PREKENBOEKENPLANK  

 

PREKEN OVER ROMEINEN

 

Serie van negen preken over Paulus’ brief aan de kerk te Rome. Ze gaan over de volgende gedeelten uit Romeinen:

 

1  Romeinen 1 : 16

2  Romeinen 2 : 1

3  Romeinen 3 : 1–4a, 29–31

4  Romeinen 6 : 3–4

5  Romeinen 9 : 3-8, 24

6  Romeinen 11 : 1-10

7  Romeinen 11 : 11-24

8  Romeinen 11 : 25-36

9  Romeinen 12 : 1-8

 

 

 

1

 

De eerste van de negen heeft als tekst Romeinen 1:16. Voor de orde van eredienst worden hier enkele suggesties vermeld. De psalmen en gezangen zijn uit het Gereformeerd Kerkboek.

SCHRIFTLEZING: Romeinen 1:1-16; 15:14-33; 16:17-20

Aanvangslied: Psalm 65:1

Na de Tien Woorden: Psalm 65:2

Na Schriftlezing: Psalm 67:1,2

Na de preek: Psalm 27:1,2

Slotzang: Gezang 108

 

Geliefde gemeente van onze Heer Jezus Christus,

 

Wat zou dat erg zijn: een dominee die zich schaamt voor de blijde boodschap die hij geroepen is te verkondigen. Of stel u voor dat de hele gemeente te bang zou zijn om haar licht te laten schijnen en daarom wat ze gelooft aangaande Gods verlossingswerk voor zichzelf zou houden. Weet u waarom dat vooral zo erg zou zijn? Omdat, zoals we dat lezen in het tweede deel van vers 16, "het is Gods reddende kracht voor allen die geloven, voor Joden in de eerste plaats, maar ook voor andere volken", voor allerlei mensen dus. Nu, stel u voor dat we uit bangheid aan die reddende kracht van God beperkingen zouden gaan stellen, dat we uit bangheid of uit schaamte aan andere mensen die reddende kracht zouden onthouden, die voor onszelf zouden houden.

Toch moet er voor de apostel Paulus wel aanleiding zijn geweest om met zoveel nadruk in onze tekst te zeggen, dat hij zich het evangelie niet schaamt, dat hij er niet voor terugschrikt om de blijde boodschap overal en aan iedereen te laten horen.

En dus verkondig ik u vanmorgen DE REDDENDE KRACHT VAN GOD VOOR ALLEN DIE GELOVEN, WAAR MEN ZICH DAN OOK NIET VOOR HOEFT TE SCHAMEN.

In verband daarmee letten we op drie dingen:

1. WAAROM PAULUS NOG NIET NAAR ROME GEKOMEN WAS

2. WAT HIJ VAN PLAN IS IN ROME TE GAAN DOEN

3. WAARHEEN HIJ WIL GAAN NA ZIJN VERBLIJF IN ROME

 

1. Bij zijn uitleggen waarom hij nog niet eerder naar Rome gekomen was zegt Paulus met nadruk dat hij zich voor het evangelie niet schaamt. Dat is dus niet de reden dat hij nog geen bezoek aan Rome gebracht heeft.

Je krijgt hieruit de indruk dat er waren die dat wel suggereerden. Er kon ook best reden voor geweest zijn. De aanwezigheid van Joden werd in Rome niet erg op prijs gesteld. Nog maar acht jaren voordat de apostel deze brief schreef had keizer Claudius alle Joden uit Rome verbannen. Hoewel na zijn dood, inmiddels nu drie jaar geleden, dat weer ingetrokken was, dat betekent niet dat er in Rome geen discriminatie tegen Joden meer was.

Daar komt bij dat tegenstanders van Paulus allerlei laster verspreidden over hem. Zo blijkt uit deze brief dat ze ook de gelovigen in Rome probeerden te beïnvloeden (zie 3:8, 6:1, 16:17). Men kan ook nog wel gesuggereerd hebben dat de apostel Rome vermeed vanwege het immorele leven daar, dat hij die stad vol rovers en praktiserende homoseksuelen en doodslagers te barbaars vond om zich daarmee te besmetten of misschien wel zijn leven te riskeren.

Wat Paulus' tegenstanders ook beweerd mogen hebben, de apostel noemt het niet met zoveel woorden, maar hij vertelt heel eenvoudig de werkelijke reden voor het uitstel van zijn bezoek. In 1:13 schrijft hij: "U moest eens weten, broeders en zusters, hoe vaak ik me heb voorgenomen naar u toe te komen”. “Maar ik was tot nu toe steeds verhinderd "; en dan verder in vers15, dat hij toch  ook graag aan hen in Rome het evangelie wil verkondigen.

Toch is hier wel iets opmerkelijks. Het lijkt er namelijk op dat de apostel in hoofdstuk 15 een andere reden opgeeft waarom hij nog niet naar Rome gekomen is. Want daar schrijft hij (in 15:20 en 22), dat het hem niet gelukt was om hen te bezoeken, omdat hij er een eer in stelde het evangelie niet op plaatsen te verkondigen waar Christus al bekend was. Daar lijkt de reden dus te zijn, dat er al een gemeente was in Rome.

Dan vraag je je direct ook af: wanneer werd die gemeente in Rome dan gesticht, en door wie? En natuurlijk is er dan ook de vraag: wat precies heeft Paulus verhinderd om ook in Rome het evangelie te verkondigen? Enerzijds is hij bereid om ook aan de gelovigen daar het evangelie te brengen. Maar anderzijds wilde hij het evangelie niet verkondigen waar Christus' naam al bekend was.

Om uit te vinden hoe dat zit moeten we even aandacht geven aan Paulus' zendingsreizen, die velen van ons wel zullen hebben geleerd, op school of op catechisatie. Paulus' 1e zendingsreis is beschreven in Handelingen 13 en 14 en was vrij kort, en over gaan naar Rome wordt daar niet gesproken. Bij zijn 2e zendingsreis wordt ons echter verteld, in Handelingen 16:6,7, dat de Heilige Geest Paulus verhinderde in Westelijke richting te reizen, naar een havenstad vanwaar hij naar Rome had kunnen gaan; maar dat hij en zijn reisgenoten in plaats daarvan naar Macedonië en Griekenland werden gestuurd. Via Tessalonica, Berea en Athene ging Paulus naar Korinte om daar een schip te vinden, waarschijnlijk om nu de reis naar Rome te gaan maken. Maar wat gebeurde er, zo lezen we in Handelingen 18. Hij ontmoet daar een Joods echtpaar, Aquila en Priscilla, die zojuist uit Italië zijn aangekomen; en die vertellen hem dat keizer Claudius alle Joden bevolen heeft Rome te verlaten. Kijk, die verbanning van de Joden uit Rome was dus een reden voor Paulus om in Korinte te blijven; en anderhalf jaar later ging hij vandaar via Efeze en Syrië terug naar Jeruzalem.

Dan volgt Paulus' 3e zendingsreis, waarbij hij eerst meer dan 2 jaar in Efeze preekte, en daarna, zoals we lezen in Handelingen 19:21, "vatte Paulus het plan op om eerst nog naar Macedonië en Achaje (dat is Griekenland) te reizen en vervolgens naar Jeruzalem te gaan. Hij verklaarde: ‘Als ik daar ben geweest, moet ik ook een bezoek aan Rome brengen'". Gedurende die reis bezocht Paulus ook Korinte weer, vanwaar hij deze brief aan de Romeinen geschreven heeft (in het jaar 57), ongeveer 3 jaar nadat Rome weer open was voor Joden.

Nu, weet u wat uit dit alles blijkt? Hieruit blijkt, dat er geen reden meer was voor een zendingsreis naar Rome. Immers, op een of andere manier was de naam van Christus al bekend geworden in Rome. Inmiddels bevonden zich daar zowel joodse alsook oorspronkelijk heidense Christenen. Uit hoofdstuk 16 blijkt dat die daar samenkwamen als huisgemeenten (zie hoofdstuk 16:5,10,11,14,15).

Nu kan het dus duidelijk zijn waarom Paulus niet eerder naar Rome is gegaan. Eerst liet de Heilige Geest hem zijn zendingswerk in het Oostelijke deel van het Romeinse rijk af maken; en terwijl Paulus daar nog mee bezig was zorgde de Heilige Geest buiten Paulus om er zelf al voor dat Paulus later in Rome een uitvalsbasis zou aantreffen vanwaar hij zijn zendingswerk zou kunnen uitstrekken naar het Westen, met Spanje te beginnen.

Het was dus inderdaad niet zo dat de apostel zich het evangelie schamen zou, en dat hij bang was geworden. Nee, het was de Heilige Geest, die zelf de Goddelijke kracht van het evangelie is, die Paulus verhinderde als eerste in Rome het evangelie te brengen. De Heilige Geest was zelf al begonnen de kerk in Rome te vergaderen door daar gelovigen bij elkaar te brengen, nadat de verbanning van de Joden door keizer Claudius was ongedaan gemaakt.

Gemeente, ziet u in dit alles de kracht van het evangelie aan het werk, hoe de Zoon van God zijn gemeente vergadert door zijn Woord en Geest, over de hele wereld? De apostel Paulus moest heel eenvoudig er op letten hoe de Heilige Geest aan het werk was, en zichzelf onderwerpen aan de leiding van de Heilige Geest. Nu, datzelfde geldt ook voor ons, in onze tijd. Aan de ene kant, laten we ons toch nooit voor het evangelie schamen, en ons nooit door vrees laten leiden. En aan de andere kant, laten we ook niet zelf bepalen hoe het evangelie gepredikt en de kerk vergaderd moet worden, naar onze eigen maatstaven.

Wat een troost en wat een bemoediging: de Heilige Geest zelf zorgt er voor, want Hij zelf is de reddende kracht van God in het Evangelie dat we mogen verkondigen. En dat is de Heilige Geest voor ieder die gelooft.

 

2. We gaan nu in de tweede plaats zien wat Paulus van plan is in Rome te gaan doen wanneer het tenslotte zo ver is dat hij de gelovigen daar bezoeken gaat; en ook hoe de apostel op die manier het laat zien dat hij zich niet voor het evangelie schaamt.

Dan moeten we wel weten in wat voor situatie de gelovigen in Rome zich bevonden. De meesten waren joodse immigranten die nog maar pas, gedurende de laatste 2 of 3 jaren nadat de keizer daarvoor weer toestemming gegeven had, zich in Rome gevestigd hadden. Datzelfde geldt natuurlijk ook van de leden van de synagoge; maar onder de Christenen waren er ook een aantal oorspronkelijk heidenen die in de Heer Jezus waren gaan geloven.

Het was dus nog maar sinds kort dat daar Christenen waren; uit hoofdstuk 1:8 blijkt dat het nog nieuws was: in de hele wereld werd van hun geloof gesproken (cf. 1 Tessalonicenzen 1:8). Paulus is er heel dankbaar voor dat er nu ook gelovigen in Rome zijn; we lezen in 1:8-11 dat hij God daarvoor dankt, voor hen blijft bidden, en er ook om bidt dat God hem eindelijk de gelegenheid zal geven om hen op te zoeken. En waarom verlangt Paulus daar naar? Dat zegt hij in vers 11: "om u te laten delen in een geestelijke gave, om u te sterken". Kennelijk hadden ze daar behoefte aan, versterkt te worden, en dus kan de vraag gesteld worden: was er dan een bepaalde zwakheid bij hen?

Nu blijkt inderdaad uit deze brief dat er zwakheden waren. Uit Paulus' uiteenzetting dat we alleen voor God rechtvaardig zijn door het geloof, en ook uit het feit dat hij de leer van de rechtvaardigmaking door het geloof moest verdedigen tegenover mensen die van hem lasterden dat zijn leer het wel makkelijk maakte om maar in zonden te blijven leven (zie 3:8, 6:1,15), daaruit blijkt dat de gelovigen in Rome niet alert genoeg waren om die kwaadsprekers te doorzien en af te wijzen. Aan het eind van zijn brief, in 16:17vv, moet de apostel hen nog weer vermanen hun ogen daarvoor open te hebben en die lui te vermijden.

Verder kunnen we uit hoofdstuk 8, waar Paulus spreekt over het lijden van de hele schepping, afleiden dat ze hun eigen lijden daarmee niet in verband zagen. Ze waren kennelijk zo met zichzelf begaan, dat ze daardoor geen oog hadden voor wat Gods verlossingswerk betekent voor Zijn schepping.

Ook blijkt uit hoofdstuk 12 dat er wel het een en ander ontbrak in de gemeenschap der heiligen, hun samen leven als leden van het ene lichaam van Christus. Er was het gevaar van een zeker individualisme, en van een zekere onverschilligheid ten aanzien van toch door God zelf gewilde organisatievormen in deze wereld, bijvoorbeeld hoe de kerk moet worden geïnstitueerd (hoofdstuk 12), en het instituut van de overheid (hoofdstuk 13). Hun individualisme (het ieder zo'n beetje zijn eigen gang gaan) bleek ook in hoe makkelijk ze elkaar veroordeelden in plaats van elkaar te aanvaarden. Bijna twee hoofdstukken zijn dan ook daaraan gewijd, de hoofdstukken 14 en 15.

Het lijkt er zelfs op dat de gelovigen uit de Joden en zij die eerst heidenen geweest waren zelfs niet samen vergaderden. Het is niet eens te merken of er eigenlijk al wel een geïnstitueerde kerk was in Rome. Dat zie je bijvoorbeeld aan de manier waarop Paulus deze brief aan hen adresseert in 1:7: "Aan allen in Rome, geliefden van God, geroepen om zijn heiligen te zijn". Want gewoonlijk formuleerde hij het anders, zo bijvoorbeeld: "aan de gemeente van God in Korinte", of, "aan alle heiligen in Filippi, die één zijn in Christus Jezus, en aan hun opzieners en dienaren", of, "aan de gemeente in Tessalonica". *)

Dit is in elk geval zeker, dat ze nog niet als geïnstitueerde plaatselijke gemeente van God de synagoge van de Joden met het Evangelie van Jezus Christus benaderd hadden. Dat blijkt namelijk uit Handelingen 28 (verzen 17-22), waar we lezen dat Paulus (twee jaar na het schrijven van deze brief) zelf in Rome aankomt. Al drie dagen nadat hij door zijn medegelovigen in Rome verwelkomd is, zo lezen we daar, gebeurde het "dat Paulus de voormannen van de Joden samen riep" en aan hen uitlegde dat hij als een gevangene naar Rome gevoerd was "om de hoop van Israël".

Nadat ze een bepaalde dag met hem hadden afgesproken, zo lezen we in Handelingen 28:23, kwamen ze weer bij hem, en probeerde hij "hen op grond van de Wet van Mozes en de Profeten voor Jezus te winnen”, van de vroege morgen tot de avond toe, met tenslotte dit resultaat, dat “sommigen zich lieten overtuigen door zijn woorden, maar anderen ongelovig bleven".

Dat Paulus toen de synagoge nog met het evangelie moest confronteren betekent dat de Christenen in Rome zich kennelijk voor het evangelie geschaamd hadden, of dat ze te bang waren geweest om de Joden van de synagoge de blijde boodschap te laten horen. En toch, dat blijkt wel uit het feit de leiders best bereid waren om met Paulus in discussie te gaan, de synagoge had toen nog niet definitief de Heer Jezus verworpen; want Jezus was nog niet eens echt aan hen verkondigd.

Kijk, ook dit verklaart dus waarom Paulus er zo de nadruk op legt dat we ons niet voor het evangelie moeten schamen, omdat het immers de reddende kracht van God is voor allen die geloven, voor Joden eerst, maar ook voor andere volken. De Christenen in Rome moesten het nog leren om ook anderen te benaderen, in dit geval ook om de mensen van de synagoge te tonen dat in Christus de wet en de profeten vervuld zijn, en om verder ook hun medeburgers en de overheid te confronteren met de proclamatie van Jezus' Koningschap.

Gemeente, realiseren we ons eigenlijk wel hoe krachtig de boodschap van het evangelie is? De kracht van God zelf werkt er in, een reddende kracht voor allen die geloven, wat hun etnische achtergrond ook mag zijn.

 

3. Dan zien we in de derde plaats waar Paulus, dank zij het feit dat hij zich niet schaamt voor het evangelie, na zijn verblijf in Rome naar toe wil gaan. In hoofdstuk 1:12 schreef hij dat hij er naar verlangde Rome te bezoeken, om door elkaars geloof bemoedigd te worden. We hebben al gezien waarom de gelovigen in Rome die bemoediging nodig hadden. Maar waarom heeft ook de apostel daaraan behoefte? Nu, dat blijkt uit wat hij schrijft aan het eind van zijn brief, in 15:24vv. Uit die verzen blijkt namelijk dat hij niet Rome, maar Spanje en daarmee West-Europa, beschouwt als zijn volgende zendingsveld.

Er is een keerpunt gekomen in Paulus' zendingswerk. Na het Oostelijke deel van het Romeinse rijk wil hij nu reizen naar het Westelijke deel daar van. Nu was het zo dat hij bij zijn werk in het Oosten voortdurend gehinderd werd door ongelovige Joden. Die probeerden steeds maar hem verdacht te maken bij de kerken en haar leden, niet alleen daar waar hij het evangelie bracht, maar ook in Jeruzalem (zie 15:31). De grote vraag is nu: hoe zal dat gaan nu hij zijn activiteiten op het Westen gaat richten? Daarvoor is nu heel belangrijk, dat er in Rome een gemeente is die achter hem staat, één met hem in het geloof, en hem dragend in hun voorbeden. Ziet u, ook daarom schrijft de apostel deze brief aan de gelovigen in Rome, met al die vermaningen om toch eensgezind te zijn, en met die ernstige waarschuwingen tegen de ideeën van Joodse zogenaamde Christenen die ook hen bedreigen, zoals blijkt uit 16:17vv.

Maar tegelijk kan deze brief ook beschouwd worden als een preekverslag, als een samenvatting van zijn prediking. Dit is namelijk de enige brief van Paulus waarin hij ons een systematisch overzicht van zijn prediking geeft. Zo heeft hij in het Oosten gepredikt; dit is wat hij ook in het Westen wil gaan verkondigen. Deze brief is maar niet een stukje interessante theologie; nee, het bevat de machtige evangelieboodschap waarin de gelovigen in Rome één moeten zijn, waarmee ze de leden van de Joodse synagoge moeten confronteren, en welk evangelie ze ook moeten brengen aan hun medeburgers in die zedeloze heidense stad. En zo zullen ze dan vanzelf ook de kracht ontvangen om de apostel Paulus te steunen in zijn zendingswerk in Spanje en West-Europa.

