende onze Heer hier de grondslag waarop Hij met zijn discipelen
behoorde te blijven staan? Zei Jezus nu, het doet er niet toe dat ze buiten de
kerk verblijven in plaats van terug te keren en zich er bij te voegen? Het
geeft niet dat ze in zonde blijven leven?
Weet u, dat is de suggestie die verborgen ligt in
die vraag van de Farizeeën aan de discipelen: "Waarom eten en drinken
jullie met belastinginners en zondaars?" Door dat te doen ondergraven
jullie toch zeker de grondslag waarop ons land en ons volk gefundeerd zijn.
Maar wat deed Jezus in werkelijkheid? Hij was
gekomen om zondaars tot bekering te roepen, dat betekent dat Hij vanuit de
hemel is neergekomen op het vlak van de mensen, ja op het niveau van zondaars,
precies zoals een goede dokter zich naast zijn patiënten plaatst om hen te
kunnen genezen.
Het is deze Jezus die ik u verkondigen mag, onze
Redder, onze grote Geneesheer, onze volmaakte dokter, die de zieken roept om
hun zijn medicijn te geven. Hij heeft zich op het vlak van ons, zondaars,
geplaatst, en daar roept Hij u en mij om zijn medicijn te ontvangen, de
vergeving van onze zonden.
Hij geeft ons dat medicijn, en we hoeven er niets
voor te betalen, geen goede werken, en geen berouw en bekering, zelfs niet de
kleinste eerste eigen bijdrage van onszelf. We hoeven niets te betalen vanwege
het Ziekenfonds van onze Vader in de hemel, zijn Genadeverbond met ons. Het is
alleen door genade dat we geroepen worden, en dat we genezen worden van de
ziekte van onze zonden, en opgericht worden uit onze geestelijke dood. En dan,
wanneer we levend zijn gemaakt, opgewekt uit de eeuwige dood, dan kunnen we
niet anders doen dan berouw hebben en ons bekeren, en goede werken gaan doen.
Dat is de betekenis van weer tot leven geroepen
te zijn: dat we onze Heer Jezus volgen op dezelfde grondslag waar Hij zelf op
staat; dat ook wij vissers van mensen worden, getuigen van de blijde boodschap
van het Evangelie.
2. Wanneer Jezus zieken roept om hun medicijn te
geven verklaart Hij hun ook de werking daar van. Elke goede dokter doet dit,
maar dit keer was er ook een bijzondere reden voor. Want de Farizeeën, inplaats van zich te schamen en verder hun mond te houden,
gingen door met redetwisten. Ze gaan nu proberen een wig te drijven tussen
Jezus' discipelen en die van Johannes de Doper, door te doen alsof die van
Johannes de Doper aan hun kant zouden staan.
Vandaar wat ze zeggen in vers 33, "De
discipelen van Johannes vasten dikwijls en doen hun gebeden, en zo ook die van
ons Farizeeën, maar die van U eten en drinken". Kennelijk werd dat feestje
van Levi met Jezus en zijn discipelen gevierd op een vastendag.
Nu moeten we ons wel realiseren dat er een groot
verschil was in de redenen voor vasten. De Farizeeën deden het om met dat extra
goed werk het heil te verdienen; maar de discipelen van Johannes vastten omdat
ze zichzelf kenden als zondaars, en bovendien ook nog omdat hun geliefde
meester door koning Herodes van hen was weggenomen en in de gevangenis gezet.
Dat maakt dus wel verschil! Het echte vasten is
dat je gewoonweg niet kunt eten en drinken, en zeker niet aan een feestmaal,
omdat je keel dicht zit van verdriet vanwege je zonden, of omdat je in rouw
gedompeld bent. Maar het is geen vasten als iemand zomaar voorschrijft dat er
een bepaalde dag of periode moet zijn waarop je niet eet en drinkt, of bepaalde
soorten voedsel niet gebruiken mag.
Toch, ondanks dat grote verschil, ook de
discipelen van Johannes hadden het niet helemaal bij het rechte eind. De
Farizeeën hadden het totaal mis, omdat zij zich door middel van vasten het heil
nog meer waardig dachten te maken. Zij verwierpen in ongeloof de blijde
boodschap van genade: zij waren humanisten die prat gingen op hun menselijke
waardigheid.
De discipelen van Johannes daarentegen lijken
meer op behoudende mensen, die waren meer conservatief. Ze waren niet bij de
tijd, want zij bleven zich maar aan Johannes de Doper oriënteren en diens
gewoonten vasthouden, en ze konden maar niet accepteren dat intussen de dingen
veranderd waren. Ze bleven discipelen van Johannes omdat ze nog niet klaar
waren voor de genadeprediking van onze Heer, en om dus als discipelen nu Jezus
te gaan volgen.