En kijk, gemeente, daar zit dan tegelijk ook de toepassing al in voor ons vandaag hier in Nederland en West-Europa. Paulus moest, 2 of 3 jaar nadat hij deze brief geschreven had, zelf als een gevangene naar Rome gebracht worden, onder andere om daar zowel de synagoge als ook allerlei overheidspersonen met het evangelie van Christus in aanraking te brengen en ze daarmee te confronteren. Alleen maar, dat had niet nodig moeten zijn! Dat hadden die gelovigen zelf al moeten doen. Zien we het dus goed in, gemeente, dat er nooit enige reden is om ons voor het evangelie te schamen, of bang te zijn het door onze woorden en daden bekend te laten worden dat we Christenen zijn? Het evangelie is toch immers een kracht van God, een reddende kracht, zo krachtig dat ieder die gelooft er door wordt gered?

 

AMEN

 

*) Alleen in zijn brieven aan de Efeziërs en aan de Kolossenzen ontbreekt in de adressering het woord gemeente of de vermelding van ambtsdragers ook; maar daar kan het verklaard worden uit het feit dat die brieven ook bestemd waren voor andere gelovigen en gemeenten.

 

AMEN

 

terug naar boven

 

2

 

De tweede van de negen heeft als tekst Romeinen 2:1. Voor de orde van eredienst worden hier enkele suggesties vermeld. De psalmen en gezangen zijn uit het Gereformeerd Kerkboek.

SCHRIFTLEZING: Romeinen 1:14-2:6

Aanvangslied: Psalm 19:1,3

Na de Tien Woorden: Psalm 19:4,6

Na Schriftlezing: Psalm 36:1,2

Na de preek: Gezang 106

Slotzang: Psalm 96:5,7,8

 

Geliefde gemeente van onze Heer Jezus Christus,

 

De apostel Paulus is zijn brief aan de christenen in Rome begonnen met te schrijven dat hij zich niet schaamt voor het evangelie. Hij legt daar vooral zo de nadruk op om hen te laten weten dat het niet uit bangheid was dat hij nog niet eerder naar Rome gekomen was. Misschien dachten sommigen dat hij bang was er te komen vanwege het immorele leven in die stad, of ook vanwege de Jodenhaat in die stad. Maar uit vers 15 is integendeel duidelijk genoeg dat Paulus heel wel bereid was om ook in Rome het evangelie te verkondigen.

Het is wel goed dat we ons realiseren wat voor een stad Rome in die tijd was, hoe die maatschappij er toen uitzag. Het was een heel grote stad, met een bevolking van wel een miljoen mensen. Er waren allerlei etnische groeperingen die van over de hele wereld daar binnen gekomen waren; en zo waren er ook, voordat keizer Claudius de Joden uit Rome verbannen had, zo ongeveer 30.000 tot 40.000 Joden in Rome woonachtig.

Je zou het leven in die grote stad best kunnen vergelijken met dat in steden als New York of San Francisco, of dichterbij, als in Rotterdam of Amsterdam. Je kwam er ook allerlei godsdiensten tegen, en, helaas, het was in bepaalde wijken, maar daar niet alleen, ook een samenraapsel van misdaad en immoraliteit. In de havenstad Korinte waar Paulus verbleef toen hij deze brief schreef was het peil ook niet al te best, en het kan zeker vergeleken worden met hoe het er in onze tijd in onze steden toegaat, zoals Rotterdam en Dordrecht; trouwens, ook een dorp als bijvoorbeeld Sliedrecht is er echt niet vrij van.

Daarom is het goed dat we ons realiseren dat als je in een dergelijke omgeving leeft en je kinderen te midden daarvan moeten opgroeien, het een mens bang kan maken, zodat je er toch maar liever niet openlijk voor uitkomt dat je gelooft in de God van de Bijbel, en dat je je mond houdt over de boodschap van het evangelie. Het is dan veel makkelijker om je maar een beetje afzijdig te houden, en die boze wereld maar aan zichzelf over te laten. Tenslotte is het toch zo, zoals Paulus het zegt in hoofdstuk 1:18, dat de toorn van God zich vanuit de hemel openbaart over al het kwaad en onrecht van hen die met hun onrechtvaardigheid de waarheid geweld aandoen. Verdienen zulke steden het dus niet, als ze bijvoorbeeld door een aardbeving worden verwoest: heidense of verheidenste steden als San Francisco, en Los Angelos, en Kobe?

Maar nu moeten we niet over het hoofd zien hoe Paulus, nadat hij die vreselijke tekening gegeven heeft van al die goddeloosheid, en de oorzaken daarvan, in onze tekst, in 2:1, zo verder gaat dat hij tot de lezers van zijn brief zegt: "Natuurlijk, u veroordeelt dit alles. Maar u bent evenmin te verontschuldigen. Het oordeel dat u over anderen velt, velt u over uzelf, want de dingen die u veroordeelt, doet u zelf ook ".

Nu, je vraagt je wel af als je dat hoort: hoe komt Paulus er toch bij om dat te zeggen? U weet, de apostel schrijft dit wel in de eerste plaats aan de Christenen in Rome, waarvan een deel geboren Joden waren; maar het geldt natuurlijk ook ons, wij die vandaag zijn brief lezen. Laten we het maar erkennen dat wij geneigd zijn om onze veroordeling uit te spreken over die boze wereld om ons heen, en om maar een beetje, of liever zo ver mogelijk uit de buurt te blijven van die mensen met hun wereldse vermaak en pleziertjes. En is het niet waar, we moeten toch gewaarschuwd worden tegen de losse zeden van deze wereld, hun misbruik van drugs en hun seksuele losbandigheid, en hun slechte muziek en films en shows?

Ja ja, maar de vraag is wel hoe, en waarom!!

Er is uiteraard een goede Christelijke of Bijbelse reden om onszelf rein te houden van de goddeloosheid en de slechtheid die Paulus in Romeinen 1 beschreven heeft, en die we ook in de maatschappij van vandaag overal om ons heen zien. We zijn inderdaad vreemdelingen in deze wereld. Hoewel we in de wereld leven, we zijn niet van de wereld, we kunnen ons niet echt in deze heidense of verheidenste wereld thuis voelen.

Nu was in Rome de situatie inderdaad zo dat de Joden, zoals ze dat eigenlijk overal gewend waren, zich in de maatschappij apart hielden. Ze woonden bijna allemaal rondom hun eigen synagoge, en in verband met die synagoge organiseerden ze zowel hun godsdienstige alsook hun culturele activiteiten. Het is vandaag op veel plaatsen nog zo.

Maar hoe was dit nu bij de Christenen in Rome? Een groot deel van hen bestond uit Joden van geboorte, en dat waren bovendien ook nog maar kort geleden binnengekomen immigranten. Kwamen zij ook nog wel eens uit hun geïsoleerde positie om anderen in die stad te benaderen met het evangelie, zodat die ook de boodschap van verlossing zouden leren kennen en geloven? Het is immers ook om ze daartoe op te wekken en moed in te spreken dat de apostel direct aan het begin van zijn brief er zo de nadruk op legt dat hij niet bang is en zich het evangelie niet schaamt. En hoe komt dat dan, dat hij niet bang is, en niet te verlegen? Is dat misschien omdat hij, als het er op aan komt, zichzelf zo anders en beter beschouwde dan al die slechte mensen in Rome, dat hij wist dat hij toch niet vaker met hen in contact zou komen dan strikt noodzakelijk was? Was hij misschien daarom niet bang omdat hij natuurlijk binnen de kring van zijn eigen mensen zou blijven? Met andere woorden, en dat zijn de woorden in onze tekst, zou hij daarom niet bang zijn en zich niet schamen voor het evangelie, omdat hij wist dat hij over die anderen zijn veroordelend oordeel kon laten gaan? Paulus was toch immers zelf al begonnen te zeggen, dat de toorn van God zich vanuit de hemel openbaart over al hun kwaad en ongerechtigheid?

Ja, gemeente, is dat niet de eerste indruk die je krijgt als je Paulus' beschrijving leest van de verschrikkelijke zonden die deze maatschappij kenmerkten, dat de apostel daarmee zijn oordeel uitspreekt over die zedeloze wereldse mensen met hun afschuwelijke zonden? Je hoeft alleen maar te kijken naar dat zondenregister, over hun afgoderij en hun seksuele lusten, hun zich uitleven in lesbianisme en homoseksualisme, die georganiseerde beweging van gays in Rome, en de georganiseerde misdaad daar, heel hun verwerpelijke manier van denken en doen.

Inderdaad, alles wat Paulus daarover schrijft in hoofdstuk 1 lijkt genoeg materiaal te bevatten voor een lange serie preken waarin over dergelijke zondige praktijken en afdwalingen in onze hedendaagse maatschappij een oordeel kan worden uitgesproken. Dit hoofdstuk  zou dus een goede mogelijkheid geven om ons te waarschuwen, en in het bijzonder onze jeugd, om zich ver te houden van drugs en allerlei films en zoveel meer wereldse dingen, en om maar zo ver mogelijk uit de buurt te blijven van lui die zulke dingen doen.

Niet waar? Ja, alleen maar, waarom trekt Paulus die conclusie dan niet aan het einde van dat afschuwelijke zondenregister in die heidense maatschappij zoals die welig tierde in steden als Korinte en Rome, en niet minder vandaag in onze steden en dorpen? O ja, er volgt inderdaad wel een ernstige waarschuwing na het laatste vers van hoofdstuk 1; maar wat houdt die waarschuwing dan wel in?

Het is juist die ernstige waarschuwing die we lezen in onze tekst, de waarschuwing dat niemand, wie het ook maar is, een Jood of een Christen, of het nu een Christen is van Joodse of van heidense achtergrond, dat ook niemand hier in de kerk of in welke andere kerk ook maar een oordeel mag uitspreken over die anderen, omdat we, als we dat zouden doen, onszelf zouden veroordelen.

Misschien is iemand geneigd te vragen: maar heeft Paulus dan geen oordeel uitgesproken door de manier waarop hij dat alles beschreven heeft in het 1e hoofdstuk ? Maar dan moeten we er eens goed op letten waarom en met welk doel hij daarover op die manier geschreven heeft.

In hoofdstuk 2:3 stelt Paulus aan zijn lezers de vraag: "Denkt u soms dat u, die zelf doet wat u in anderen veroordeelt, de straf van God kunt ontlopen?" Kijk, uit dit vers blijkt waar het Paulus in zijn prediking om gaat. Paulus predikt maar niet Gods oordeel over de zonden; nee, maar hij verkondigt hoe we aan Gods oordeel kunnen ontkomen! Met andere woorden, Paulus is geen zedenprediker; hij is een verkondiger van heil, van verlossing; hij brengt de blijde boodschap van hoe we Gods oordeel kunnen ontgaan!

Kijk, dat is dan ook de reden waarom Paulus die ernstige waarschuwing geeft, aan ons die van nature helemaal niet anders zijn dan andere mensen: dat we niet te verontschuldigen zijn als we anderen veroordelen. En dat blijkt niet alleen uit wat we lezen na onze tekst, maar ook uit het gedeelte er voor. Laten we maar weer even teruggaan naar hoofdstuk 1:18, over de toorn van God.

Ook daar is duidelijk dat de apostel maar niet simpelweg Gods toorn over al die goddeloosheid proclameert. De reden waarom Paulus hier spreekt over Gods toorn is dat hij duidelijk wil maken waarom hij zich niet schaamt het evangelie ook te verkondigen in die immorele stad Rome. Waarom dan niet? Omdat het een reddende kracht van God is. Een kracht tot behoud! Behoud waarvan? Behoud van die toorn van God die zich van de hemel openbaart!

Ziet u dat? Dit is dus zijn thema, zijn boodschap en zijn onderwijs aan de Christenen in Rome aangaande hun roeping in die inderdaad immorele stad Rome. Wanneer God zelf zijn toorn vanuit de hemel openbaart, in Zijn daden van oordeel als bijvoorbeeld ziekten en overstromingen en aardbevingen en groeiende onveiligheid, dan is het de roeping van de gelovigen om alle zondaren die ze daarmee bereiken kunnen, wie het ook zijn, met de blijde boodschap van het evangelie te laten zien en horen hoe we Gods oordeel kunnen ontgaan, hoe we gered kunnen worden van de toorn van God. Ja, zo groot is die kracht van God tot behoud; want Gods barmhartigheid overwint toch altijd weer het oordeel (Jacobus 2:13).

En dus is het nu maar de vraag of de Christenen in Rome, en wij hier in de kerk, inderdaad doen naar dit onderwijs van Paulus. Want, zo lezen we in onze tekst, zo nee, dan zijn we niet te verontschuldigen. We hebben dan geen excuus, zegt de apostel daar, omdat wie oordelen dezelfde dingen doen.

Nou wacht even! Is dat werkelijk zo? Bedoelt Paulus hier echt te zeggen  dat wij dan afgodendienaars zijn, en seksmaniakken, of praktiserende homoseksuelen, of moordenaars (ook schuldig aan Auszwitsch bijvoorbeeld), en haters van God, en aan wat er nog meer vermeld staat in dat eerste hoofdstuk ? Ja, maar dat kan toch niet!

O nee? Dan moeten we nog maar eens opnieuw kijken naar hoofdstuk 1:18vv. Daar worden twee dingen genoemd die de toorn van God opwekken. Het eerste is 'al het kwaad van hen die de waarheid geweld aandoen’, een godsdienstige zonde zoals afgoderij. Het tweede is hun 'onrecht' bedrijven, een ethische zonde: immorele handelingen. In de verzen 19-23 spreekt Paulus dan eerst over de godsdienstige zonde van de mensen waarin ze afgoderij bedrijven. Daar begint het mee. Maar de consequentie van het dienen van valse goden die niet echt God zijn is, zo gaat de apostel verder in de verzen 24vv, dat God “daarom hen in hun lage begeerten heeft uitgeleverd aan zedeloosheid, waarmee ze hun lichaam onteren.

'Daarom', 'om die reden', Met andere woorden, de toorn van God over hun godsdienstige of religieuze afval van God komt uit in hun meer en meer immoreel handelen, waarin het kwaad als het ware zichzelf straft en de hele maatschappij doet afglijden in de vernieling, zodat zelfs hele landen en hele kerkgenootschappen er tenslotte aan kapot gaan.

Nu is het inderdaad waar dat alle mensen van nature slecht zijn; vanwege onze zondeval in Adam geldt dat van iedereen. Maar hier heeft de apostel het over mensen die door hun onrecht de waarheid geweld aandoen en onderdrukken. Hier gaat het dus over mensen die gevangen zijn in een vicieuze cirkel waaruit geen ontsnappen mogelijk lijkt te zijn. Hun godsdienstige of religieuze afval bestaat hierin, dat ze hun oorspronkelijke kennis van de Schepper en van de beloofde Verlosser hebben ingeruild voor religieuze leugens. Het is dan ook daarom dat God hen heeft overgegeven in de macht van hun eigen slechte begeerten; en wat doen ze nu? Door hun onrecht bedrijven drukken ze Gods openbaring van Zichzelf als de Schepper en Verlosser nog weer verder weg uit hun leven en uit dat van de maatschappij waartoe ze behoren.

Ziet u dat? Dit is dus Gods oordeel over hun godsdienstige afval en ongeloof, dat ze zich hebben laten vangen in die vicieuze cirkel die onvermijdelijk leidt tot hun eeuwige dood en ondergang. Tenminste, tenzij er een godsdienstige verandering komt, bekering en vernieuwing die hierin bestaat dat ze weer in de ware God gaan geloven en zo gered worden uit hun eeuwige ondergang en dood.

Begrijpt u nu, gemeente, waarom Paulus ons in hoofdstuk 1 dat beeld geschetst heeft van die in zonde verzonken maatschappij? Niet opdat we die mensen zouden gaan veroordelen, om tegen elkaar te kunnen zeggen: wat een slechte mensen toch. Nee, de apostel wil dat we zo onder de indruk komen van de diepe en vreselijke ellende van de zonde en van Gods oordeel daarover, dat we beseffen dat alleen God zelf hen redden kan, zoals Hij ook ons heeft willen verlossen; en dat God ook wil dat ze net als wij de boodschap van heil en verlossing te horen krijgen.

Dat is dus de reden dat Paulus zegt in onze tekst: "Maar u bent evenmin te verontschuldigen. Het oordeel dat u over anderen velt, velt u over uzelf, want de dingen die u veroordeelt doet u zelf ook".

De apostel zegt dit in de eerste plaats aan het adres van de gelovigen om hen te waarschuwen tegen die hoogmoedige houding van het veroordelen van anderen. Maar tegelijk heeft hij ook allerlei nog fatsoenlijke mensen in die goddeloze maatschappij op het oog. Ook daar zijn heus nog wel een aantal mensen die niets hebben moeten van al die immorele dingen die daar plaats vinden, en die daar tegen protesteren. Ook zulke mensen spreekt hij hier aan. Paulus bedoelt allen die veroordelend op al dat slechts neerkijken en daarover hun oordeel klaar hebben, of het gelovigen zijn of ongelovigen, of het nu heidenen of Joden of Christenen zijn.

Wat dacht u, er zijn ook heidenen of ongelovigen die er hoge ethische opvattingen op na houden, er zijn ook Joden en hier in Nederland bijvoorbeeld ook Moslims die niets hebben moeten van de wetteloosheid in onze geseculariseerde maatschappij. Een hoogstaand ethisch gedrag met een daarmee gepaard gaande veroordeling van hen die zich immoreel gedragen kun je bij allerlei mensen aantreffen. Maar wat is dan eigenlijk het verschil tussen hen, en kerkmensen die hetzelfde doen?

In dit opzicht zijn ze gelijk, dat ze een afschuw hebben en daarom zich afzijdig houden van allerlei veroordelenswaardige excessen van ongerechtigheid, maar dat ze hun ogen dicht hebben voor de oorzaak daarvan, zoals we die lezen in hoofdstuk 1:28. Want dat is tenslotte de oorzaak van al die ongerechtigheid, dat mensen "het beneden hun waardigheid achtten God te erkennen" in de dingen van deze wereld, in de wetenschap en in zaken doen, in het gezinsleven en in de politiek.

Ja, het is mogelijk dat ook gelovigen, zowel toen in Rome alsook nu in de kerk hier, zich zo schamen voor de slechte en immorele omgeving te midden waarvan we leven, dat we vergeten dat dezelfde vleselijke lusten, zondige begeerten, ook in ons eigen hart leven. Maar waar we ons dan werkelijk voor schamen is niet zozeer dat ook wij zulke zondige begeerten hebben, maar dan schamen we ons voor het evangelie dat zowel ons als anderen kan redden van de toorn van God die in dat alles zichtbaar is.