Toch hadden ook zij beter kunnen weten! Want wat
was de boodschap van Johannes de Doper zelf geweest? Hij had hun geleerd dat ze
er klaar voor moesten zijn om Christus te ontvangen. "Ik ben de vriend van
de bruidegom", had hij gezegd, "maar Christus is de bruidegom
zelf". En vandaar dat de Heer Jezus zegt: "Kunt u soms de
bruiloftsgasten laten vasten, terwijl de bruidegom bij hen is?" U moet
namelijk weten, dat zelfs volgens de regels van de Farizeeën men niet verplicht
was zich te houden aan de voorgeschreven vastendagen gedurende een
bruiloftsweek. Dus moet het antwoord zijn: nee! Natuurlijk kun je dat niet
doen.
Het is op deze manier dat de Heer Jezus de
betekenis van zijn medicijn laat zien. Hij is gekomen als de Bruidegom van de
kerk, om aan allen die in Hem geloven een vreugdevol leven in zijn gemeenschap
te geven.
O nee, dat betekent niet dat ze maar door kunnen
gaan met als zondaars te leven. Natuurlijk niet. Ze leven nu als nieuwe mensen,
veranderde mensen, die vernieuwd zijn door de vergeving van hun zonden; ze
leven nu zoals een bruid leeft met haar bruidegom, of zoals de gasten genieten
en blij zijn op een bruiloftsfeest. Ze hebben er plezier in allerlei dingen te
doen die de bruidegom graag heeft. Christen zijn betekent dat je van alles doen
kunt, een feestje bouwen, zelfs als daar ook openbare zondaars aanwezig zijn,
en dat je van allerlei dingen in het leven genieten mag, van muziek en films en
Tv-programma’s en computerspelletjes, als alles wat je doet maar in overeenstemming is met je geloof
dat je zonden door Christus' bloed vergeven zijn. Al die dingen die je doet
moeten dan wel vruchten zijn van dat geloof, en dus passend voor de bruid van
de hemelse Bruidegom. Het doen van die dingen moet je dus helpen om vissers van
mensen te zijn die in het doen van dat alles de Heer Jezus zelf volgen.
En ja, dan kunnen er ook redenen komen om te
vasten. "Doch er zullen andere dagen komen", zo zegt de Heer (in vers
35), "wanneer de bruidegom van hen weggenomen is, dan zullen zij vasten,
in die dagen". Dit gebeurde bv. gedurende de dagen dat de Heer Jezus
begraven was; hoewel, zelfs toen hadden ze niet mogen rouw bedrijven zonder de
blijde verwachting van de opstanding.
Er is in het bijzonder reden om te vasten als we
vanwege onze zonden de gemeenschap met de Heer niet echt ervaren. Ik denk aan
situaties waarin het onmogelijk is om je gemeenschap met de Heer Jezus te
voelen, als je je bijvoorbeeld bevindt op plaatsen
die door de zonde beheerst worden, waar Gods wil geschonden wordt alsof het
heel gewoon is, waar gokken en drinken en misbruik van drugs en seksuele
immoraliteit verheerlijkt en genoten worden, zoals in veel films in bioscopen
en Tv-shows en disco's. Kijk, dan hebben we reden om te vasten, bijvoorbeeld door
je daarvan te onthouden, en door je van het meegenieten daarvan te bekeren, en
berouw te hebben. Want je kunt toch geen plezier hebben in het daarbij aanwezig
zijn, als je daar niet kunt komen met de genezende boodschap van onze grote
Geneesheer, maar als je integendeel jezelf daar laat vergiftigen door een geest
die absoluut tegengesteld is aan de Heilige Geest.
Kijk, dat is nu onze Christelijke vrijheid, dat
we niet onderworpen zijn aan de regels van mensen, met hun 'doe dit' en 'maar
dat mag niet', zoals de Farizeeën zulke regels aan de mensen oplegden. Wij zijn
vrij! Dat betekent, wij zijn vrij om het medicijn van onze grote Geneesheer uit
te delen, het medicijn waardoor we ook zelf genezen worden. Waar je dat kunt
doen, daar mag je naar toe gaan, daar kun je ook met anderen samenwerken, zo
lang als we dat medicijn maar niet vergeten.
We mogen alles doen wat ons en anderen helpt om
eens op de nieuwe aarde Christus' gemeenschap te genieten, waar alles nieuw zal
zijn, en alle rouw bedrijven en zonde en ziekte en dood zijn verdwenen. Dan
mogen we het ononderbroken bruiloftsfeest genieten, dat bereid is voor allen
die het Lam volgen waarheen Hij ook gaat.
3. In de derde plaats waarschuwt de Heer Jezus met
behulp van een gelijkenis tegen het misbruik van zijn medicijn.
De Heer Jezus verkondigt vergeving van zonden aan
hen die ziek zijn, die dat medicijn dus nodig hebben. De Farizeeën echter
beschouwen dit onderwijs van de Heer als een nieuwe leer, en vergeleken met hun
oude leer is dat ook zo. Zij zeiden: het is net als nieuwe wijn. Die drinken we
niet, want die lusten we niet. De oude wijn van onze leer is veel beter.
Maar weet u wat ze nu deden? Nu probeerden ze de
discipelen van Johannes aan hun kant te krijgen. De boodschap van Johannes die
toch immers ook tot bekering opriep probeerden zij in te passen in hun oude
traditionele leer. Het is namelijk die traditionele leer die in Jezus'
gelijkenis als een oude jas of als oude wijnzakken wordt aangeduid.
Ze scheurden een deel van Johannes' vernieuwende
prediking uit het verband, en maakten dat een deel van hun eigen oude en
verkeerde leer.
Maar zodoende verknoeiden ze de boodschap die
Johannes de Doper had verkondigd, en hun eigen leer maakten ze er niet beter
mee. Integendeel!
Ook kun je de nieuwe wijn van de vergeving van de
zonden, waarvan de prediking werd voorbereid door Johannes de Doper en die nu
door Jezus wordt gebracht, niet doen in de oude zakken van de tradities van de
Farizeeën. Door een zodanig compromis zou de boodschap van het Evangelie totaal
verloren gaan.
Nee, het medicijn van onze grote Geneesheer, onze
volmaakte dokter, kan de zieken alleen maar beter maken wanneer ze volmaakt
kosteloos, uit genade alleen, ontvangen wordt. We kunnen er niet voor betalen,
omdat Christus de prijs al heeft betaald.
Deze boodschap van het kruis van Christus gaat in
tegen onze harten en onze gedachten zoals we van nature zijn. Ook
Gereformeerden zijn geneigd te denken dat ze beter zijn omdat ze Gereformeerd
zijn. Die oude leer van Farizeeën en Remonstranten lijkt nu eenmaal zo veel
lekkerder te smaken dan de nieuwe wijn van Christus. En toch, Zijn wijn, hoewel
bitter in de mond, maakt het hart gezond. Het is de enige medicijn die ons
redt.
Daarom, drinkt allen daarvan, want, en u kunt
daarop AMEN zeggen, het kostbare bloed van onze Heiland is vergoten tot een
volkomen verzoening van al onze zonden.
AMEN
5
De vijfde preek in deze serie heeft als tekst LUCAS 7:35,
en als Schriftlezing Lucas 7:1-35. Suggesties voor de orde van eredienst
(psalmen en gezangen uit Gereformeerd
Kerkboek):
Aanvangslied: Liedboek 460:1, 3, 4
Na de Tien Woorden: Psalm 34:6, 7, 8
Na Schriftlezing: Gezang 54
Na de preek: Psalm 131:1, 2, 3
Slotzang: Psalm 107:1, 5, 7
Geliefde gemeente van onze Heer Jezus Christus,
“De wijsheid is gerechtvaardigd door al haar kinderen”,
dit betekent dat de kinderen van de wijsheid, je kunt ook zeggen, haar
leerlingen het bewijs leveren dat de wijsheid het bij het rechte eind heeft.
Het is eigenlijk net eender als
wanneer de wijsheid van een professor uitkomt in de studieresultaten van zijn
studenten, in hun proefschrift bijvoorbeeld waarmee ze bij hem promoveren.
Daardoor wordt zijn professoraat als het ware gerechtvaardigd.
Nu, zo wordt ook de wijsheid van
God gerechtvaardigd door de manier van leven van Zijn leerlingen, Zijn
discipelen, Zijn kinderen.
Nu wordt het in de wereld om ons
heen vaak als wijsheid beschouwd, als je je maar
houdt aan wat algemeen aanvaardbaar wordt geacht. Als je je
dus aansluit bij de meerderheid, als je mee gaat met de groep. En daar gaat nog
weer bovenuit als de hóógste wijsheid, dat je je niét houdt aan wat algemeen
aanvaardbaar wordt geacht als je er beter van wordt, als het je helpt om succes
te hebben. Pragmatisme dus: wijs is wat werkt.