En nu kunnen we denk ik nog beter begrijpen wat de apostel bedoelt in onze tekst als hij daar zegt dat wie zijn oordeel klaar heeft over al die slechte mensen dezelfde dingen doet. Ja, het doet wel pijn om dit te moeten horen. Fatsoenlijke ongelovigen, en fatsoenlijke Joden en Moslims, en fatsoenlijke Christenen, is het werkelijk waar dat die allemaal precies dezelfde dingen doen? Dezelfde dingen als bijvoorbeeld ook de Nazi's deden in Auschwitz? Is dat echt zo?!

Ja, zegt onze tekst! Ja, ze doen allemaal dezelfde dingen, zolang ze God niet erkennen als de enige Schepper en Verlosser van het hele leven. En dat geldt ook van Christenen, als ze wel roemen in Jezus Christus als hun enige Verlosser, maar tegelijk door het daartoe te beperken en het voor zichzelf te houden in feite alle anderen veroordelen. Ze zijn misschien heel fatsoenlijke mensen, en toch doen ze dezelfde dingen als ze God niet erkennen zoals Hij werkelijk is, namelijk, zoals van Hem gezegd wordt in hoofdstuk 2:4, dat Hij de God is wiens goedheid ons tot inkeer wil brengen. Ja, dus ook ons!

Paulus schreef deze brief aan de gelovigen in Rome ook met het oog op de voorbereidingen voor zijn zendingsreis naar Spanje en West-Europa. Hij schreef het 1e hoofdstuk dus niet opdat die Christenen, en ook wij vandaag, zouden zeggen: sjonge jonge, wat een boze wereld toch waar we vandaag in leven, laten we ons er maar zo ver mogelijk uit terug trekken en er zo weinig mogelijk mee te maken willen hebben.

O nee, de apostel schreef deze brief, ook het 1e hoofdstuk  daarvan, opdat we in die wereld onze plaats innemen, en bereid zijn en ons klaar maken om in die wereld er op uit te gaan, zonder ons voor het evangelie te schamen. Immers, dank zij Jezus Christus en Zijn Heilige Geest is het een reddende kracht van God voor allen die geloven; een reddende kracht voor drugverslaafden en seksmaniakken, tot behoud voor leiders aan Aids en voor filmsterren, voor professors en dominees en dronkaards, voor hoeren en moordenaars en catechisanten, ja, zoals een dichter (Gerrit Achterberg) het eens zei: een kracht tot behoud "voor dieven, hoeren, honden, moordenaars altemaal, --- en mijzelve in het bizonder".

Want ja, Gods barmhartigheid overwint het oordeel.

 

AMEN

 

terug naar boven

 

3

 

De derde van de negen heeft als tekst Romeinen 3:1-4a, 29-31. Voor de orde van eredienst worden hier enkele suggesties vermeld. De psalmen en gezangen zijn uit het Gereformeerd Kerkboek.

SCHRIFTLEZING: Romeinen 2:17-3:31

Aanvangslied: Psalm 86:5

Na de Tien Woorden: Psalm 86:4

Na Schriftlezing: Psalm 87:3, 4

Na de preek: Psalm 98:1, 2

Slotzang: Gezang 140

 

Geliefde gemeente van onze Heer Jezus Christus,

 

Romeinen 3 is een bekend hoofdstuk. Het gaat in dit hoofdstuk immers over de rechtvaardiging door het geloof alleen. Als we dat horen denken we gelijk aan Maarten Luther, die ons voor God rechtvaardig zijn door het geloof alleen tot het thema van de Kerkhervorming heeft gemaakt. Hij mocht geloven dat hij, ondanks zijn zonden, door God om Christus' wil als rechtvaardig werd aangemerkt. Het was deze geloofsovertuiging die hem de moed gaf om op de Rijksdag te Worms tegen hen die hem dit geloof wilden laten afzweren te zeggen: Hier sta ik; ik kan niet anders; God helpe mij. Hij was niet bang naar Worms te gaan, zoals ook de apostel Paulus niet bang was om naar Rome te komen en ook daar het evangelie te verkondigen. Geen van beiden schaamden ze zich voor de boodschap van het evangelie.

De apostel Paulus legde er zo de nadruk op dat hij zich niet schaamde voor het evangelie, omdat sommigen dachten dat hij niet naar Rome durfde te komen vanwege het immorele leven in die grote stad, en de Jodenhaat daar. Daar gaat het in het bijzonder over in de hoofdstukken 1 en 2. Maar uit wat we vanmorgen gelezen hebben blijkt dat Paulus ook reden had om er de nadruk op te leggen dat hij niet bang was om naar Rome te komen, vanwege lasterpraatjes die er over hem in Rome verspreid waren. Paulus leerde namelijk, zo blijkt uit vers 5, dat het onrecht dat wij doen, onze slechtheid dus, bewijst dat God rechtvaardig is. Maar omdat hij dat leerde werd nu het praatje over hem rondgestrooid, zo blijkt uit vers 8, dat hij daarmee het kwade eigenlijk goed vond en promootte, omdat het goede er immers uit voorkomen zou.

Paulus verwerpt die praatjes als laster, maar de vraag kan toch wel gesteld worden, of hij geen aanleiding voor die praatjes gegeven heeft. Immers, in het vorige hoofdstuk, in 2:1, heeft Paulus de gelovigen in Rome gewaarschuwd tegen hun veroordelen van de heidenen om hun immorele manier van leven. Ook heeft de apostel daar gewaarschuwd tegen de eigengerechtigheid van Joden die dachten dat zij beter waren omdat zij de wet bezaten. Nu, gaf Paulus door zo te praten geen aanleiding dat sommigen die manier van leven dus normaal zouden gaan vinden? Het ene zou dan al gauw tot het andere kunnen leiden, met als consequentie dat al gauw ook de kerk door zulk immoreel gedrag zou worden besmet.

Ja, en nu kon het gemakkelijk gebeuren dat vanwege die suggestie dat Paulus daar aanleiding toe had gegeven, en ook vanwege de daarvan te vrezen gevolgen, de christenen in Rome zich zo ver mogelijk van de andere mensen in Rome, de heidenen daar, zouden afzonderen. En dat niet alleen, maar dat ze ook zouden nalaten om de Joodse synagoge te benaderen met het evangelie van behoud door Jezus Christus, omdat ze die als net zo gevaarlijk voor hun kerkelijk leven zouden beschouwen als de heidenen.

Het was daarom echt wel nodig, vanwege dat gevaar van zich in eigen kring terug te trekken, dat men tot een juiste beoordeling kwam van de positie van de Joodse synagoge in Rome. Dat is dan ook wat de apostel Paulus doet in de verzen 1-4a. En datzelfde geldt ook van de situatie van de heidenen daar; en dat doet de apostel dan ook in de verzen 29-31.

Zo verkondig ik u dan nu DE ENE TROUWE GOD DIE

1. TROUW IS AAN DE JODEN AAN WIE ZIJN WOORDEN WAREN TOEVERTROUWD (3:1-4A)

2. ALLEN RECHTVAARDIGT DIE IN ZIJN WOORD GELOVEN, ZOWEL JODEN ALS HEIDENEN

 

1. Het evangelie is een kracht tot behoud van Gods toorn over alle goddeloosheid, niet alleen van de heidenen, maar van alle mensen; dus ook van hen die (zie 2:17vv) zichzelf Joden noemen, op de wet vertrouwen en daarin ook onderwezen zijn.

Maar weet u, nu zouden de christenen aan wie Paulus deze brief geschreven heeft daaruit de conclusie kunnen trekken dat God de Joden verworpen had. Ja, en als dat zo zou zijn, dan moest het antwoord op die vraag in hoofdstuk 3:1, “Wat hebben de Joden dan nog voor op anderen? Heeft het enig nut dat men besneden is?”; het antwoord daarop moest dan luiden: niets! Dan konden ze inderdaad de synagoge afschrijven als toch een verloren zaak, net als ook die goddeloze heidense bevolking van de stad Rome.

Maar dat is niet Paulus’ antwoord op die vraag. O nee, zijn antwoord op die vraag is totaal anders. Hij zegt in vers 2 dat het voorrecht van de Joden en het nut van hun besnijdenis in ieder opzicht zeker is. Hij noemt direct al het voornaamste (wat hij later in de hoofdstukken 9-11 meer in bijzonderheden zal uitwerken), dat het in de eerste plaats de Joden zijn aan wie God zijn woord heeft toevertrouwd. Met andere woorden, zij hebben Gods belofte van behoud van Gods toorn over de goddeloosheid van de mensen ontvangen. Bovendien hebben ze die belofte niet alleen voor zichzelf gekregen, maar ook voor de andere volken in deze wereld die in hun zegen zouden delen. Zich niet schamen voor het evangelie van behoud betekent daarom ook dat dit feit niet mag worden ontkend. Het woord van God, dat toch immers de blijde boodschap van behoud bevat, is ook aan de Joden toevertrouwd, en dus ook aan die synagoge in Rome.

Nu zou misschien iemand kunnen zeggen, maar wacht eens even, zij zijn toch ontrouw geworden, en daar mogen, ja daar moeten we dan toch uit concluderen dat God niet meer bij hen is, maar bij ons? Maar nee, de apostel Paulus wil in de eerste plaats dat ze er rekening mee houden dat niet alle Joden ontrouw zijn geworden! Vandaar dat Paulus, om een dergelijke houding van het maar heel gemakkelijk afschrijven van een hele gemeenschap die toch ook Gods beloften ontvangen heeft te voorkomen, schrijft in vers 3: maar wat betekent dat als sommigen ontrouw geworden zijn? We moeten er wel op letten dat Paulus schrijft ‘sommigen’. Niet allemaal dus. En wat Rome betreft, toen Paulus dit schreef was de synagoge daar nog niet met de blijde boodschap van behoud door Jezus Christus benaderd. Dat deed Paulus zelf, zie Handelingen 28. Die synagoge mocht toch niet bij voorbaat ontrouw verklaard worden.

Maar, en dat in de tweede plaats, Paulus voegt daar in vers 4 aan toe dat, ook al is ieder mens onbetrouwbaar, het feit blijft bestaan dat God van zijn kant altijd betrouwbaar is. De ontrouw van sommigen doet daarom nog niet de trouw van God te niet! God houdt altijd zijn Woord, Hij blijft trouw aan zijn beloften, en daarom ook aan hen die zijn Woord en zijn beloften ontvangen hebben. –

– Dit moeten we wel even op ons laten inwerken. Paulus durft dit te zeggen op gevaar af dat sommige van zijn tegenstanders zullen zeggen: zie je wel? Paulus is niet streng genoeg, hij verzwakt de normen, ja hij gaat de zonde zelfs goed praten! Zo sticht hij alleen maar verwarring. Eerst wilde hij al niet dat we de heidenen die toch zwelgen in allerlei immoreel gedoe zouden veroordelen (zie 2:1); en nu gaat hij ook nog de Joden verdedigen die hier nog in de synagoge samenkomen. Het lijkt er echt wel op dat het er bij Paulus dus niet toe doet dat de heidenen in goddeloosheid leven, en dat de Joden niet of nog niet gehoorzamen aan Gods normen voor de vergadering van de kerk.

Ja, dat is inderdaad de conclusie die ze trokken, we lezen dat in vers 8. Paulus neemt de zonde niet serieus als hij zegt dat daardoor Gods rechtvaardigheid beter tot zijn recht komt. Je mag van Paulus dus het kwade doen omdat er toch het goede uit voortkomt.

Ja gemeente, de apostel aanvaardt inderdaad het risico dat sommigen zo over hem zullen lasteren. Maar direct nadat hij die laster verworpen heeft laat hij ook duidelijk zien dat het ontvangen hebben van Gods Woord en Gods beloften niet betekent dat je dan automatisch behouden wordt van Gods toorn. En ik voeg er gelijk maar aan toe dat ook wij dat goed beseffen moeten. Immers, ook ons geldt wat Paulus dan vraagt in vers 9: “Wat betekent dit alles? Zijn we (niet zoals de NBV het heeft ‘als Joden’; maar zijn wij) nu bevoordeeld?” Zijn dus zowel de Joden alsook wij Christenen nu bevoordeeld boven anderen omdat wij tot een groep mensen mogen behoren die delen in Gods beloften? Natuurlijk niet, gemeente! Immers, datzelfde Woord van God vertelt ons, in de boeken van Mozes, de Wet, en ook in de Psalmen en de Profeten, in het hele Oude Testament dus, dat voor God niemand rechtvaardig is op grond van iets in hem- of haarzelf, van werken, of van afkomst, of van de kring waartoe je behoort. Kijk maar hoe Paulus, na een hele reeks citaten uit het Oude Testament, het kernachtig samenvat in vers 20: “want juist de wet leert ons de zonde kennen”!

Welke wet? Het hele Woord van God, dat zowel Joden als Christenen leert dat we zozeer in de macht van de zonde zijn dat we, tenzij de kracht van God tot behoud tussenbeide komt, verloren zijn onder de toorn van God tegen de zonde. Maar dank zij God, dit is tegelijk ook de boodschap van de Wet en de Profeten, van het Woord van God, dat bij God die kracht tot behoud dan ook aanwezig is. En dit is dan ook inderdaad het voorrecht van de Jood, dat dit Woord van God met die blijde boodschap er in aan hen was toevertrouwd. Tot heil van de Joden, maar tegelijk ook tot heil van de andere volken.

Dit betekent dat nu ook de Christenen in Rome dit moeten erkennen, en hun appel dat uit moet gaan naar de synagoge daarop moeten baseren. Trouwens, niet alleen de Christenen in Rome, maar ook wij, Christenen in Nederland. Natuurlijk moeten we niet makkelijk doen over zonde en ontrouw, alsof het er eigenlijk niet zo erg toe doet. Maar waar en wanneer ook maar we in aanraking komen met mensen en met geloofsgemeenschappen die het Woord van God ontvangen hebben en die delen in Gods beloften, dan moeten we dat niet ontkennen, maar daar juist van uitgaan en ze daar op aanspreken. Want hetzelfde Woord van God dat ons onze zonden doet kennen bevat ook de belofte van Gods kracht tot behoud van zijn toorn over de zonde.

Waarom moeten we dus hen die ook Gods Woord ontvangen hebben blijven benaderen en aanspreken? (en daar horen ook de Joden dus nog bij; die in Nederland wonen allereerst, maar verder ook daar buiten!). Waarom? Omdat God trouw blijft aan hen die zijn Woord ontvangen hebben, zelfs als zij ontrouw geworden zijn. Want Gods goedheid overwint altijd maar weer het oordeel (cf. Jacobus 2:13); het blijft het overtreffen.

 

2. Het is deze ene en getrouwe God die ik u verkondigen mag: de God die allen rechtvaardigt die zijn Woord geloven, zowel Joden als heidenen.

In vers 19 heeft Paulus laten zien dat het Woord van God dat in de tijd van het Oude Testament aan de Joodse kerk was toevertrouwd de zonden en de strafwaardigheid van de hele wereld aanwijst. Alleen maar, dit is niet de enige functie van Gods Woord. Het Oude Testament getuigt ook dat er een weg van behoud is, behoud van de toorn van God en van zijn straf over de zonde. Maar is die weg van behoud ook open? Laten we dan nu luisteren naar wat de apostel zegt in de verzen 21 en 22: “Gods gerechtigheid, waarvan de Wet en de Profeten al getuigen, wordt nu ook buiten de wet zichtbaar: God brengt vrijspraak aan allen die in Jezus Christus geloven”.

Het Oude Testament heeft er dus al van getuigd, maar het nieuwe is nu dit, dat de daarin beloofde Messias, de Christus, inmiddels gekomen is. En Hij, zo gaat het verder in vers 25, “Hij is door God aangewezen om door zijn dood het middel tot verzoening te zijn voor wie gelooft”. Paulus laat dan verder zien hoe God in de tijd van het Oude Testament met Goddelijke verdraagzaamheid de zonden die bedreven werden had laten gaan, en wel op twee manieren.

De HEER deed het door bij voorbaat de zonden te vergeven van hen die geloofden in de verzoening die de komende Christus te weeg zou brengen. En wat de zonden van de heidenen betreft, die had God laten gaan doordat Hij die volken alle eeuwen door in hun eigen wegen wandelen liet zonder hen te vernietigen. Dat betekent dat zowel het vergeven van de zonden van hen die geloofden, alsook het sparen van de andere volken ondanks hun zonden, gebeurde vanwege de komende Christus. En dit ging zo door totdat de volheid van de tijd aanbrak, toen Christus in Bethlehem geboren werd en daarna stierf aan het kruis. Het was dus één en dezelfde God die zowel Israël als de andere volken spaarde om Christus’ wil. Dat is dan ook de conclusie die Paulus trekt in de verzen 29 en 30: “Is God soms alleen de God van de Joden en niet die van de heidenen? Zeker, ook die van de heidenen!” Er is toch immers maar één God! –

– Dit is dus de boodschap die Paulus predikt, of hij nu spreekt tot Joden of tot heidenen. Dit is dus ook de boodschap die de Christenen in Rome moeten belijden en verkondigen. Deze boodschap moeten ze tot de basis en de inhoud maken van hun appel op de synagoge, en ook van hun spreken tot hun heidense medeburgers.

Als dan de Joodse synagoge zich inderdaad trouw zou tonen aan het voornaamste artikel van hun geloofsbelijdenis, woorden geciteerd uit Deuteronomium 6:4, “Luister, Israël: de HEER, onze God, de HEER is de enige!”; nu, dan moest dat appel hen toch aanspreken. Immers, het bevat dezelfde boodschap van behoud voor gelovigen in alle volken, en dezelfde belijdenis van geloof in één en dezelfde God voor Israël en voor de andere volken, waar ook het Oude Testament van spreekt.

Aan de andere kant, als de synagoge desondanks zou blijven beweren dat wij door te geloven in behoud door Jezus Christus alleen de wet buiten werking zouden stellen (een tegenwerping die volgens vers 31 inderdaad kon worden verwacht); en als ze daarom de Christenen zouden beschuldigen van revolutie en scheurmaking, dan voorziet de apostel hen in het volgende hoofdstuk van een keur van argumenten uit het Oude Testament om het tegendeel aan te tonen. Kijk maar naar hoofdstuk 4, waar Paulus dat doet vanuit de geschiedenis van Abraham.

Maar wat een voorrecht en wat een roeping voor die Christenen in Rome, dat ze deze weg van behoud kunnen en mogen verkondigen in die grote stad Rome. Ze hoeven echt niet bang te zijn en zich voor dit evangelie te schamen, of ze nu praten met Joden of met anderen in Rome. Ze hebben toch zeker het Woord voor de wereld, het geschenk uit de hemel voor deze wereld. Maar dan moet natuurlijk wel duidelijk blijken dat ze zelf dat Woord geloven, en wat het hun doet. Verder ook, stelt u voor dat ze de Joden en de heidenen in Rome daarmee niet zouden aanspreken. Hoe zou Paulus hen dan ooit gereed kunnen vinden om hem verder te helpen op zijn weg naar Spanje en West-Europa? Zou het Evangelie, naar de mens gesproken, ons dan ooit hebben kunnen bereiken?

En dus komt nu die vraag ook op ons af. Hoe zit dat bij ons? Het Woord van God met de boodschap van het Oude Testament, en van de vervulling daarvan in de komst van Christus in het Nieuwe, is nu aan ons toevertrouwd. Maar ook dat wel met een bedoeling! Deze bedoeling, dat ook wij een appel laten uitgaan tot allen die hetzelfde Woord met dezelfde beloften en dezelfde sacramenten, ook het sacrament van het Heilig Avondmaal, van God ontvangen hebben.

Zijn we in staat om dat te doen? En willen we het ook? Kennen we het Woord van God inderdaad zo goed, dat we onszelf kennen als het oordeel waardige zondaars, die dan ook alleen maar gered kunnen worden door geloof in Jezus Christus? Kennen we het Woord van God zo goed dat we in het licht daarvan ook anderen kunnen leren kennen, herkennen en ook erkennen die net als wij Gods Woord en beloften en sacramenten ontvangen hebben?

Kennen we het Woord van God dat ons is toevertrouwd zo goed, dat we ook in staat zijn om, daardoor geleerd, allen te herkennen en te erkennen die dezelfde boodschap van het evangelie geloven? Want we mogen ons niet schamen voor het evangelie, en ook ons handelen niet door vrees laten bepalen; want het evangelie is Gods reddende kracht voor allen die geloven.

 

AMEN

 

terug naar boven

 

4

 

De vierde van de negen heeft als tekst Romeinen 6:3-4. Voor de orde van eredienst worden hier enkele suggesties vermeld. De psalmen en gezangen zijn uit het Gereformeerd Kerkboek.

SCHRIFTLEZING: Handelingen 16:16-34

Aanvangslied: Psalm 105:1.5

Na de Tien Woorden: Psalm 105:21

Na Schriftlezing: Liedboek 20:1,2,4,5

Na de preek: Psalm 100:1,4

Slotzang: Psalm 87:2,3,5

 

Geliefde gemeente van onze Heer Jezus Christus,

 

In onze tekst stelt de apostel Paulus de vraag: "Weet u niet dat wij die in Christus Jezus gedoopt zijn, zijn gedoopt in zijn dood?" En dan gaat de apostel verder in vers 4 met te spreken over de betekenis en de bedoeling van de doop.

Wanneer het gaat over de betekenis en de bedoeling van de doop ligt het voor de hand dat we als een Gereformeerde kerk die aan onze naam ook het woord vrijgemaakt toevoegt terugdenken aan het feit van de Vrijmaking die in 1944 is begonnen. Want het ging in die vrijmaking indertijd in het bijzonder over de doop en de betekenis en de bedoeling daarvan.

Vanmorgen mag ik u verkondigen: DE BETEKENIS EN HET DOEL VAN DE DOOP

Gedoopt zijn

1. BETEKENT TE STERVEN EN BEGRAVEN TE WORDEN MET CHRISTUS

2. BEDOELT MET CHRISTUS OP TE STAAN EN TE WANDELEN IN EEN NIEUW LEVEN

 

1. Eerst dus over de betekenis van de doop. In Handelingen 16 hebben we gelezen hoe Paulus en Silas door een rechtstreeks ingrijpen van God uit de hemel, door middel namelijk van een aardbeving, uit de gevangenis werden bevrijd.

Dat geldt van elke bevrijding van Gods kinderen. We mogen daarin de hand van God zien en erkennen. Welnu, datzelfde geldt ook van de vrijmaking van de kerk indertijd van een verkeerde leer aangaande de doop.

Van die vrijmaking was toen de bedoeling, en het is dat toch ook vandaag nog zo, dat we als kerk door gaan met het vervullen van de opdracht van onze Heer: "Ga dus op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen, door hen te dopen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest".

In het kort: preken en dopen, en zo Gods kerk vergaderen, door het evangelie te verkondigen waarvan de apostel Paulus direct in het begin van deze brief al gezegd heeft dat het is Gods reddende kracht.

Welnu, wat riep die gevangenbewaarder uit, toen als gevolg van de aardbeving het er op leek dat alle gevangenen zomaar ontsnappen zouden?

Hij riep, zo lezen we in Handelingen 16:30: "heren, wat moet ik doen om gered te worden?" Die cipier voelde aan dat hij gered moest worden. Maar waarvan moest hij dan gered of behouden worden? Dat blijkt uit het voorgaande, uit wat we lezen in vers 27.

Toen hij uit zijn slaap was wakker geschud, en plotseling zag dat al de deuren van de gevangenis wijd open stonden, schrok hij zich ongelukkig. Hij was verantwoordelijk voor al die gevangenen, en als er maar eentje ontsnappen zou, dan kon hij er op rekenen dat hij gemarteld en gedood zou worden. En dus trok hij zijn zwaard om zelfmoord te plegen.

Liever pleegde hij zelfmoord dan zelf voor het gerecht gesleept te worden en op een beschamende en vreselijke manier gestraft te worden. Hij zag er geen heil meer in; hij wilde dan maar liever direct sterven en begraven worden.

Ja, maar dat zou dan ook betekenen dat hij de eeuwige dood ging sterven, en voor eeuwig begraven zou worden in de hel!

Op het nippertje heeft Paulus weten te verhinderen dat de man zichzelf doodde door te roepen: man, stop dat, doe dat niet, we zijn allemaal nog hier! Het was dus niet nodig dat die man zelfmoord pleegde. Nee! Gelukkig niet!

Maar weet u wat ook niet nodig was? Het was ook niet nodig dat die man de eeuwige dood zou sterven om voor altijd in de hel begraven te zijn.

En weet u  waarom niet? Dat was niet nodig, en dat is voor niemand nodig, ook hier niet en vandaag niet, omdat onze Heer Jezus dat al ondergaan heeft.

Hij is voor ons de eeuwige dood gestorven aan het kruis van Golgotha, en Hij is in onze plaats neergedaald in de hel om daar de helse smarten te ondergaan, de straf voor onze zonden, en daarna begraven te worden in een graf.

Kijk, het is die belofte van God die aan alle mensen verkondigd moet worden, omdat die belofte een kracht tot behoud is; alleen daardoor kunnen we gered worden.

En het is dan ook die belofte die door Paulus en Silas aan die gevangenbewaarder gepredikt werd; aan hem, en aan allen die tot zijn huisgezin behoorden. Ze kregen als het ware catechisatie van Paulus en Silas, en van wie konden ze beter catechisatie krijgen dan van deze trouwe dienaren van de Heer?

De gevangenbewaarder toonde dan ook zijn dankbaarheid door hun wonden te wassen, – ze waren immers gegeseld voordat ze in de cel waren opgesloten – ; en daarna werden hij en z­n huisgenoten ook gedoopt.

Nu moeten we dat goed verstaan. Het was niet zo dat Paulus en Silas na een uurtje catechisatie geven gelijk maar van de veronderstelling uitgingen dat die mensen (en als ze eventueel kleine kinderen hadden ook die kinderen) nu wel geloof bezaten en dus voor wedergeboren konden worden gehouden, en daarom gedoopt konden worden.

Weet u, dat was die vreemde leer over de doop, waarvan we indertijd vrijgemaakt mochten worden: de leer van de veronderstelde wedergeboorte als grond voor de doop. Een leer trouwens die in een andere vorm, in de vorm van verbondsautomatisme, nog steeds ons bedreigt.

Nee, de doop is niet een teken en zegel van een verondersteld geloof, of van een veronderstelde wedergeboorte, waarbij we dus doen alsof dat geloof er al is, en die wedergeboorte al heeft plaats gehad. Een soort verbondsautomatisme dus, wat maakt dat je er gewoon van uit gaat dat het wel goed zit met je, omdat je immers gedoopt bent of wordt.

O nee, de doop is niet een teken en zegel dat het met jou wel goed zit. Het is een teken en zegel daarvan dat het alleen bij God goed zit, omdat de doop een teken en zegel is van Gods belofte, van de belòfte dat Christus voor ons gestorven en begraven is.

Toen Paulus en Silas de gevangenbewaarder en zijn huisgenoten doopten, veronderstelden ze maar niet dat het wel goed met hen zat, maar hadden ze hen hun geloof in Gods beloften horen belijden. En het was op grond van Gods beloften dat ze gedoopt werden.

Maar als er nu ook eens kindertjes bij geweest waren, die nog niet belijdenis van hun geloof konden doen? Dan werden ook aan hen Gods belòften verzegeld in de doop. En als ze dan later opgegroeid zouden zijn, ja, dan zou van hen gevraagd worden dat ook zij die beloften geloven zouden, en belijdenis van hun geloof zouden doen.

En wat zouden ze dan belijden? Dan zouden ze belijden wat eerder in de doop zichtbaar was gemaakt. Zoals je bij de doop met water besprenkeld, of zelfs in het water volledig ondergedompeld bent, zo ben je als het ware ondergedompeld in de dood en in het graf van Christus.

Ja, want zo zegt Paulus het in onze tekst tot mensen die hun geloof in de Heer Jezus beleden hebben: "Weet u niet dat wij die in Christus Jezus gedoopt zijn, zijn gedoopt in zijn dood? We zijn door de doop in zijn dood met hem begraven". Want aan wie geloven worden deze belofte vervuld.

Is dat niet geweldig? Het werd dan ook een groot feest in dat huis, zo lezen we in Handelingen 16:34. Ze gingen naar boven, naar de eerste of tweede verdieping waar de eetkamer was, en daar werd een maaltijd aangericht, een feestmaal; want, zo staat er, "hij en al zijn huisgenoten waren buitengewoon verheugd dat hij nu in God geloofde".

Eerst was hij wanhopig, hij zag er totaal geen heil meer in, maar wilde dood en begraven worden. Maar nu is aan hem en aan al zijn huisgenoten de vaste belofte van God verzegeld, dat Christus voor hem en de zijnen gestorven en begraven is.

Ja, Gods belofte is aan hem en zijn gezin verzegeld, dat Christus niet alleen de lichamelijke dood en begrafenis voor ons heeft ondergaan, maar de eeuwige dood, en het voor altijd begraven worden in de hel.

Ook wij hebben allemaal die belofte gekregen; ook wij mogen delen in Christus' dood en begrafenis; ook aan ons is die belofte in onze doop afgebeeld en verzegeld. Je hoeft echt niet te twijfelen of die belofte ook wel voor u of voor jou is; en voor wie ook maar als baby is gedoopt.

We moeten er dus niet van uitgaan dat het wel goed zit met ons; maar ook hoeven we niet in onzekerheid  te gissen of het wel goed komt met ons. We mogen er van uitgaan dat God goed is voor wat Hij belooft. Hij zal zijn waarheid nimmer krenken, maar eeuwig zijn verbond gedenken.

En daarmee kom ik tot wat ik u in de tweede plaats zeggen moet:

 

2. Het doel van onze doop is, dat we nu ook met Christus opstaan om te wandelen in een nieuw leven.

Laten we nu weer even letten op wat die gevangenbewaarder deed nadat hij tot het geloof gekomen was. Dat lezen we in Handelingen 16:33: "Hoewel het midden in de nacht was, nam hij hen mee en maakte hun wonden schoon", en nadat hij en zijn huisgenoten gedoopt waren, zo gaat het verder in vers 34, "bracht hij hen naar zijn woning boven de gevangenis en zette hun daar een maaltijd voor. Hij en al zijn huisgenoten waren buitengewoon verheugd dat hij nu in God geloofde".

Met andere woorden, het deed hem iets, het deed hem heel veel zelfs: hij stond op en begon een nieuw leven.

Hij was een veranderd mens geworden. Door nu ook te leven uit die belofte die in de doop was afgebeeld en verzegeld, door te leven uit het met Christus gestorven en begraven zijn wat zijn oude natuur betrof, daarmee stond hij nu ook op met Christus om te wandelen in een nieuw leven.

Zie? Dat was dan ook het doel van de doop, zo lezen we in onze tekst, Rom.6:4. "We zijn door de doop in de dood met hem begraven om, (daar komt dus het doel daarvan), om zoals Christus door de macht van de Vader uit de dood is opgewekt, een nieuw leven te leiden".

Het was aan die gevangenbewaarder te merken dat hij was bevrijd uit de banden van de dood. Hij verheugde zich, en vierde feest met hen die hetzelfde geloofden.

Zo mogen ook wij ons samen verheugen vanwege onze verlossing, en in lijn daarmee ook dankbaar zijn dat wij een vrijgemaakte kerk mogen zijn.

Maar wel moeten we ons daarbij afvragen of we, zowel persoonlijk alsook als kerken, zo met Christus een nieuw leven leiden, dat ook anderen daarin de macht en majesteit van onze Vader kunnen opmerken.

Konden en kunnen anderen inderdaad  zeggen: wat een voorbeeldig en blij kerkelijk leven vind je daar, en wat gaan ze daar goed met elkaar om, en wat een uitstraling van Gods liefde en majesteit gaat er van hen uit?

En verder, is het nu zo met ons dat we ook vandaag zo onze doop verstaan, het doel van onze doop, dat we, merkbaar voor elkaar en voor anderen, de majesteit van onze Vader vertonen door met Christus een nieuw leven te leiden? Of is het zo dat we toch nog al te gemakkelijk er automatisch van uitgaan, – of dat we althans die indruk op anderen maken of gemaakt hebben – , dat wij als gedoopte Verbondskinderen er toch zeker recht op hebben dat we bevrijd zijn van de banden van de dood en dus behouden worden?

We moeten, zichtbaar voor God en mensen, met Christus een nieuw leven leiden, daarin rondwandelen (zoals het ook vertaald kan worden). Dat moeten we ons maar heel concreet voorstellen.

Als je nieuwe kleren gekregen hebt, blijf je toch niet altijd maar weer in je oude kleren rondlopen? Wat kan een moeder er plezier in hebben als ze na de vakantie haar kinderen in mooie leuke kleren weer naar school kan laten gaan. Ze vindt het best fijn als de mensen zouden zeggen: wat kleedt die moeder haar kinderen leuk aan.

Nu, onze God heeft er ook plezier in dat wij zo rondwandelen in een nieuw leven, bekleed met de rechtvaardigheid, zo zegt de Bijbel het, die Christus ons door Zijn opstanding gegeven heeft. Zodat Hij zelf het kan zien, en ook de mensen om ons heen.

Paulus zegt het ergens in deze brief letterlijk zo: 'trekt de Heer Jezus Christus aan'! Met Christus bekleed zijn is maar niet kerk heten, maar echt kerk zijn. Het is maar niet een christen heten, maar een echte christen zijn.

Met Christus bekleed zijn is zo in Hem opgenomen en zo met Hem verenigd zijn, dat de Hem geschonken opstandingsheerlijkheid, Zijn Paasglorie, ook onze Paasglorie is.

Kijk, dat is dus het doel van ons gedoopt zijn. Onze hele manier van leven moet de glans van het nieuwe vertonen. Laten we ons dat maar weer zo voorstellen dat we uit wandelen gaan met een nieuw pak of een nieuwe mantel aan, en een paar glanzend nieuwe schoenen aan onze voeten. Dan voelen we ons als het ware een nieuw mens. Dan durven we ons veel franker en vrijer onder de mensen te vertonen dan met onze oude kleren aan, die uit de mode zijn, of zelfs al kaal zijn of beginnen te rafelen.

Zoals we dan wel zeggen: we vertonen ons op ons Paasbest. In advertenties van allerlei kledingzaken worden we daartoe ook aangemoedigd. Die stellen het dan zo voor dat de mensen direct aan je zien: o wat ziet die er goed gekleed uit, dat zal wel daar en daar gekocht zijn. De kleren maken de man; maar de kleren tonen ook aan waar de man of vrouw ze gekocht heeft. Je bent als het ware een wandelende advertentie van de kledingzaak waar het vandaan komt. Je zou het zo kunnen zeggen, dat je in je wandel de glans en de heerlijkheid van die kledingzaak vertoont.

Nu, dat is het doel van onze doop, en van ons door de doop echt bij de kerk horen en in het verbond van God opgenomen zijn, dat we zo met Christus' opstandingsheerlijkheid bekleed zijn, dat we in onze levenswandel, in onze manier van leven, de heerlijkheid en de majesteit van onze hemelse Vader vertonen.


Nu, dan moet alles wat met die heerlijkheid en majesteit van God in strijd is, onze oude mens met zijn verkeerde praktijken, weggedaan worden. Dat moet dan als het ware met Christus in het graf verdwijnen.

Niet voor niets zegt het Doopsformulier dan ook, dat wij door God in de doop ook geroepen en verplicht worden tot een nieuwe gehoorzaamheid.

Betekent dit dat wij door onze gehoorzaamheid dat nieuwe leven zelf moeten verdienen? Alsof je wanneer je als kinderen van je ouders nieuwe kleren gekregen hebt die achteraf zelf nog weer zou moeten verdienen? Natuurlijk niet. Maar als je het fijn vindt dat je mooie nieuwe kleren van je ouders gekregen hebt, dan laat je wel zien dat je van ze houdt.

Weet je waar die nieuwe gehoorzaamheid volgens het doopsformulier dan ook in uit komt? Hierin, dat je de HEER aanhangt, vertrouwt, en liefhebt met heel je hart, met heel je ziel, met heel je verstand en met al je krachten. Het betekent ook dat je met de wereld breekt, je oude natuur doodt, en dicht bij de HEER leeft.

En als je soms uit zwakheid weer in zonde valt; zeg maar, als je met je mooie nieuwe kleren in de modder valt of ze aan prikkeldraad kapot scheurt? Luister naar wat het doopsformulier zegt: dan moet je niet wanhopen aan Gods genade, en het natuurlijk ook niet zo laten, maar er mee terug gaan naar God, net zoals je als kind met je vuil geworden of gescheurde kleren terug gaat naar je moeder.

En waarom? Dat zegt het doopsformulier ook: omdat de doop een zegel en volkomen betrouwbaar getuigenis is dat je een eeuwig verbond met God hebt.

Dat is dus de betekenis en het doel van onze doop. De doop laat ons zien dat het absoluut zeker is: wanneer je Gods belofte gelooft dat Christus voor je gestorven is, dan ben je met Hem gestorven, dan ben je als het ware je vuile oude plunje kwijt. En de bedoeling daarvan is dan dat, zoals Christus door de Vader uit de dood weer opgewekt is, zo ook wij een nieuw leven gaan leiden, als het ware rond wandelend in nieuwe kleren waaraan de mensen de majesteit van onze Vader kunnen zien.