Nu, als deze soorten van wijsheid
als correct beschouwd worden, dan was het met de wijsheid van Jezus niet te
best gesteld. Immers, onze Heer ging daar juist tegen in: de wijsheid van Jezus
was totaal anders dan wat de mensen wijs achtten.
Weet u wat in die tijd in Israël
als wijsheid gold? We hebben er van gelezen, in het begin van Lucas 7, over wat
er in Kapernaüm gebeurde. Daar was een man die heel
ernstig ziek was, ja, hij lag eigenlijk al op sterven. Hij was de slaaf van een
legerofficier die hem op hoge prijs stelde.
Dat op zich zelf is al tamelijk
merkwaardig. Deze officier had het bevel over een compagnie van ongeveer 100
soldaten. Hij was niet een Jood maar een heiden, waarschijnlijk een Romein. Hij
hoorde bij de vijanden van het Joodse volk. En zeker in die heidense
maatschappij was het niet gewoon, niet iets in een algemeen aanvaarde ethiek,
om zich zo om een slaaf te bekommeren.
Deze man was kennelijk een
uitzondering. In de eerste plaats omdat hij zo om zijn slaaf gaf; verder ook
omdat hij een vriend van de Joden was (vers 5); en in de derde plaats omdat hij
er zich niet voor schaamde de hulp van onze Heer Jezus in te roepen. Immers,
toen hij van Jezus hoorde, zo staat er, zond hij enkele Joodse oudsten, een
paar ouderlingen zouden wij zeggen, naar Jezus met het verzoek om bij hem te
komen en zijn slaaf in het leven te behouden.
Maar ook die Joodse ouderlingen
lijken wel een uitzondering op de regel te zijn. Immers, zij haatten deze
heiden helemaal niet; ze keken ook niet verachtelijk op hem neer. Integendeel,
zij waren wijs genoeg dat ze probeerden goede relaties te onderhouden met deze
heidense officier.
Die ouderlingen gaan dus naar Jezus
toe met het dringende verzoek dat Hij mee zal gaan, en als de reden voor hun
verzoek geven ze aan: hij is het waard dat u dit voor hem doet, want hij heeft
ons volk lief, hij heeft zelfs onze synagoge gebouwd. Hier komt dus de aap uit
de mouw: hun afwijken van het algemeen aanvaarde verachten van zo'n heiden
heeft succes gehad; ze zijn er beter van geworden; en die hoogste wijsheid
wordt nu door hen ook bij Jezus aangeprezen: hij verdient het, hij is het waard
dat u dit voor hem doet!
Deze ouderlingen waren dus nog weer
wat wijzer dan de meeste andere Joden, en zeker dan veel Farizeeën, die geen
enkel contact met een heiden wilden hebben. Nee, ze waren wijzer dan dát!
En toch, gemeente, als het er echt
op aan komt was er niet zo veel verschil. Ook hun wijsheid was gebaseerd op
dezelfde gedachte als de leer van de Farizeeën, de algemeen aanvaarde leer van
de meerderheid, ja de gedachte van bijna alle mensen, ook vandaag: je moet het
wel waard zijn. Je moet je de liefde van je naaste waard maken, en dus, in de
situatie waar Lucas het over heeft: je moet het wel waard zijn als je van Jezus
genezing wilt ontvangen.
Maar nu moeten we eens goed
opletten; want wat gebeurt er? Daar komt ineens een boodschapper van die
officier aanrennen, en wat zegt die? Die komt met deze boodschap van die
officier: Heer, doe geen moeite, want ik ben niet waard dat U onder mijn dak
komt. Genees mijn knecht maar op een andere manier, want ik weet dat U het ook
zo wel kunt doen. U hebt daar immers de bevoegdheid en het gezag voor.
Nu, wat deze officier hier zeggen laat, dat was toch wel
zo in strijd met alle gangbare wijsheid. Ongelooflijk gewoon! Het lijkt er op
dat hij de alledaagse wijsheid van vijandschap tussen Joden en heidenen met
succes heeft omzeild. Ook lijkt het er op dat hij nu van de Joden een andere
wijsheid heeft overgenomen, om zich hun voorspraak en hulp waardig te maken.
Maar kijk nu toch, nu verknoeit hij dit alles door te zeggen: ik ben het niet
waard dat u mij helpt, maar wilt u het als het u belieft toch doen; u hebt daar
immers de bevoegdheid toe.
Lucas vertelt dat toen Jezus dit
hoorde, Hij zich over hem verwonderde, en zich kerend tot de menigte mensen die
Hem volgde, zei: “Ik zeg u, zelfs in Israël heb ik een zo groot geloof niet
gevonden”. Immers, hier werd de wijsheid van God gerechtvaardigd door één van
Zijn kinderen: deze Romeinse officier.