Dank zij Pasen, de opstanding van Jezus, wandelen we dan in ons Paasbest.

En daarom, zoals de gevangenbewaarder en zijn hele huisgezin Paulus en Silas dienden door hun wonden te verbinden, en ook zich verheugden en feest vierden, zo geldt ook ons:

Dient God met vreugde, geeft Hem eer.

Komt, jubelt voor zijn aangezicht

en wandelt vrolijk in zijn licht.

 

AMEN

 

terug naar boven

 

5

 

De vijfde van de negen heeft als tekst Romeinen 9:3-8, 24. Voor de orde van eredienst worden hier enkele suggesties vermeld. De psalmen en gezangen zijn uit het Gereformeerd Kerkboek.

SCHRIFTLEZING: Romeinen 9

Aanvangslied: Liedboek 444:1,2

Na de Tien Woorden: Liedboek 444:3

Na Schriftlezing: Psalm 118:8,10

Na de preek: Gezang 119:2,5

Slotzang: Psalm 117

 

Geliefde gemeente van onze Heer Jezus Christus,

 

In het Midden Oosten is de staat Israël met de Palestijnen nog altijd een haard van onrust.

Eigenlijk is Israël een haard vol onrust geweest in het grootste gedeelte van de geschiedenis van het Midden Oosten. Het was dat ook in de tijd dat de apostel Paulus zijn zendingsreizen maakte. In onze tijd is de staat Israël een onafhankelijke staat, al moet het wel sterk rekening houden met de Verenigde Staten. In Paulus' tijd was Israël echter een volk en een land dat niet maar afhankelijk was van het Romeinse Rijk, maar daaraan zelfs was onderworpen.

Meer dan eens reisden Romeinse overheidsfiguren in gezelschap van militaire eenheden naar het Midden Oosten als handhavers van de Romeinse vrede, de Pax Romana.

Tenslotte, in het jaar 70, maakten ze een einde aan het bestaan van Israël als een volk in het land Kanaän of, zoals het toen genoemd werd, Palestina. Dit heeft geduurd tot in de 20e eeuw, tot het jaar 1948, toen veel Joden naar Palestina emigreerden en samen met hen die er al woonden hun eigen staat Israël oprichtten. Daar wonen ze nu al weer meer dan 60 jaren als Joodse natie in een eigen land met een eigen regering.

De Arabische staten in het Midden Oosten hebben altijd veel moeite gehad met het bestaan van die nieuwe staat Israël in hun midden, in hun Midden Oosten. Maar ook veel Christenen stellen de vraag wat nu de positie van Israël is, en komen met verschillende antwoorden op die vraag.

Het is dan ook begrijpelijk dat er daarom aandacht wordt geschonken aan de hoofdstukken 9-11 van Paulus' brief aan de Romeinen. Terecht wordt aangevoeld dat daar het antwoord te vinden is. Alle Christenen zijn het er natuurlijk over eens dat het beslissende en definitieve antwoord aangaande Israëls positie niet dat van Rome is, toen het Jeruzalem vernietigde en een einde maakte aan Israëls volksbestaan door de Joden uit Palestina te verbannen. En zeker werd in onze 20e eeuw het definitieve antwoord niet gegeven door Adolf Hitler, wiens zogenaamde 'Entlösung' of oplossing van het Joodse probleem bestond in de overweldigende misdaad van de holocaust.

Nog al wat Christenen zijn er vast van overtuigd dat het beslissende antwoord gelegen is in de vestiging van de staat Israël in 1948, en dat dit antwoord definitief zal worden op de dag dat de onafhankelijkheidsverklaring van Israël gevolgd zal worden door een bekering van het volk van Israël tot Christus, wanneer ze Hem in massa zullen aanvaarden als hun Messias en Verlosser.

Maar de vraag is nu of dit overeenkomt met het antwoord zoals dat door de apostel Paulus gegeven is aan de Christenen in Rome, toen ook zij met Israëls positie geconfronteerd werden.

We zullen alleen dan in staat zijn om het antwoord in de hoofdstukken 9-11 te vinden, als we in gedachten houden dat die hoofdstukken behoren tot de hele brief. Paulus schrijft hier maar niet een op zichzelf staand opstel over de positie van Israël. Hij schreef dit in een brief aan de Christenen in Rome om hun te leren wat hun plaats en roeping in deze wereld is, en in het bijzonder hun roeping met betrekking tot Israël, tot de Joden.

Uit Paulus' brief aan de Christenen te Rome verkondig ik u HOE GOD WIL DAT WIJ DE POSITIE VAN ISRAËL ZIEN TEMIDDEN VAN DE VOLKEN VAN DEZE WERELD.

Israël is

1. VERBANNEN VAN CHRISTUS ALS GODS BIJZONDERE VOLK

2. HISTORISCH BEVOORRECHT TEMIDDEN VAN DE VOLKEN

3. GEZEGEND MET DE KERK DIE VERGADERD WORDT UIT ALLE VOLKEN

 

1. Israëls positie is in de eerste plaats dat het als volk, als een natie, zijn plaats inneemt apart van Christus, zonder Christus, of zoals Paulus het zegt, verbannen van Christus. Israël was al in die situatie terecht gekomen in Paulus' tijd, toen het nog bestond als een nationale eenheid, voordat ze door de Romeinen in het jaar 70 over de hele wereld verstrooid werden.

Het is met groot verdriet dat Paulus die conclusie moest trekken, en hij wil dat de Christenen in Rome en ook wij vandaag dat goed weten. Hij vraagt hun en ons te sympathiseren met het lot van Israël, en hij doet dit in zo sterk mogelijke bewoordingen door te zeggen in vers 3: “Omwille van mijn volksgenoten, de broeders en zusters met wie ik mijn afkomst deel, zou ik bijna bidden zelf vervloekt te worden en van Christus gescheiden te zijn”.

Hiermee zegt de apostel dat inderdaad dit Israëls situatie is, dat ze van Christus verbannen zijn; en Paulus heeft daar groot verdriet van. Maar wat was nu de reden dat Paulus hierover schrijven gaat aan de Christenen in Rome?

De apostel was kennelijk bang dat die Christenen in Rome zich niet genoeg bekommerden om het lot van Israël, dat er iets ontbrak in hun verhouding tot de Joden.

In  hoofdstuk 1 begon Paulus met te zeggen dat hij er naar verlangde de Christenen in Rome te bezoeken, en hen te versterken. Kennelijk waren er zwakheden die versterking nodig hadden. Nadat de apostel in hoofdstuk 1 het immorele leven had geschilderd van de heidenen, waar ook veel Christenen in Rome deel van hadden uitgemaakt, en nadat hij in hoofdstuk 2 had laten zien dat het met de Joden daar niet veel beter gesteld was, waarschuwde hij zijn lezers in hoofdstuk 3 dat dit niet betekent dat zij beter waren dan de Joden en de heidenen, maar dat alle mensen in de macht van de zonde zijn en daarom Gods straf verdienen.

Maar dan, in hoofdstuk 3:21, verkondigt hij hun ook de enige manier om aan Gods toorn te ontkomen: geloof in Jezus Christus, door welk geloof zij weer in vrede met God leven (5:1).

Toch acht de apostel het wel nodig om in wat volgt, in de hoofdstukken 6 en 7, hen te vermanen dat ze natuurlijk niet door moeten gaan met in zonde te leven. Hij laat hun zien, dat als ze om Christus’ wil lijden moeten, dat genade is (5:3); maar ook moet hij hun er de ogen voor openen dat ze maar niet alleen met zichzelf bezig moeten zijn, maar met het lijden van de hele schepping. Ze moeten niet introvert, naar binnen gericht, maar extravert, naar buiten gericht zijn, omdat de hele schepping delen moet in de verlossing door Christus (zo hoofdstuk 8).

Ze waren kennelijk nog al individualistisch; dat blijkt ook uit de laatste hoofdstukken, 12-16. Er was verdeeldheid onder hen, ze eerden Gods instellingen in de staat en in de kerk niet voldoende, en ook waren ze gewend hun eigen persoonlijke meningen in de kerk aan anderen op te leggen.

Verder legt Paulus er de hele brief door de nadruk op dat, hoewel er behoud is voor allen die geloven, het wel eerst voor de Joden is.

Uit het laatste hoofdstuk van het boek Handelingen weten we, dat toen Paulus enkele jaren later zelf in Rome aankwam, hij eerst een appel deed op de synagoge om de Joden tot geloof in Jezus Christus te bewegen. Kennelijk hadden de Christenen die toch al ettelijke jaren in Rome woonden dat nog nooit gedaan.

Uit dit alles mogen we concluderen dat, nu Paulus in de hoofdstukken 9-11 gaat schrijven over de positie van Israël en de Joden, hij dat doet om de Christenen hun roeping te laten zien, hun verantwoordelijkheid ten aanzien van Israël, en ten aanzien van de in Rome woonachtige Joden. Het feit dat Israël Jezus als de Messias verworpen heeft is geen reden om neer te kijken op de Joden, of om ze maar links te laten liggen. Integendeel, Paulus roept de Christenen op verdriet te hebben over het feit dat ze van Christus verbannen zijn, en om Israël nooit te vergeten.

Wat de apostel zelf betreft, Paulus had nog een extra reden om hartzeer te hebben over Israëls situatie. Hij was zelf een Jood.

Hij zegt hier dat ze naar het vlees zijn verwanten zijn. Dat is voor veel Christenen zo niet, toen in Rome niet, en ook voor ons hier in Nederland niet. Toch zijn er ook velen in ons land met wie we, als we de gezamenlijke geschiedenis in rekening brengen, samen geleefd hebben in één kerkgemeenschap en gezeten hebben aan dezelfde Avondmaalstafel. Zou dat feit ook ons iets te zeggen hebben over onze plaats en roeping, in ons eigen land en onze eigen woonplaats?

 

2. Maar om terug te keren tot Israëls situatie, in de tweede plaats geven we nu aandacht aan de historisch gesproken bevoorrechte positie van Israël temidden van de andere volken. Immers, in de verzen 4 en 5 wijst Paulus op de rol die Israël als volk gespeeld heeft in de geschiedenis van het heil, haar heilshistorische  plaats in de geschiedenis van de volken.

Er worden hier negen voorrechten vermeld. Om te beginnen, zij zijn Israëlieten, het volk dus waaraan God zich in het bijzonder heeft bekend gemaakt, terwijl Hij de andere volken op hun eigen wegen liet wandelen. Ten tweede, God heeft hen als zijn kinderen aangenomen, hen geadopteerd als Zijn eerstgeborenen, zoals het Oude Testament dat zegt. Ook heeft Hij hun zijn nabijheid geschonken, waarmee bedoeld wordt het onder hen wonen van Gods heerlijkheid op de ark, in de tabernakel, en later in de tempel.

Ook heeft God hun zijn verbonden gegeven, namelijk het verbond dat God eerst heeft opgericht met Abraham, daarna Zijn verbond met het hele volk, onder Mozes, en ook Zijn verbond met David dat een Zoon van hem koning over alle volken worden zou. Zij hebben, dat in de vijfde plaats, de wet ontvangen op Horeb of Sinaï, en ten zesde de tempeldienst, met priesters en offers die heen wezen naar Christus. Verder ontvingen zij ook de beloften, in het bijzonder de belofte van leven in het beloofde land Kanaän opdat ze daar de Verlosser van de wereld verwachten zouden.

In de achtste plaats zijn zij het volk dat afstamt van de aartsvaders, de patriarchen Abraham en Isaak en Jacob, met wie Israëls rol in de heilsgeschiedenis begonnen is; en tenslotte, uit hen is Christus voortgekomen, de beloofde Messias met wiens komst Israëls rol in de heilsgeschiedenis tot vervulling gekomen is.

Wat zien we hier uit? Gods heilsgeschiedenis is tegelijk ook Israëls geschiedenis; maar het feit dat Israël de Messias die het zelf heeft voortgebracht heeft verworpen doet die geschiedenis niet te niet. Integendeel, ook dat hóórt bij die geschiedenis, omdat ook dat door Israëls profeten voorzegd is.

Onder de volken had Israël het voorrecht ingeschakeld te zijn in Gods plan van verlossing, en dat hoort nog altijd tot Israëls geschiedenis. Niets kan daar verandering in brengen, en dat mogen we dan ook niet vergeten. Deze heilsgeschiedenis, waarin sinds het begin van de Nieuwtestamentische tijd de Christelijke kerk optreedt, is immers nu ook onze geschiedenis.

Het is nu zowel onze alsook Israëls geschiedenis. Die delen we samen, die delen we daarom ook met het volk Israël zoals het vandaag te vinden is als een nationale staat in het Midden Oosten, en ook met die Joden die nog altijd verspreid wonen temidden van andere volken.

Het is dan ook om die reden dat de Christenen in Rome maar niet moesten doen alsof er geen Joden waren op wie ze, op grond van hun bevoorrechte geschiedenis, nog een appel konden doen opdat ze alsnog Jezus als ook hun Messias zouden ontvangen. En dat is ook waarom wij als Vrijgemaakt Gereformeerde Christenen maar niet moeten doen alsof er hier in ons land geen Joden zouden zijn die wij alsnog kunnen benaderen met de blijde boodschap van Jezus Christus. En hetzelfde geldt natuurlijk ook voor de Evangelieverkondiging aan de Joden in de staat Israël, en het steun bieden aan kleine Christelijke gemeenschappen daar.

Of is het misschien zo dat wij géén verdriet hebben en niet diep bedroefd zijn vanwege hun verbannen zijn van Christus?

God zij dank dat we weer als kerken, via de kerk te Ommen, zending onder de Joden mogen bedrijven, net zo goed als we zending onder de heidenen hebben.

Natuurlijk betekent dit ook veel voor contacten met anderen dan Israël en de Joden. Er zijn ook mensen, zowel afzonderlijke personen alsook hele gemeenschappen, die Christelijk genoemd worden en met wie we voor een groot gedeelte dezelfde kerk- en heilsgeschiedenis delen. In het bijzonder denk ik hierbij aan hen die net als wij hun oorsprong hebben in de grote Reformatie in de 16e eeuw; ook van hen zijn de Kerkhervorming, en de Gereformeerde belijdenisgeschriften, en de Gereformeerde eredienst en liturgie, en het Gereformeerde Kerkrecht.

Wat voor belangrijke redenen om ook onze eigen roeping daarin te zien, en er wat mee te doen. Of is het misschien zo dat we groot verdriet en droefheid hebben over hen die zijn afgedwaald? Of, dat we niet branden van verlangen naar de eenheid met hen met wie we zelfs één zijn in het geloof?

 

3. Maar wat in het bijzonder de positie van Israël vandaag betreft, in de derde plaats gaan we nu zien dat Israël gezegend wordt in de kerk zoals die vergaderd wordt uit alle volken.

In vers 5 noemde de apostel als laatste voorrecht van Israël, dat uit hen Christus is voortgekomen. Maar Paulus heeft daar ook nog wat aan toegevoegd, (en hier volg ik de NBG-vertaling 1951) namelijk dat Christus "boven allen is, God, te prijzen tot in eeuwigheid!"

Het is juist daarom dat Israël Hem verworpen heeft. Ze zouden Hem graag aanvaard hebben als hun nationale leider en koning, maar niet als de Koning over allen, niet als de Verlosser van al het geschapene, dus ook van de heidense volken. Ze wilden niet hun eigen bevoorrechte positie als volk opgeven door te aanvaarden dat de andere volken in gelijke mate zouden delen in hun zegeningen.

Ook was het omdat Jezus zich zelf aan God gelijk maakte, aan de God van hún zegeningen, de alleen door hen geprezen God, dat ze Hem hadden overgeleverd in de handen van Pontius Pilatus om gekruisigd te worden. Het was hun totaal ontgaan dat ze juist door dat te doen hun bevoorrechte positie als Gods eigen volk in Gods eigen land verbeurd en verloren hadden. Veertig jaar later, in het jaar 70, heeft God dit oordeel laten uitvoeren door andere Romeinse machthebbers, toen Jeruzalem en de tempel werden verwoest en Israël over de hele wereld verstrooid werd.

Alleen maar, nu zou de vraag kunnen opkomen of Gods belofte aan Abraham dat in hem alle geslachten op aarde gezegend zouden worden dan zou zijn vervallen. De onder allerlei volken op aarde verstrooide Joden zijn veeleer tot een probleem geworden, ja vaak als een vloek beschouwd in plaats van als een zegen ervaren. En sinds ze in 1948 hun eigen nationale staat hebben gesticht, waarmee ze wat in het jaar 70 gebeurd is trachtten ongedaan te maken, zijn ze zelfs de oorzaak van grote spanningen in het Midden Oosten en zo voor de hele wereld geworden.

Het lijkt inderdaad meer op een vloek dan op een zegen voor de wereld.

Maar nee, zo antwoordt de apostel in vers 6: Nee, “God heeft zijn belofte niet gebroken”, de belofte dat in Abraham alle volken op aarde gezegend zullen worden, Israël inbegrepen. Weet u waarom niet? Daarom niet, zo gaat de apostel verder in de verzen 6b en 7, omdat "niet alle Israëlieten werkelijk tot Israël behoren, niet alle nakomelingen van Abraham zijn ook werkelijk zijn kinderen. Er staat immers geschreven: 'Alleen de nakomelingen van Isaak zullen gelden als jouw nageslacht'."

Zoals we weten, Abraham had twee zonen, Ismaël en Isaak. Ismaël was geboren, toen Abraham Gods belofte dat Sara een kind zou krijgen niet meer kon geloven, en hij daarom bij Hagar, Sara's dienstmeisje, een kind verwekte. Maar de HEER accepteerde Ismaël niet als de beloofde zoon, de zoon van de belofte. De HEER vervulde zijn belofte in de geboorte van Isaak.

Dat moeten we goed verstaan. Dit betekent niet dat Ismaël niet in Gods verbond was opgenomen en niet deelde in Gods verbondsbeloften. Ook van hem gold wat Paulus gezegd heeft over Israël; ook hij deelde in de besnijdenis, en het verbond, en de beloften. Als Ismaël zou hebben vertrouwd op God, en Gods beloften aan Abraham en zijn nageslacht had geloofd, dan zou hij ook met Abraham en Isaak gezegend zijn geweest. Maar we weten dat Ismaël niet geloofde, dat hij Isaak zelfs vervolgd heeft. Daarom werd hij weggestuurd, verbannen.

Maar wat betekenen dan die woorden van de HEER tot Abraham: “Alleen de nakomelingen van Isaak zullen gelden als jouw nageslacht "? Het betekent dat je de vervulling van Gods beloften niet krijgt door het zelf te doen op je eigen manier, door je eigen werken, maar alleen door eenvoudig God op Zijn Woord te geloven, die zelf wat Hij beloofd heeft ook bewerkstelligt. Paulus zegt het zo in vers 8: “ze zijn niet door hun natuurlijke afstamming kinderen van God, maar gelden als nageslacht van Abraham op grond van Gods belofte".

Met andere woorden, je kunt een bloedeigen kind van Abraham zijn via Ismaël, een Arabier dus, of via Isaak, een rasechte Israëliet; maar om de vervulling van Gods beloften te krijgen en een nakomeling van Abraham te zijn die daadwerkelijk de beloofde zegen ook genieten zal, daarvoor is iets anders nodig: geloof! Daarvoor is nodig geloof in Hem die eens uit Abrahams en Isaaks geslacht geboren zou worden: Jezus Christus. Als je voor de vervulling van Gods beloften vertrouwt op je afkomst en op je tot een bepaalde kring behoren, op je bondeling zijn en je gedoopt zijn en dat je lid bent van de kerk, dan grijp je er juist naast. Je moet vertrouwen op Hem die je in Zijn verbond heeft opgenomen, de Gód van je doop!

En dan trekt de apostel in vers 24 de conclusie uit dit alles. Wie zijn Abrahams kinderen, niet vanwege afkomst, maar door het geloof alleen? Wie vormen dus het ware, het echte Israël? Dat zijn, zegt Paulus in vers 24, zij die Hij geroepen heeft: wij, “die niet alleen uit het Joodse volk afkomstig zijn, maar  uit alle volken".

Het is dus inderdaad niet zo alsof het Woord van God niet echt gemeend en dus onbetrouwbaar zou zijn. Integendeel! De belofte dat in Abraham alle volken op aarde gezegend worden wordt vervuld in het vergaderen van de Christelijke kerk uit alle volken over de hele wereld. En in dat samenbrengen van allen die in Christus als hun Verlosser geloven worden maar niet losse individuen gered. Volken delen in Christus' verlossingswerk: Engeland en Rusland, Nederland en Korea, en ook de Palestijnen, en zo voort, allemaal van oorsprong heidense volken. Maar die niet alleen. Ook het Joodse volk; ook Israël hoort er bij.

En wat is dus vandaag Israëls positie temidden van de andere volken? Als een nationale staat heeft het dezelfde positie als bijvoorbeeld landen als Zweden of Japan. Israël dankt haar huidige bestaan als een nationale staat onder andere aan een ongelovige Zionistische beweging, en verder aan internationale erkenning en verdragen.

Maar die staat Israël is niet hetzelfde als het ware, het echte Israël. Immers, zoals de apostel het zegt in vers 6b: "Niet alle Israëlieten behoren werkelijk tot Israël!"  Maar wel is het zo dat in die Joden die Jezus met een waar geloof als hun Messias hebben aangenomen en zo tot Zijn kerk vergaderd zijn en worden, dat in hen ook Israël als volk gezegend is, samen met die andere volken.

Daarom zegt Paulus in hoofdstuk 10:1: “Broeders en zusters, ik wens uit de grond van mijn hart en bid tot God dat ze zullen worden gered ".

Gemeente, leeft dit verlangen ook in ons hart? Bidden ook wij daarvoor tot God?

 

AMEN

 

terug naar boven

 

6

 

De zesde van de negen heeft als tekst Romeinen 11:1-10. Voor de orde van eredienst worden hier enkele suggesties vermeld. De psalmen en gezangen zijn uit het Gereformeerd Kerkboek.

SCHRIFTLEZING: Romeinen 10

Aanvangslied: Psalm 81:1-5

Na de Tien Woorden: Psalm 81:6, 7

Na Schriftlezing: Psalm 81:8, 9, 10

Na de preek: Psalm 102:6, 7, 8, 10

Slotzang: Gezang 160

 

Geliefde gemeente van onze Heer Jezus Christus,

 

In hoofdstuk 9 is Paulus begonnen te spreken over Israëls positie temidden van de andere volken. Als we willen weten wat Israëls positie is, ook in onze tijd, moeten ook wij hun behoud begeren, en daarom bidden. Maar tegelijk moeten we dan ook onszelf afvragen wat onze houding is ten aanzien van anderen die, net als Israël, het Woord van God gehoord hebben en toch op een of andere manier zijn afgedwaald. We hebben in onze tijd niet alleen met Joden te maken die van de HEER zijn afgedwaald, maar ook met velen die nog Christenen en Christelijke denominaties worden genoemd.

Wat nu de situatie in Paulus’ tijd betreft: veel Joden wilden toen niets van Jezus als de Christus weten. Dat er door alleen maar in Hem te geloven ook behoud zou zijn voor de heidenen, daar moesten ze niets van hebben. Het zou dan ook heus niet zo vreemd geweest zijn als de Christenen in Rome daarom gezegd zouden hebben, of in de praktijk zo zouden hebben gehandeld: nu, dat is dan toch hun eigen schuld. Ze hebben toch ook de Bijbel, dan hoeven wij toch niet altijd weer een appel op hen te doen en een gesprek met hen aan te gaan? Zou het juist niet beter zijn als we ons maar helemaal van hen afzonderen? Ze zijn toch eigenlijk niet meer als Gods verbondsvolk te beschouwen!

Ja gemeente, die Christenen in Rome konden zomaar de conclusie gaan trekken dat God het volk Israël verstoten had. Maar het is dan ook juist om die reden, en om ze hun roeping ten aanzien van Israël en de Joden voor ogen te stellen, dat de apostel zegt in onze tekst: "Dan is nu mijn vraag: heeft God zijn volk soms verstoten?"

Uit Paulus' antwoord op die vraag verkondig ik U, opdat ook wij onze roeping vandaag mogen zien: GOD HEEFT ZIJN VOLK ISRAËL NIET VERSTOTEN

1. DE HISTORISCHE FEITEN TONEN DIT (1-5a)

2. HET IS DOOR GENADE ALLEEN (5b-6)

3. ISRAËLS VAL BEVESTIGT DIT (7-10)

 

1. In de verzen 1-4 toont de apostel aan uit de historische feiten dat God Israël niet verstoten heeft als het volk waarmee Hij zijn Verbond heeft opgericht.

De apostel toont dit aan uit de feiten. Het eerste dat Paulus aanvoert als bewijs dat God zijn volk niet verstoten heeft is het eenvoudige feit, dat hij zelf een Israëliet is, een nakomeling van Abraham, afkomstig uit de stam Benjamin.

Het loutere feit dat Paulus, die zelf een Jood is en zelfs een vijand van Christus en zijn kerk is geweest, toch behouden is, bewijst dat God zijn volk niet heeft verstoten.

Wel moeten we natuurlijk de feiten zien in het licht van Gods Woord. Dat is dan ook wat Paulus doet. Want toen hij die vraag of God dan zijn volk had verstoten stelde en beantwoordde maakte hij gebruik van woorden uit het Oude Testament. Je vindt ze daar drie keer, in de historische boeken, in de Psalmen, en in de Profeten.

In 1 Samuël 12:19 lezen we dat het volk Israël zijn zonde belijdt dat ze gevraagd hebben om een koning zoals de andere volken die hebben. Dan zegt Samuel tot hen (in vers 22 volgens de vertaling NBG-1951):”De HERE zal zijn volk niet verstoten, om der wille van zijn grote Naam. De HERE heeft immers verkozen U tot zijn volk te maken”.

Daaruit zien we dat de belofte dat God zijn volk niet verstoten zal gebaseerd is op het feit dat Hij uit vrije wil hen gekozen heeft om ze tot Zijn volk te maken. Niet wat ze zelf doen, zelfs niet hun berouw is de grond daarvoor, maar alleen Gods verkiezing.

Diezelfde belofte wordt herhaald en beleden in Psalm 94:14, waar staat: “Nee, de HEER zal zijn volk niet verstoten, zijn liefste bezit niet verlaten”.

En een derde keer wordt dit herhaald in Jeremia 31:37, toen het er inderdaad wel op leek dat Israël door God verstoten werd in de Babylonische ballingschap: “Dit zegt de HEER: Zoals de hoogte van de hemel niet gemeten wordt, . . zo verwerp ik niet het nageslacht van Israël om alles wat het heeft misdaan”. Met andere woorden, ik zal ze nooit allemaal verstoten.

Dit alles betekent dat, toen Panlus die vraag stelde en beantwoordde door direct op de feiten te wijzen, hij dat deed in het licht van de Schriften. De apostel maakt dit zo duidelijk mogelijk door in vers 2 het antwoord nog eens te herhalen, maar dan met deze toevoeging: “God heeft Zijn volk, dat hij al van tevoren uitgekozen heeft, niet verstoten “.

Het is dus vanwege Gods verkiezing van zijn volk dat de historische feiten uitwijzen dal God Zijn volk niet verstoten heeft. Er gaat van die historische feiten een boodschap uit, omdat God zelf Zijn eeuwige Raadsplan in die feiten verwerkelijkt; en we kunnen die boodschap dan ook echt en correct verstaan, als we de feiten maar interpreteren in het licht van Gods Woord.

Dan moeten we natuurlijk Gods Woord wel kennen. Vandaar dat Paulus in de verzen 2 en 3 zegt: “Of weet u niet wat de Schrift over Elia zegt, hoe hij Israël bij God aanklaagt? HEER, uw profeten hebben ze gedood, uw altaren verwoest. Ik ben als enige overgebleven, en nu hebben ze het ook op mijn leven voorzien”.

Kennen we die geschiedenis uit 1 Koningen 19? Ja toch! Elia had alle moed verloren en was de woestijn ingevlucht waar hij de HEER vroeg hem weg te nemen omdat, zoals hij het zag, hij de enige overgebleven gelovige zou zijn. Volgens hem was het duidelijk dat het volk van God volledig verloren was, dat God zijn volk had verstoten, en dat er voor hen geen hoop meer was.

Ja gemeente, dat is een gevaar om altijd voor op je hoede te zijn, dat we zo zouden gaan redeneren. Stel je voor dat we gaan zeggen: wij zijn de enige trouwe gelovigen die er nog zijn, al die anderen betekenen niets meer, we hoeven dus niet meer met hen te rekenen en contact met hen te zoeken; we geloven niet dat er onder hen nog gelovigen zijn die ook behoren tot het volk van God, zijn kerk in onze tijd.

Men kan zo redeneren in wanhoop, zoals dat bij Elia het geval was, maar het kan ook op een hoogmoedige manier gezegd worden. Ook de Christenen in Rome waren niet immuun voor een dergelijke manier van spreken, of althans van in de praktijk zo handelen.

Maar hoe luidt het antwoord van God aan hem?, zo gaat de apostel daarom verder in vers 4: “Ik heb zevenduizend mensen voor mij zelf in leven gelaten; die hebben niet voor Baäl geknield”.

Zevenduizend! Zo lagen de feiten, maar Elia had deze feiten gewoon over het hoofd gezien en er totaal geen rekening mee gehouden.

Je vraagt je af hoe dat eigenlijk mogelijk was! Maar weet u hoe dat kwam? Het was eigenlijk best begrijpelijk! Al wat Elia had gezien en had ervaren was dat het hele volk van Israël de Baäls diende en hem vervolgde.

Ja, maar God was er toch ook nog, God, die Zijn Woord gesproken had over de kerk die Hij zich vergadert. Waar het dan ook om gaat is, dat de kerk niet iets is om op zichzelf gezien en ervaren te worden (dan valt het juist vaak tegen!) maar dat de kerk moet worden geloofd omdat ze inhoud is van Gods belofte.

Ik heb zevenduizend mensen voor mij zelf in leven gelaten, zegt God. Hoort u dat, gemeente? De kerk is niet onze kerk maar Gods kerk, en daarom is niet de manier waarop wij haar leden tellen beslissend en definitief, maar alleen de manier waarop God dat doet. En dan trekt de apostel daaruit de conclusie in vers 5(a): “Zo is ook nu een klein deel over dat God uit genade uitgekozen heeft”, de zevenduizend, ook nu.

Daar hoort bijvoorbeeld Paulus zelf bij. Maar daar horen ook bij die duizenden die tot het geloof gekomen waren op de eerste Pinksterdag. Daar zijn ook de duizenden Joden bij die gelovigen werden in de dagen en jaren die daarop volgden. Die feitelijke situatie van duizenden Joodse gelovigen die door Gods Woord en Geest vergaderd werden in de Christelijke kerk en dan ook terecht Christenen genoemd werden; dat alles bewijst dat God Zijn volk Israël niet verstoten heeft als volk van Zijn verbond. In het overblijfsel dat bezig is behouden te worden is Gods verbondsvolk Israël bezig behouden te worden. We moeten dan ook niet zeggen dat Israël als geheel, als volk, verloren is, en dat er alleen maar individuele uitzonderingen zijn die behouden worden. Nee, maar als we het feit dat er individuele Joden behouden worden bezien in het licht van de Schrift, dan zien we dat, of het er nu veel of weinig zijn, in hen als een overblijfsel heel Israël behouden wordt, en dat dus zo, in hen, al Gods profetieën en beloften in het Oude Testament bezig zijn vervuld te worden.

Gemeente, moet dit ons dan ook niet verlangend maken, en ijverig, in het proberen zoveel Joden te bereiken met het Evangelie als ons mogelijk is? Trouwens, dat geldt niet alleen ten aanzien van Joden, maar net zo goed ook voor het ons uitstrekken naar andere Christenen, opdat die ook met ons de afval van het geloof mogen bestrijden en hun vertrouwen in de HEER alleen stellen, en opdat in die weg ook in hen hele gemeenschappen of volken behouden mogen worden.

Geloven we het nog, gemeente, dat de HEER ook vandaag de 7000 bewaart voor zichzelf, zelfs ook daar waar wij dat het minst verwachten, en hebben we dan ook oog voor zulke feiten in het licht van de Bijbel?

 

2. Alleen maar, het is enkel door genade dat dit mogelijk is. Daarop letten we in de tweede plaats. Want laten we maar eerlijk zijn: in onze ogen is dit toch ongelooflijk! Is dat werkelijk mogelijk, als enkele individuele personen uit andere gemeenschappen behouden worden, dat in hen als een overblijfsel die hele gemeenschap of dat hele volk waartoe ze behoren behouden wordt?

Nogmaals, dit zou inderdaad onmogelijk zijn en daarom niet geloofd mogen worden, als het niet mogelijk was door Gods genade. Maar het is inderdaad Gods genade die er de oorzaak van is dat God ook vandaag nog Israël niet als zijn verbondsvolk heeft verstoten.

Want, zo zegt Paulus in vers 5, "Zo is ook nu een klein deel over dat God uit genade uitgekozen heeft”. Het was dan ook niet omdat Elia en die andere zevenduizend gelovigen beter waren dan de rest van Israël, zodat ze daarom hun knieën niet voor Baal gebogen hadden. Nee, het was Gods genade waarin Hij in hen als een overblijfsel zijn verkiezing van Israël als zijn volk verwerkelijkte.

Op dezelfde manier is het dan ook niet omdat wij, Vrijgemaakt Gereformeerden, zo'n glorieuze geschiedenis hebben, en zo trouw zijn, en er zo'n voorbeeldige Christelijke levensstijl op na houden (als dat zo is tenminste! we mogen het hopen).

Nee, het is vanwege Gods genade als God de verkiezing van zijn kerk ook wil verwerkelijken door ons die geloven in Jezus Christus als onze enige Heiland en als het enige Hoofd van de kerk. Want, zo zegt de apostel Paulus in vers 6, "wanneer ze uit genade zijn uitgekozen, dan is dat niet omdat ze de wet naleven, want in dat geval zou de genade geen genade meer zijn" .

En dat was nu juist de ellende met Israël, dat het zijn identiteit als kerk, als Gods verbondsvolk, bij zichzelf zocht, in zijn als ras afstammen van Abraham, en in zijn volbrengen van de wet die God aan Abrahams volk gegeven had. En dat terwijl Israël gedurende alle eeuwen van zijn volksbestaan in Kanaän alleen maar volk van God was geweest door genade. Ook in al die eeuwen was Israël nooit door God verstoten, omdat God ook toen altijd voor zichzelf een overblijfsel bewaard had; een overblijfsel van hen die hun behoud niet in hun eigen werken zochten, maar door het geloof alleen.

Zo heeft de HEER ook vandaag in allerlei landen, in Egypte en in Nederland, in Irak en Italië en in de Verenigde Staten en noem maar op, een overblijfsel bewaard voor zichzelf. En het is in dat overblijfsel dat die volken behouden worden.

Het is hier in Nederland dus niet vanwege onze werken van Reformatie en Vrijmaking, of in Amerika niet vanwege een meer praktische en daarom in de ogen van sommigen betere theologie. Immers, wat hebben Vrijgemaakten of Puriteinen of Christelijke Gereformeerden of Presbyterianen, om maar eens een paar namen te noemen, wat hebben ze om in te roemen? Wie ook maar hun Christen zijn of hun kerk zijn zouden willen rechtvaardigen door zichzelf of hun eigen kerk zuiver of waar te noemen met uitsluiting van anderen die hun behoud alleen in Gods genade in Jezus Christus zoeken en vinden, die zullen dat doende juist niet verkrijgen wat ze zoeken.

 

3. Maar, gemeente, zelfs als wij of anderen falen, doordat we niet verkrijgen wat we zoeken, in Nederland of in welk ander land ook, en dat geldt dus ook van de staat Israël, dat betekent niet dat de HEER Zijn volk hier en elders niet bewaren zou. Dat volgt ook niet uit Israëls val. Ik mag u dan ook in de derde plaats verkondigen dat Israëls val zelfs een bevestiging is van het feit dat God het niet als Zijn verbondsvolk verstoten heeft.

Want, zo concludeert de apostel op grond van het voorgaande in vers 7, "Wat betekent dit alles? Wat Israël heeft nagestreefd, heeft het niet bereikt". Maar dat betekent niet dat het dus door God verstoten is. Immers, wat Israël zocht en niet verkreeg – gerechtigheid, rechtvaardig zijn in Gods ogen, en zo het recht om Gods volk genoemd te worden en kinderen van Abraham te heten – : “alleen zij die zijn uitgekozen hebben het bereikt. De overigen werden onbuigzaam".

Eigenlijk zegt Paulus het nog iets anders. Letterlijk vertaald staat er niet, zij die zijn uitgekozen hebben het bereikt, maar: "de verkiezing heeft het verkregen". Met andere woorden, in plaats van te verwijzen naar de uitverkorenen die het verkregen hebben, naar die mensen dus, verwijst Paulus ons naar Gods daad van verkiezing, zoals die door God gerealiseerd wordt in de vergadering van de uitverkorenen in zijn kerk. In het overblijfsel dat de HEER voortgaat uit de Joden bijeen te brengen wordt het volk van Israël door God bewaard als zijn volk, zijn Israël.