En wat is dan de wijsheid van God?
Gods wijsheid is gebaseerd op Gods
liefde voor zijn schepping. Dit kunnen we lezen in het Spreukenboek, in het
achtste hoofdstuk, waar staat dat Gods wijsheid zich verheugde toen God alle
dingen schiep, en hoe die wijsheid blij was met de mensen die God schiep.
Het is diezelfde wijsheid van God
die uitkomt in Zijn zo grote liefde voor deze geschapen maar in zonde gevallen
wereld en de mensen daarin, dat Hij zijn enige Zoon gegeven heeft opdat wie in
Hem gelooft niet verloren zal gaan, maar het eeuwige leven ontvangt.
Gods wijsheid komt dus ook
duidelijk uit in zijn genade, zijn genade voor zondaars, zijn genade voor
mensen die vanwege hun slechtheid niets waardig zijn, nog niet het minste
verdienen.
Maar nu was in Israël de droevige
situatie ontstaan, dat ze geen enkel begrip meer hadden van deze wijsheid, die
wijsheid van Gods genade. Daar geloofden ze niet meer in. Zelfs die mensen in Kapernaüm die het toch zo goed bedoelden waren van mening
dat de Heer Jezus deze heidense officier zou moeten helpen, omdat hij zich die
hulp waardig had gemaakt; omdat hij het had verdiend.
En toch, tegenover deze wijsheid
van de mensen wordt de wijsheid van God door al haar kinderen
gerechtvaardigd.
Deze Romeinse officier, die erkende
dat hij het niet waard was dat de Heer hem helpen zou, die erkende dat hij het
niet verdiende, die geloofde toch zonder meer in Jezus als de enige die hem
helpen kon en ook helpen zou. En door dat geloof heeft hij zich een kind van
Gods wijsheid getoond, en de wijsheid van God gerechtvaardigd. Hij heeft in
zichzelf het bewijs getoond van die wijsheid van Gods genade, waarin God zijn
Zoon op aarde zond voor zondaars, die het niet verdienen geholpen en verlost te
worden, maar die het toch krijgen door te geloven in Gods genade alleen.
In deze geschiedenis wordt het ons
dan ook zonneklaar gemaakt, gemeente, hoe dwaas het is om te bouwen op ook maar
de minste verdienste of waardigheid van onszelf.
Ja, en toch, ondanks dat proberen
de mensen, ook kerkmensen, in hun dwaasheid altijd maar weer om andere oplossingen
te zoeken.
Die Romeinse officier werd immers
geholpen doordat hij geloofde? Nu, dan was het dus zijn geloof waarom hij
verdiende geholpen te worden. Dan werd hij toch geholpen op grond van de
waardigheid van zijn geloof? Je geloof maakt je dan toch Gods genade waardig?
Ja, is dat zo?
Dan moeten we toch nog wel even
verder lezen in Lucas 7, vanaf vers 11.
Kort daarna gebeurde het dat Jezus
reisde naar het stadje Naďn. Toen Hij dicht bij de
stadspoort was aangekomen kwam Hij een begrafenisstoet tegen. De Vorst van het
Leven en zijn gevolg, de discipelen, ontmoeten hier de Vorst van de Dood en
zijn gevolg.
Wat zal er nu gaan gebeuren?
De moeder van de jonge man die
gestorven is ziet de Heer niet eens vanwege haar tranen en verdriet. Ze vraagt
de Heer dan ook niet om haar te helpen, en belijdt dus ook geen geloof in Hem.
Het is eigenlijk heel toevallig, - maar dat betekent juist dat het door Gods
voorzienigheid zo is - , dat die begrafenisstoet op precies hetzelfde ogenblik
de stad heeft verlaten dat de Heer Jezus daar vanuit Kapernaüm
aankwam.
Die weduwe heeft niets gevraagd, ze
heeft ook geen geloof in Jezus kunnen tonen, en toch, toen de Heer haar zag
ging zijn hart naar haar uit, Hij werd met ontferming over haar bewogen. Dat is
dan ook de reden, zo vertelt Lucas ons, dat Jezus tot haar zei: 'huil maar
niet!', en dat hij tot de dode zei: 'Jonge man, ik zeg dat je op moet staan!'
Nu vraag ik u, gemeente: verdiende
deze vrouw en deze jonge man dit wonder dat hij weer tot het leven mocht
terugkeren? In elk geval was het zo dat in de ogen van de Joden ze dit zeker
niet verdienden, ze waren dat niet waard. Immers, dit ging helemaal in tegen
wat in hun menselijke wijsheid algemeen aanvaard werd.