Zij zijn Israël!

En zij die niet geloven, zij die doorgaan met Christus te verwerpen? Zij worden hier niet 'Israël' genoemd, maar 'de overigen' (Grieks: hoi loipoi). Of hun getal nu veel groter is dan dat van de gelovigen of niet: zij zijn ‘de overigen'.

Zij werden onbuigzaam, zij zijn verhard, zegt Paulus hier, precies zoals dat over hen al is geprofeteerd in het Oude Testament. Ze zijn als het ware vastgevroren in hun houding van ongeloof; en dat is de situatie waarin het natuurlijke Israël zich nog altijd bevindt, als een oordeeI van God over het feit dat ze zichzelf in die positie gebracht hebben.

En zo, gemeente, zo zijn dan ook de profetieën van het Oude Testament vervuld in de situatie waarin de staat Israël zich vandaag in het Midden Oosten bevindt. Ondanks de vredesbesprekingen (als die er al zijn) lijkt het er op dat ook hun positie in de Arabische wereld nog altijd bevroren is.

Natuurlijk hebben we begrip voor de moeilijke situatie waarin de staat Israël zich bevindt, gaat onze sympathie naar hen uit, en hopen we dat vredesbesprekingen toch nog tot een positief resultaat zullen leiden, tot erkenning van de staat Israël en vrede met haar. Maar hun positie ten aanzien van Jezus Christus is bevroren en blijft, zoals Paulus het zegt, verhard, zolang de staat Israël en de Joden onbuigzaam blijven. Het is die onbuigzaamheid die maakt dat ze blijven beweren dat ze recht hebben op een eigen land in het Midden Oosten, recht vanwege het feit dat het eeuwen geleden Israëls beloofde land was, al beloofd aan Abraham. Want die belofte is niet meer van toepassing op Israël als een nationale staat.

Het is inderdaad waar dat ook in Israëls positie als een nationale staat de profetieën van het Oude Testament vervuld worden. Want door rechten op hun land te laten gelden op grond van Zionistische principes falen ze nog steeds in het verkrijgen van de gerechtigheid die God beloofd heeft voor allen die geloven in Jezus Christus en leven uit Zijn genade alleen. Zo is ook de huidige staat Israël in zijn verharde of vastgevroren positie een bevestiging van de waarheid van Gods Woord.

Ze zijn het harde bewijs, het hard gewórden bewijs van Gods verbondswraak, waaraan alleen zij ontsnappen en van gered worden die vrede hebben met God door Jezus Christus, en die zo, als het overblijfsel van Israël, door Gods genade vergaderd worden in zijn kerk.

Nog is er hoop voor Israël. Niet zo zeer voor Israël als een nationale staat, maar voor Israël als volk van Gods verbond. Gods genade geeft hoop, aan Joden en aan Nederlanders, aan Russen en Egyptenaren; ja, aan allen die uit alle volken en naties vergaderd worden in Christus' kerk.

En zo is er dus ook hoop voor ons, broeders en zusters, jong en oud!

 

AMEN

 

terug naar boven

 

7

 

De zevende van de negen heeft als tekst Romeinen 11:11-24. Voor de orde van eredienst worden hier enkele suggesties vermeld. De psalmen en gezangen zijn uit het Gereformeerd Kerkboek.

SCHRIFTLEZING: Ezechiël 37:1-14

Aanvangslied: Psalm 100:1-4

Na de Tien Woorden: Psalm 80:1, 2

Na Schriftlezing: Psalm 80:8, 9, 10

Na de preek: Gezang 47:3, 4, 6

Slotzang: Liedboek 26:1-4

 

Geliefde gemeente van onze Heer Jezus Christus,

 

U hebt misschien ook wel eens gehoord van Joden die Jezus als de Messias hebben aangenomen, maar die toch geen Christenen genoemd willen worden. Ze willen zich dan ook niet aansluiten bij een Christelijke kerk. Ze noemen zichzelf graag Messiaanse Joden, en ze geloven dat ze, nu ze Jezus hebben erkend als de beloofde Messias, nog meer Joods zijn dan ooit tevoren.

Bij één van hen las ik eens de volgende uitspraak: "Het is Gods bedoeling om dit volk in stand te houden voor de dag, wanneer de volheid van het Messiaanse Koninkrijk tot stand komt, en allen die bij dit volk horen de Messias zullen kennen".

Ze voelen zich wel geestelijk één met gelovigen uit de andere volken. Toch willen ze binnen het lichaam van Christus een onderscheid handhaven tussen twee groepen: aan de ene kant de Messiaanse Joden, en aan de andere kant de Christenen uit de andere volken, uit de heidenen.

Nu is het wel de vraag of onze Heer, het Hoofd van de kerk, ook twee zulke verschillende groepen binnen de ene algemene Christelijke kerk erkent. Zou het echt waar zijn dat God nog enkele bijzondere beloften heeft voor die ene groep van Messiaanse Joden? Bijvoorbeeld deze belofte, dat zij als een politieke eenheid hersteld zullen worden in een Messiaans Koninkrijk waarin alle Joden de Messias zullen kennen?

Als bewijs voor deze gedachte wordt vaak verwezen naar Paulus' woorden in vers 25 van dit hoofdstuk. Daar zegt hij: "er is een goddelijk geheim dat ik u niet wil onthouden . . . Slechts een deel van Israël werd onbuigzaam, en dat alleen tot het moment dat alle heidenen zijn toegetreden. Dan (of: zo, zie vertaling NBG 1951) zal heel Israël worden gered".

Nu heb ik dat 25e vers nog niet bij onze tekst van vandaag genomen. Immers, om goed te begrijpen wat Paulus daar bedoelt moeten we eerst de daaraan voorafgaande verzen goed lezen.

Uit het begin van dit hoofdstuk, de verzen 1-10, blijkt dat God Israël niet verstoten heeft, omdat het behouden is in het overblijfsel. Paulus wees bijvoorbeeld naar zichzelf, en er waren ook een heleboel andere Joden die bij de Christelijke kerk gekomen waren. De apostel vergeleek die situatie met die in de tijd van Elia, onder koning Achab, toen de HEER voor Zichzelf 7000 mensen bewaard had. Vandaar zijn conclusie in vers 5: "Zo is ook nu (in Paulus’ tijd dus) een klein deel over dat God uit genade uitgekozen heeft".

Nu zijn we inmiddels bijna 2000 jaar verder. Er is in de afgelopen eeuwen heel wat gebeurd met de volken, en in het bijzonder met de Joden die onder de andere volken verstrooid werden. Miljoenen van hen werden vermoord, terwijl zij ieder jaar hun verlangen uitspraken om naar Jeruzalem terug te keren. Toch heeft God de geschiedenis zo geleid dat veel Joden zich in Palestina hebben gevestigd en daar de staat Israël gesticht hebben.

En nu is de vraag of de apostel Paulus, – naast wat hij te zeggen heeft over de situatie van Israël in zijn dagen – , ook een boodschap heeft aangaande de toekomst van Israël. Zou Paulus ook enig licht laten schijnen over de positie van Israël in onze tijd, en wat we mogen verwachten van de moderne staat Israël in verband met de kerk en het Koninkrijk van God?

Het is met het oog daarop dat ik u vandaag als het Woord van God in onze tekst verkondig: GODS BEDOELING IN WAT HIJ DOET MET ISRAËL.

In wat God doet met Israël

1. WERKT HIJ AAN HET HEIL

   VOOR DE VOLKEN VAN DEZE WERELD (11:11-15)

2. GEEFT HIJ EEN WAARSCHUWING

   AAN DE LEDEN VAN DE KERK (11:16-22)

3. TOONT HIJ ZIJN MACHT

   IN HET HOUDEN VAN ZIJN VERBOND (11:23-24)

 

1. In de eerste plaats werkt God, in wat Hij doet met Israël, aan het heil voor de volken van deze wereld.

Om dat in te zien is het goed te weten, waarom Paulus deze brief aan de Christenen te Rome schreef. Ik vat dat daarom eerst in het kort samen.

De Christenen in Rome hadden tot dan toe de synagoge van de Joden in Rome nog niet geconfronteerd met het Evangelie van Jezus Christus. Toen Paulus later zelf in Rome aankwam, we lezen dat in Handelingen 28, was dit daarom het eerste wat hij ging doen.

Als Paulus in onze tekst dan ook gaat spreken over wat God ook in de toekomst nog met Israël voor heeft is dat maar niet een wel interessante maar verder toch eigenlijk onbelangrijke kwestie. Nee, maar hij wil aan die gelovigen daar laten zien wat hun roeping is. En dus, als ook wij ons afvragen wat vandaag nog Gods eventuele bedoelingen met Israël zijn mogen we alleen maar benieuwd zijn naar het antwoord op die vraag met het oog op onze roeping, op onze taak ten opzichte van Israël.

Nu, in vers 11 stelt Paulus inderdaad die vraag naar Gods bedoeling in alles wat met Israël is gebeurd. Was het alleen maar Gods bedoeling om Israël verder te laten vallen, nu het Gods plan dat het de Verlosser van de wereld moest voortbrengen volbracht heeft? Was Israëls definitieve val de bedoeling, omdat het zijn taak uitgediend had? Als dat zo zou zijn, dan zou dat betekenen dat God nu een totaal nieuw begin gaat maken door in de plaats van Israël als Gods volk nu een Nieuwtestamentische Christelijke kerk te stichten. Van die kerk worden dan ook nog wel enkele gelovig geworden Joden lid, maar verder zou het toch eigenlijk iets totaal nieuws zijn, een kerk die het oorspronkelijke volk van God, Israël, vervangen gaat. Dan zou de zogenaamde vervangingstheorie dus gelijk hebben.

Maar dat is niet zo! "Dat in geen geval!', zegt de apostel hier in vers 11. Wel geeft hij toe dat door Israëls val het heil nu tot de heidenen gekomen is, maar dit was niet Gods enige doel. Daar zit nog een andere bedoeling achter, deze bedoeling dat de heidenen ook daarom in het heil mogen delen, om de Joden jaloers te maken: want "daarop moesten zij (de Joden) afgunstig worden”.

Want hoe was de situatie voordat Israël apart was gezet als het volk van God? Voordat de HEER Abraham uit Ur der Chaldeeën naar Kanaän riep werd de kerk vergaderd uit alle volken. Pas toen die bijna allemaal de HEER verworpen hadden riep God Abraham om voortaan via hem en het volk Israël zijn kerk te vergaderen. Dit ging zo vele eeuwen door. Want God liet de andere volken op hun eigen wegen wandelen. Totdat Christus geboren werd uit Abrahams geslacht, uit Israël. En toen? Toen was de tijd gekomen dat alle volken opnieuw zouden delen in het heil, gezegend in deze nakomeling van Abraham en Israël. Alle volken delend in die zegen; dat betekent uiteraard ook Israël.

Eeuwen lang was Israël als het ware de nauwe rivierbedding geweest waardoor het water van het heil stroomde. Maar nu, zo zegt de apostel in vers 12, nu stroomt vanwege Israëls val het water van het heil weer door de hele wereld. Zo is de hele wereld nu rijk geworden.

Ja, ook Israël. Want de wereld zou natuurlijk minder rijk zijn als een deel van de wereld, Israël, daar niet in delen zou (vers 12). Aan de andere kant zal de wereld zelfs nog rijker zijn als ook Israël behoort bij al die volken waarnaar de blijde boodschap van heil en verlossing uitgaat.

En zo trekt de apostel dan in vers 13vv hieruit een conclusie. Hij gaat daarmee nu in het bijzonder de Christenen in Rome aanspreken. “Ik spreek nu tot degenen onder u die uit heidense volken komen” (vers 13). Ze weten hoe ijverig Paulus altijd geweest is als het ging om zending onder de heidenen. Hij noemt dat zijn heerlijke, zijn prachtige bediening. Ja, zo zegt hij hier dan ook, maar als ik het daartoe zou beperken, als het er me alleen maar om te doen zou zijn zoveel mogelijk heidenen en heidense volken met het Evangelie te bereiken, dan zou ik toch tekort schieten in mijn bediening. Dan zou ik die juist minder schitterend maken. Maar het prachtige in mijn bediening is juist (vers 14), "dat ik hoop afgunst bij mijn volksgenoten op te wekken en een deel van hen te redden".

Gemeente, hieruit is dus wel heel duidelijk dat Israël is inbegrepen bij de kerk die uit alle volken vergaderd wordt. Dat mogen de Christenen in Rome niet vergeten, en dat mogen ook wij vandaag nooit vergeten. Dat hoeft natuurlijk helemaal niet te betekenen dat Paulus een massale bekering verwacht, en dus zeker niet een Christelijk-Messiaanse staat Israël zoals velen daar in onze tijd van dromen. Paulus spreekt in vers 14 niet voor niets over zijn hoop een deel van hen te redden.

Het aantal is niet beslissend, maar beslissend is dat de kerk, die nu uit alle volken vergaderd wordt, de Joden niet gaat vergeten, zoals dit zo gemakkelijk gebeuren kon in Rome in Paulus' dagen, maar ook vandaag bij ons hier in Nederland. Of, geloven we misschien niet dat het mogelijk is Joden voor Christus en zijn kerk te winnen? Het lijkt inderdaad ongelofelijk!

Het is waar, dat zou inderdaad een wonder zijn, zoiets als het opnieuw tot leven brengen van de doden. Ja, zo'n groot wonder zou dat inderdaad zijn, gemeente. En dat is nu precies wat de apostel zegt in vers 15: “als God zich met de wereld heeft verzoend toen hij hen verwierp, wat zal hij dan, wanneer hij hen opnieuw aanvaardt, anders teweegbrengen dan hun opstanding uit de dood?"

Opstanding, leven uit de dood! Maar dat is precies waar Ezechiël van heeft geprofeteerd in Ezechiël 37. Hij zag daar in een visioen een dal vol dorre doodsbeenderen en skeletten, die weer opnieuw bedekt werden met spieren en vlees en huid. Ezechiël moest daarover toen profeteren dat de HEER er ook geest in brengen zou en ze zou doen herleven.

Kijk, gemeente, dat heeft onze Heer tot vervulling gebracht en mogelijk gemaakt in zijn eigen opstanding uit de doden. In Jezus' opstanding geloven, dat is maar niet een stukje dogmatiek, hoe belangrijk ook, maar een levende werkelijkheid in je leven. Het betekent dat we dan ook geloven dat God niet alleen oorspronkelijke heidenen, maar ook Joden tot Christus bekeren kan, en weer inlijven in zijn kerk, ook vandaag, zowel in de staat Israël als ook hier in Nederland. In alles wat God in het verleden met Israël heeft gedaan is altijd dit Gods doel geweest, dat het heil zou uitgaan naar alle volken over de hele wereld. Alle volken, en dus ook Israël daarbij inbegrepen!

 

2. Maar dat dit Gods doel met Israël altijd is geweest, en dat nog is, houdt ook een ernstige waarschuwing in voor allen die behoren tot Christus' kerk.

In de verzen 16-22 vergelijkt Paulus de leden van de kerk met takken aan een olijfboom. Die zijn allemaal afhankelijk van de wortel van die boom. Met de wortel van de olijfboom wordt de patriarch Abraham bedoeld, waaruit het volk Israël is voortgekomen. Maar wat is er gebeurd, zo lezen we verder in vers 17? "Sommige takken van de edele olijfboom zijn afgebroken", namelijk die Joden die Jezus verworpen hebben als de beloofde Messias; "en u", gelovigen uit de heidenen, u, “loten van een wilde olijfboom, bent tussen de overgebleven takken geënt en mag delen in de vruchtbaarheid van de wortel ".

Met andere woorden, het feit dat Joden zijn afgesneden en dat heidenen zijn toegevoegd tot de kerk van God betekent niet dat de Christelijke kerk dus een nieuwe kerk zou zijn, waar alleen maar enkele individuele Joden als een overblijfseltje van de oude kerk bij zouden mogen horen.

Nee, zo is het niet! De apostel maakt het wel heel duidelijk dat dit te geloven heel hoogmoedig zou zijn. Alsof het Joodse volk een soort van tweederangs volk geworden zou zijn! Helaas, zo hebben zogenaamde Christelijke volken, maar ook veel Christelijke kerken alle eeuwen door op het Joodse volk neergekeken. Paulus, of liever de Heilige Geest die hem dit liet schrijven heeft het al zien aankomen, en het begin daarvan was misschien al te zien in Rome.

Zeker, alle volken moeten gewonnen worden voor Christus, door zending en door evangelisatie. Maar wat is daarin de plaats van het Joodse volk? Door in Rome geen contact op te nemen met de synagoge deed men toen, al was het onbedoeld, toch in de praktijk alsof men een nieuwe kerk was. Enkele Joden hadden zich daar ook bijgevoegd, en dat was natuurlijk prachtig; maar daar bleef het bij, tot Paulus zelf in Rome aankwam.

Broeders en zusters, lopen wij niet hetzelfde gevaar, zowel ten aanzien van het Joodse volk, hier en in Israël, als ook in onze verhouding tot kerken waarmee we dezelfde historische afkomst delen?

De apostel laat het toch wel duidelijk zien dat als de historische wortel dezelfde is, we nog altijd een zekere verantwoordelijkheid hebben ten opzichte van hen die deze wortel met ons delen. Want, zo zegt hij in vers 18, het is niet zo dat de kerk uit de heidenen de wortel draagt; Nee, het is net andersom: de wortel draagt u, Christenen uit de andere volken.

En wat bedoelt Paulus hier met de wortel? Abraham! Abraham is de wortel van de boom die Gods volk symboliseert, en de Joden zijn de oorspronkelijke takken. Nu zijn er een aantal takken afgebroken, maar op de wortel, en dus op de boom, zijn loten van een wilde olijfboom, van de heidense volken dus, ingeënt, en nu groeien daar ook takken aan, de oorspronkelijk heidense kerkleden.

Het lijkt dus misschien wel een nieuwe boom, een nieuwe kerk, maar in werkelijkheid is het nog altijd dezelfde boom die groeit uit dezelfde oude Abrahamwortel.

Het is wel een wonder; het is niet een natuurlijke groei. Het is een wonder dat alleen maar mogelijk is 'door het geloof'. Er is dus geen enkele reden om zichzelf in trots te verheffen boven het oude verbondsvolk, want, zo zegt de apostel in vers 21, "als hij (God) de oorspronkelijke takken al niet heeft gespaard, zou hij u dan wel sparen?"