En, o nee, dan bedoel ik niet dat
de Joden toen niet geloofden dat doden konden worden opgewekt. Dat soort
ongeloof behoort tot de algemeen aanvaarde wijsheid van onze tijd, zelfs bij
nog zogenaamde Gereformeerde mensen en theologen.
Nee, maar de vraag die hier aan de
orde is was of deze vrouw en haar zoon dit wonder van opwekking uit de dood wel
verdienden. Want volgens de toen algemeen aanvaarde Joodse wijsheid stond God
in elk geval in zijn recht en was Hij dus altijd gerechtvaardigd in zijn
handelen.
O ja, God kreeg altijd gelijk,
zelfs als zo=n nog jonge man overleed. Want dan hadden uiteraard of
hij zelf, of zijn ouders, gezondigd (vergelijk Joh.9:2).
Er was dan ook zeker reden voor
rouw en droefheid, want deze vrouw werd geplaagd door de brandende vraag die
zich niet terugdringen liet: waarom? Waarom is eerst mijn man overleden (ook al
lang voor zijn tijd), en waarom moest nu ook mijn enige zoon sterven? Wat voor
kwaad hebben ze dan gedaan, of waaraan heb ik het dan misschien verdiend, dat
God me dit aandoet en me zo erg straft?
De Joden waren slechte
vertroosters. Maar hoe is dat met ons gesteld? Geloven wij echt dat de Heer
zondaren behoudt zonder ook maar iets van henzelf in rekening te brengen?
Geloven wij echt dat dit alles alleen maar gebeurde omdat God het zo wilde en
daarom deze ontmoeting deed plaats vinden? En geloven wij echt dat dit alleen
gebeurde omdat het hart van de Heer Jezus uitging naar deze in het verdriet
gedompelde weduwe? Geloven we dit alles zo werkelijk dat we nooit en te nimmer
met onze theorieën en redeneringen ook maar enige hindernis veroorzaken tussen
Jezus en hen die zijn ontferming zo heel erg nodig hebben?
Onze Heer gaf deze jonge man terug
aan zijn moeder. En alle aanwezige mensen werden met diep ontzag vervuld, en
zij verheerlijkten God. Een groot profeet is onder ons opgestaan, zeiden ze; en
ook: God heeft naar zijn volk omgezien, Hij heeft laten zien hoe Hij zich om
hen bekommert.
Ziet u het, gemeente? Weer wordt
Gods wijsheid gerechtvaardigd, dat is, als juist en terecht erkend door zijn
kinderen; die wijsheid van God dat Hij deze dingen doet uit genade alleen, en
niet op grond van verdienste of menselijke waardigheid.
Zelfs ons geloof en onze
geloofsbelijdenis kunnen daar niet de grond voor zijn.
Deze wijsheid van het Evangelie van
genade alleen strijdt met wat veel mensen in hun eigenwijsheid als alléén maar aanvaardbaar achten. Laten we bijvoorbeeld eens
even denken aan wat de Remonstranten indertijd leerden (en je komt het vandaag
nog in allerlei kringen tegen, of ze zich nu Evangelisch of Gereformeerd noemen).
Die Remonstranten zeiden (je kunt het nalezen in de Dordtse Leerregels, Verw.der Dw.I,3,5,9), dat God de
daad van het geloof als voorwaarde voor behoud heeft uitgekozen, en dat,
wanneer tot sommigen de blijde boodschap van het Evangelie komt en tot anderen
niet, de reden daarvan is dat de één beter is en er daarom meer recht op heeft
(en het dus meer waardig is) dan de ander.
We mogen wel oppassen, gemeente,
dat wij ons niet door deze wereldse wijsheid, die meestal door de meerderheid
van de mensen wordt aangehangen, laten inpalmen. Laten we toch nooit de indruk
wekken alsof wij beter zouden zijn dan anderen; en laten we toch nooit enige
verhindering veroorzaken voor het uitgaan van Gods ontferming naar hen die zijn
genade en barmhartigheid nodig hebben. Want ook wij zijn geroepen om als Gods
leerlingen, zijn discipelen, de wijsheid van God te rechtvaardigen, de
juistheid daarvan in onze manier van leven en in ons spreken te tonen.
Nu kan het best zijn dat wij niet zo dwaas zijn als de meerderheid
van de mensen die zich laten leiden door wat algemeen als wijsheid wordt
gezien, maar dat wij inderdaad horen bij wat toch meestal maar een minderheid
is, zij die gewoon zijn om naar Gods Woord te luisteren; en dat we tóch
aanstoot nemen aan Gods wijsheid, dat we er ons toch aan ergeren. We lezen
namelijk in vers 18 en wat daar verder volgt, dat de discipelen van Johannes de
Doper al deze gebeurtenissen aan hem rapporteerden. Toen zond hij twee van hen
naar de Heer met de vraag: Bent u het die komen zou, of hebben we een ander te
verwachten?
Het lijkt er op dat Johannes de
Doper er aan begon te twijfelen of wat hij zelf gepreekt had toch wel echt waar
was. Hij had immers zelf Jezus aangewezen als de beloofde Messias. Hoe komt hij
er anders bij om deze vraag te stellen: bent u het, of moeten we naar iemand
anders uitzien? Gelooft Johannes de Doper soms niet meer in Jezus als de
Christus? O nee! Uit het antwoord van de Heer blijkt duidelijk dat Johannes
niet was gaan twijfelen, maar dat hij zich was gaan ergeren, dat hij ergens
aanstoot aan nam.
Johannes stelde maar niet een vraag
waarop hij het antwoord niet meer wist, maar hij uitte kritiek! Wat moet dat
hebben bijgedragen aan Jezus' lijden, dat Jezus dit moest constateren, zoals
blijkt uit zijn antwoord: "zalig is wie aan Mij geen aanstoot neemt".
Maar waaraan ergerde Johannes de
Doper zich dan? Hij stootte zich aan het feit dat de Heer al zijn aandacht
concentreerde op het genezen van zieken, op werken van barmhartigheid dus.
En waarom stootte hij zich daar
aan? Soms om de zelfde reden als de Farizeeën zich daar aan ergerden? Nee, dat
niet! De Farizeeën ergerden zich omdat Jezus zich helemaal niet bekommerde om
hun verdiensten en hun waardigheid, maar juist omgang zocht met mensen die het
niet verdienden, die het niet waard waren.
Nee, dat was zeker niet de reden
bij Johannes. Ook hij geloofde dat we alleen door genade, zonder het waard te
zijn, behouden kunnen worden. Nee, maar Johannes stootte zich er aan dat Jezus
zo heel anders optrad dan hij het verwacht had. Zijn prediking was toch geweest
dat elke boom die geen vruchten droeg die aan bekering beantwoordden zou worden
omgehouwen, ja, dat de bijl al aan de wortels van die bomen lag? Natuurlijk was
Johannes het er mee eens dat Gods genade verkondigd moest worden. Maar niet ten
koste van de prediking van Gods oordeel; dát moest in
de eerste plaats beklemtoond worden. Zoals dat in onze tijd bijvoorbeeld gedaan
wordt door veel zo genoemde Azware@ dominees.
Jezus was volgens Johannes veel te
geduldig, en niet streng genoeg. De Messias zou toch immers dopen met vuur?
Zijn komst zou toch het begin van een nieuwe periode in de geschiedenis
betekenen? Hij zou toch een scheiding teweeg gaan brengen onder de mensen, in
overeenstemming met Johannes' profetie dat Hij komen zou om het koren te
scheiden van het kaf, de dorsvloer te reinigen, het kaf met vuur te verbranden,
en het koren in zijn schuur te vergaderen?
En inderdaad, gemeente, dit wás de boodschap die Johannes de Doper gepredikt had, en
terecht zo. En dus zijn we eigenlijk allemaal nieuwsgierig om het antwoord van
de Heer op deze kritiek te weten. Hoe zal de Heer hier op reageren?
Nu, dat zien we in de verzen 22 en
vervolgens. Juist op dat moment was Jezus bezig velen van hun ziekten en plagen
te genezen. Toen gaf Hij dit antwoord mee aan de discipelen van Johannes: Ga
heen en vertel Johannes wat je gezien en gehoord hebt: blinden worden weer
ziende, lammen lopen weer, melaatsen worden gereinigd, doven kunnen weer horen,
doden worden opgewekt, en de blijde boodschap van het Evangelie wordt
verkondigd aan hen die arm zijn. “En zalig is wie aan Mij geen aanstoot neemt”.
Ja, maar wat is nu de betekenis van
dit antwoord? Dit waren toch juist dezelfde dingen waar Johannes zich aan had
gestoten? Wat voor zin heeft een antwoord als dit?
Wat voor zin? Dit antwoord toont de
wijsheid van God dat juist op deze manier de profetieën van Johannes de Doper
worden vervuld. Juist op deze manier wordt er een nieuwe periode in de
geschiedenis begonnen. Het aangename Jaar van onze Verbondsgod wordt
geproclameerd, het grote Jubeljaar. Juist op deze manier wordt het koren
vergaderd in de schuur, en gaat het zichtbaar worden wie er bij het koren
horen, en wie bij het kaf. Zalig zijn wie zich aan deze prediking niet stoten;
juist zij zullen vergaderd worden in de schuur van de Heer.
Wat Johannes de Doper betreft, we
mogen aannemen dat die was beďnvloed door zijn eigen discipelen. En die waren
op hun beurt misleid door de listige Farizeeën.
In hoofdstuk 5 heeft Lucas namelijk
al verteld dat de Farizeeën, wat de praktijk van het vasten betrof, in hun
kritiek op de discipelen van Jezus, hun eigen discipelen vergeleken met de
discipelen van Johannes de Doper. De Farizeeën konden het namelijk niet
uitstaan dat Jezus at met belastinginners en andere zondaars.
Nu hadden de discipelen van
Johannes dáár geen moeite mee, maar wél, dat Hij dit
deed op een Vastendag. Toen probeerden de Farizeeën dáármee
de discipelen van Johannes de Doper tegen Jezus in te nemen. Want de Heer Jezus
moest en zou in elk geval ongelijk hebben.
Kijk, daarom vergelijkt onze Heer
dat geslacht met kinderen die maar niet hun zin kunnen krijgen. Toen Johannes
de Doper vastte, vanwege de ernst van de tijd vlak voor de komst van de
beloofde Christus, toen deugde daar niets van in de ogen van de Farizeeën. En
toen de Messias kwam, in de persoon van Jezus, en Hij niet vastte, toen was ook
dat niet goed in hun ogen.
Weet u, als wij vasten, dan bedoel
ik daar bijvoorbeeld in de eerste plaats mee dat we niet meedoen met wat in onze
tijd algemeen aanvaardbaar wordt geacht, vrije seks, samenwonen zonder te
trouwen, de hele dag onze kinderen Tv laten kijken, of zelf de hele avond voor
de buis zitten. En in de tweede maar niet de laatste plaats bedoel ik met
vasten dat we ons geld verstandig uitgeven, niet alleen door het niet aan
slechte dingen te besteden, maar door het, omdat we onze prioriteiten kennen,
ook liever te gebruiken voor zoveel nood die te lenigen is, en zoveel goede
doelen die onze steun nodig hebben.
Als wij zo vasten, dan wordt er
vaak meewarig om gedaan; zo van, die mogen daar ook niks! Maar dan mogen wij
weten dat de wijsheid van God door haar kinderen gerechtvaardigd wordt, dus de
juiste blijkt te zijn, juist wanneer we in onze levensstijl laten zien dat we
alleen maar echt kunnen leven door het reinigende bloed van onze Verlosser.
Dat is dan de reden waarom wij
vasten door niet mee te doen met dingen die in strijd zijn met dat reinigende
bloed van Christus, of die ons in elk geval niet helpen in het spreken met anderen
over zijn lijden en dood, en in het zelf leven uit de betekenis daarvan.
Wie het houden met de dwaasheid van
deze wereld begrijpen niets van deze wijsheid van God. Maar voordat we onszelf
bij die dwaasheid vergeleken gaan schoon praten, laten we maar goed bedenken
dat het mogelijk is dat ook wij ons stoten aan de Christelijke levensstijl die
Jezus ons heeft geleerd. Het kan zo maar gebeuren dat het feit dat we immers
maar zo'n kleine minderheid vormen ons doet vergeten dat het Gods wijsheid is
de wereld lief te hebben, Zijn hele schepping. Het is dan ook niet zo dat Hij
ons lief heeft omdat wij maar zo klein in getal en toch zo trouw zijn. God
heeft ons lief op grond van Zijn barmhartigheid die Hij doet uitgaan tot allen
die Hij Zijn genade bewijzen wil.
Wees daarom niet dwaas zoals velen
in de wereld om ons heen dwaas zijn, maar tegelijk, neem ook geen aanstoot aan
Gods barmhartigheid wanneer die nog naar velen in die wereld uitgaat.
Nee, in plaats daarvan,
rechtvaardig Gods wijsheid, toon hoe goed die is, als echte leerlingen van de
Leraar van die wijsheid; toon het in uw levensstijl wat het betekent verlost te
zijn door het bloed van Christus, door genade alleen, en dat u getuigen bent
van die genade, bewogen en gedreven door dezelfde barmhartigheid die onze Heer
bewoog toen Hij op aarde was.
AMEN