Wat een ernstige waarschuwing, voor de gelovigen in Rome, maar ook voor ons hier, in onze tijd. Het is een waarschuwing die ons echt op het hart gebonden wordt, want het laat ons ook zien hoe streng God kan zijn. Gods goedheid voor niet-Joden die Hij in zijn kerk vergadert terwijl veel Joden in zijn strengheid zijn afgesneden moet ons niet doen denken dat wij iets op hen voor hebben en dat God met hen niet meer te maken wil hebben. Wij mogen dan ook niet doen alsof ze er eigenlijk niet meer zijn, al die mensen die buiten onze gemeenschap staan.

Nee, we moeten acht geven op Gods goedheid voor ons dat we tot zijn kerk mogen horen; maar tegelijk moeten we niet vergeten dat dit alleen maar genade is; want als we dat niet beseffen, worden ook wij afgebroken.

De apostel schudt de leden van de kerk in Rome zo wel wakker; het is wel raak wat hij hier zegt. Maar voelen nu ook wij ons hierdoor aangesproken? Ja, misschien doet het zelfs wel pijn. Dat is dan ook precies de bedoeling van Gods Woord in onze tekst. Het moet ons gevoelig raken, omdat we anders zelf zouden kunnen worden afgebroken vanwege onze zelfgenoegzaamheid.

 

3. Dan, in de derde plaats, zien we dat het ook Gods bedoeling is om ons in het houden van Zijn verbond met Israël Zijn macht te tonen. Onze Verbondsgod is een almachtige God. Dat betekent niet dat God alles wat Hij kan doen ook werkelijk zal doen. Daarom mogen we dan ook nooit zeggen dat het er dus echt niet toe doet van welke kerk je lid bent omdat God immers de macht heeft om mensen uit welke kerk ook maar te behouden, en de kerk daar zelfs niet eens voor nodig heeft. Als we ons door een dergelijk geloof in Gods almacht zouden laten motiveren in het praten en samenwerken met andere kerken en christenen, dat zou absoluut verkeerd zijn!

Maar God toont zijn macht in de manier waarop Hij trouw is aan zijn verbond en aan zijn verbondsvolk.

Dat lezen we in de verzen 23 en 24. Want hier zegt de apostel dat God bij machte is om afgebroken takken van Israël opnieuw in de olijfboom in te enten. Nu zou iemand kunnen zeggen: goed, God kan dat wel doen; maar zal Hij het ook werkelijk doen? Is er enige reden om daarop te hopen, en dus ook om er voor te bidden en te werken? Jazeker, zegt Paulus dan in vers 24: “immers, als u die van nature een tak van de wilde olijfboom bent, tegen de natuur in op de edele olijfboom bent geënt, hoeveel eerder zullen dan zij die er van nature bij horen op die boom worden geënt”.

Op die boom, of zoals de NBG vertaling 1951 het heeft: “op hun eigen olijf”!

Hoort u dat? “Op hun eigen olijf”! Dit betekent dat het niet alleen in Paulus’ tijd, maar ook voor de toekomst geldt wat Paulus hier zegt: als heidenen kunnen worden ingeënt in de boom waarvan Abraham de wortel is, hoeveel te meer zullen de natuurlijke takken weer ingeënt kunnen worden in hun eigen olijfboom. Met andere woorden, de Christelijke kerk waartoe wij door Gods genade mogen behoren is de olijfboom van de Joden: de kerk is Israël. -

Paulus is in onze tekst begonnen met te laten zien dat ook Israël behoort bij de volken van de wereld waaruit God nu zijn kerk vergadert. Maar hier gaat hij zelfs nog verder. Niet alleen dat ook Israël behoort bij die volken, nee, maar alle volken, voor zover zij vergaderd zijn in de Christelijke kerk, zijn daarmee opgenomen in Israël!

God heeft de oevers van de nauwe bedding van Israël, waardoor het water van het heil sinds Abraham en Jacob gevloeid heeft, verruimd en die bedding wijder gemaakt om alle volken te omvatten. God heeft dus niet met Israël gebroken en zijn vergaderen van de kerk door Israëls bedding stopgezet om het ergens anders opnieuw te beginnen. Nee, de HEER heeft die oude bedding verruimd opdat het water van het heil dat daardoorheen stroomde nu ook mag uitstromen naar de andere volken.

God is geen nieuwe kanalen gaan graven, Hij is niet een nieuwe kerk begonnen om de oude te vervangen, maar Hij heeft de oorspronkelijke rivier wijder gemaakt. Vandaar dat Israël niet een afzonderlijke groep naast de Christelijke kerk vormen moet, bijvoorbeeld als een groep Messiaanse Joden die aparte beloften zouden hebben die vervuld gaan worden in een eigen nationale staat  Israël.

Nee, Israël is de kerk, en de kerk is Israël; en daarbinnen is geen apartheid.

De Christelijke kerk staat daarom open voor Joden en niet-Joden, maar moet dan ook de hand naar beiden uitsteken, naar niet-Joden en naar Joden. En in haar zendingswerk onder de heidenen doet de kerk dat zendingswerk met de speciale bedoeling om de Joden jaloers te maken, en trouwens ook alle anderen met wie we historisch ons verbonden weten vanwege Gods verbond.

Gemeente, kunnen Joden en Rooms-katholieken en mensen van de Pinkstergemeente, kunnen Gereformeerde Bonders en leden van Evangelische kerken, om maar enkele namen te noemen, inderdaad jaloers worden als ze ons, Vrijgemaakt Gereformeerden,  horen en bezig zien?

 

AMEN

 

terug naar boven

 

8

 

De achtste van de negen heeft als tekst Romeinen 11:25-36. Voor de orde van eredienst worden hier enkele suggesties vermeld. De psalmen en gezangen zijn uit het Gereformeerd Kerkboek.

SCHRIFTLEZING: Jesaja 59:20-60:14

Aanvangslied: Psalm 25:7, 10

Na de Tien Woorden: Psalm 51:7

Na Schriftlezing: Liedboek 124:1-5

Na de preek: Psalm 89:3, 5

Slotzang: Psalm 66:1, 3

 

Geliefde gemeente van onze Heer Jezus Christus,

 

In onze tekst lezen we over een goddelijk geheim, letterlijk staat er een mysterie, waarvan de apostel Paulus wil dat we goed begrijpen wat er mee bedoeld wordt. Nu zijn er veel Christenen die denken dat dit mysterie bestaat uit een toekomstige massale bekering van het Joodse volk. Die zou moeten plaats vinden als het logische gevolg van dat andere mysterie dat inmiddels al werkelijkheid is geworden, de stichting van de staat Israël alweer tientallen jaren  geleden.

Veel profetieën in het Oude Testament over onder meer het herstel van Israël en Jeruzalem en de tempel die nog niet uitgekomen zijn worden dan vervuld; immers, zo zeggen ze, Paulus zegt toch maar hier in Romeinen 11, dat er een eind komt aan de gedeeltelijke verharding van Israël? Nadat eerst de volheid van de heidenen is binnen gegaan zal daarna Israël nog weer een kans krijgen en zal er inderdaad een zodanige massale nationale opwekking plaats vinden dat, in overeenstemming met Paulus' woorden in vers 26, "dan (of zo, zie vertaling NBG 1951) zal heel Israël gered worden".

En, zo gaat men verder, Paulus wijst toch ook zelf naar zo'n nog niet vervulde profetie in het Oude Testament, naar Jesaja 59:20 bijvoorbeeld, waar staat: "Hij zal als bevrijder naar Sion komen"; en Sion, dat is toch Jeruzalem, de hoofdstad van de staat Israël?

Daarom, dit moet wel het mysterie zijn, het geheim waar Paulus het over heeft: de dag dat Israël als geheel bekeerd zal worden. Dan komt Jezus, de Heer terug uit de hemel om in Jeruzalem te verschijnen. Daarom moeten de Israëliërs er voor zorgen dat ook het Arabische deel van Jeruzalem in hun handen blijft, bijvoorbeeld door er huizen voor Joodse settlers te bouwen; en daar willen dan Christenen voor Israël graag aan mee betalen. Jezus zal vervolgens vanuit Jeruzalem zijn regering over de volken gaan uitoefenen, eerst in een 1000-jarig rijk, of direct al wanneer de nieuwe aarde komt waar Openbaring 21 van spreekt.

Er wordt zelfs wel beweerd dat de kerk in haar eigenwijsheid onkundig is van die speciale rol die God nog in petto heeft voor Israël. Aan de andere kant, de vraag mag natuurlijk ook wel gesteld worden of zij die zo redeneren misschien onkundig zijn van de betekenis van de kerk, en dus zelf eigenwijs zijn. Want de Schrift waarschuwt ons hier toch wel heel ernstig tegen eigenwijsheid, tegen onkundig zijn van het mysterie waar onze tekst ons over inlicht.

Het is dan ook om die reden dat ik u vanuit onze tekst verkondig HET GEHEIM OF MYSTERIE VAN ISRAËLS TOEKOMST

Om dat mysterie te verstaan moeten wij, als we over Gods kerk spreken,

1. NIET ONKUNDIG ZIJN (vers 25b-27)

2. NIET EIGENWIJS ZIJN (vers 25a, 28-32)

3. GOD LOVEN EN PRIJZEN (vers 33-38)

 

1. De apostel Paulus wil niet dat de Christenen in Rome als ze over de kerk praten, – en dat geldt natuurlijk ook voor ons – dat zouden doen in onkunde, zonder te weten waar ze het eigenlijk over hebben. Vandaar dat hij hier schrijft dat hij de broeders en zusters niet wil onthouden dat slechts een deel van Israël onbuigzaam werd, en dat alleen tot het moment dat alle heidenen zijn toegetreden, en zo (niet: dan) zal heel Israël gered worden".

Maar wat bedoelt Paulus hier nu mee? Hij heeft het over een geheim, een mysterie, en zolang dat een geheim is blijf je er uiteraard onkundig van. Toch wil Paulus dat juist niet, en dus kunnen we er zeker van zijn dat hij het aan zijn lezers ook heeft uitgelegd. Hij moet daarmee al begonnen zijn in de voorafgaande verzen.

Nu wordt in onze tekst als het eerste deel van het mysterie vermeld “dat slechts een deel van Israël onbuigzaam werd”, en daarover heeft hij al uitvoerig gesproken in het begin van dit hoofdstuk, in hoofdstuk 11:1-10. Daaruit blijkt dat het feit slechts een deel van Israël onbuigzaam werd betekent, dat er een ‘overblijfsel’ van gelovige Joden is, en dat in dat ‘overblijfsel’ Israël als volk behouden is. Nu kon de vraag nog opkomen: gold dat alleen in die tijd, van Joden die toen tot bekering kwamen, of ook voor de toekomst? Nu, daarvan zegt de apostel in onze tekst: zo zal het blijven gaan. Die onbuigzaamheid van een deel van Israël – maar dus ook het nog bij de kerk gevoegd worden van Joden die gelovig worden, het ‘overblijfsel’ – , dat gaat beide door “tot het moment dat alle heidenen zijn toegetreden”.

Wat dat betekent is vermeld in de verzen 11-15, waar we lezen dat het heil voor de heidenen nog zoveel rijker is, omdat ook Israël in dat heil blijft delen. En ook al zouden het er maar enigen zijn, daarmee zal dan toch hun volheid, Israël als volk, in dat heil delen. Dat is dan ook juist het mooie in mijn zendingswerk, zegt Paulus daar.

Daaruit blijkt wel heel duidelijk dat niet pas ‘dan’, nadat alle heidenen zijn toegetreden, Israël als geheel zal worden gered, bijvoorbeeld in een massale volksbekering. Nee, het is zoals de apostel het heeft uitgelegd in de voorafgaande verzen, het behoud van heel Israël is een eeuwen durend proces dat gaande is in dezelfde tijd dat een deel van Israël onbuigzaam blijft en alle heidenen toetreden.

Dat dit inderdaad precies Paulus’ bedoeling is blijkt ook uit wat hij gezegd heeft over de olijfboom in de verzen 16-24. Immers, wanneer hij het daar heeft over het weer terug enten van gelovig geworden Joden in hun eigen olijfboom heeft hij het niet over iets dat pas in de verre toekomst gebeuren zal. Nee, dan heeft hij het over Joden in zijn dagen, over wat dan al aan het gebeuren is.

En wat alles beslist is Paulus’ zeggen dat ze dan worden teruggeënt ‘in hun eigen olijfboom’. Het wordt niet weer hun eigen olijfboom, ergens in de verre toekomst, of een andere olijfboom, een nieuwe, ergens ver weg in de toekomst. Nee, zowel Joden als heidenen worden het hele Nieuwtestamentische tijdperk door geënt in dezelfde olijfboom die nog steeds Israël heet.

En zo, gemeente, is het geheim, het mysterie, door Paulus volledig verklaard, en daarom wil hij dan ook niet dat Christenen er onkundig van zijn dat “zo” heel Israël gered zal worden.

Laat ik voor de duidelijkheid dit hoofdstuk nog even kort samenvatten. Eerst zegt Paulus dat Israël is behouden in het kleine deel dat God uit genade uitgekozen heeft: het uitverkoren overblijfsel. Dan gaat hij verder met te zeggen dat Israël is inbegrepen bij alle volken die vanaf nu alle eeuwen door behouden worden. En ten derde zegt hij dat de heidenen in Israël worden ingeënt, en Israël dus blijft bestaan gedurende de hele Nieuwtestamentische periode, waarin Joden en Christenen zowel afgesneden alsook weer ingeënt kunnen worden in de olijfboom Israël.

In de olijfboom die Israël heet!! Israël!!

“EN ZO ZAL HEEL ISRAËL GERED WORDEN’. Niet dan of daarna, maar ZO!

Heel Israël? Helemaal? Werkelijk? Ja. Want het opmerkelijke is dat dit hele proces van het afbreken en weer inenten van takken precies hetzelfde is als wat wij gewend zijn de vergadering van de Christelijke kerk te noemen. En inderdaad, het Nieuwe Testament maakt dat op allerlei plaatsen duidelijk. Wanneer Joden of heidenen door het geloof Jezus Christus als hun Verlosser ontvangen, dan worden ze daarmee ingelijfd in Christus’ kerk, als leden van zijn lichaam.

En dus is de conclusie onvermijdelijk: als Paulus hier zegt dat “zo heel Israël gered zal worden”, dat is hetzelfde als zeggen dat zo de hele kerk van Jezus Christus gered zal worden. Israël, of, de kerk, het zijn twee woorden voor dezelfde zaak.*)

De gelovigen worden niet vergaderd in twee afzonderlijke groepen, aan de ene kant de Christelijke kerk, en aan de andere kant Israël; we geloven één algemene of universele, katholieke kerk, en het is dan ook die ene kerk waarop alle beloften en dreigingen en profetieën van het Oude Testament van toepassing zijn.

“Zoals ook geschreven staat”, zo voegt de apostel er aan toe in vers 26, en dan citeert hij onder anderen uit Jesaja 59:20. We hebben dat samen gelezen. In dat hoofdstuk heeft Jesaja eerst gesproken over Israëls zich verharden in zonde (verzen 2vv). Maar in vers 20 zegt hij dan dat God als bevrijder naar Sion komt. Uit wat daar verder op volgt blijkt dat Gods Verbond na Pinksteren, wanneer de Geest wordt uitgestort, ook gelden gaat voor de gelovigen en hun kinderen uit andere volken. Jesaja profeteert hier van de komst van Jezus Christus en de uitstorting van de Heilige Geest. En dat wordt in hoofdstuk 60 zo uitgewerkt, dat zo niet alleen Israël behouden zal worden, maar ook de andere volken naar Jeruzalem zullen komen en behouden worden.

Deze profetie van Jesaja aangaande Israël en de volken is vervuld in de vergadering van de Christelijke kerk. De Christelijke kerk is dat Israël waarin nu ook de heidense volken vergaderd worden. En zo is uit de manier waarop Paulus dit uitlegt duidelijk dat al de profetieën van het Oude Testament over Israëls toekomst op de kerk van toepassing zijn. Want Israël is de kerk, en de kerk is Israël. Ze zijn identiek.

En nu wil de apostel niet dat we daarvan onkundig zijn. Want onkunde ten aanzien van de kerk betekent tegelijk ook onkunde aangaande Gods strengheid tegen de zonden van de kerk, en onkunde aangaande Gods genade en goedheid voor zondaren die Jezus Christus met een waar geloof als hun Verlosser ontvangen.

Onkunde aangaande de kerk, alleen maar praten over de kerk zonder dat daarbij blijkt dat je vreest en siddert voor Gods strengheid over je zonde, en zonder dat blijkt dat je ervaring of bevinding hebt van Gods genade voor jezelf als een ellendige zondaar; allerlei gepraat over de kerk zonder dat je ook Gods genade voor anderen erkent: Paulus moet er niets van hebben! Want God wil daar niets van hebben! Dan zouden we alleen maar laten zien hoe eigenwijs wij zijn! En hoe zou je dan ooit Heilig Avondmaal kunnen vieren?

 

2. Daarmee kom ik tot het tweede dat ik u verkondigen moet. Als we over Gods kerk spreken moeten we niet eigenwijs of hoogmoedig zijn. In de verzen 28-32 scherpt de apostel die waarschuwing dat we niet eigenwijs of hoogmoedig mogen zijn verder aan.

De onmiddellijke aanleiding voor deze waarschuwing was dat de Christenen in Rome gevaar liepen de Joodse synagoge in Rome links te laten liggen. Ze organiseerden hun eigen kerkelijk leven, en dat was goed; maar ze vergaten hun roeping ten aanzien van de Joden. Ze traden in de praktijk op als een nieuwe kerk, alsof de HEER zijn kerkvergaderingswerk wat Israël betreft had opgegeven.

Nu was het best verklaarbaar dat het zo was gegaan; die Joden hadden immers Jezus de Heer niet aangenomen als de beloofde Messias, en als je ze tegenkwam waren ze vaak ver van vriendelijk, en handelden ze zelfs als vijanden van het Evangelie.

Nu ontkent Paulus dat niet, want in vers 28 zegt hij bijvoorbeeld, “Ze zijn Gods vijanden geworden”, maar hij voegt er wel wat aan toe, namelijk dat zij vijanden geworden zijn “opdat het evangelie aan u kon worden verkondigd”. En juist daarom, zo gaat de apostel dan verder, juist daarom mag u niet vergeten dat God Abraham verkozen heeft om vader van de kerk te zijn, patriarch of aartsvader, en dat daarom ook Israël nog steeds door God wordt liefgehad.

Want, zo gaat hij verder in vers 29, “de genade die God schenkt neemt hij nooit terug, wanneer hij iemand roept maakt hij dat niet ongedaan”. Kijk dus niet op ze neer, en verzuim niet voor hen te bidden en ze ook aan te spreken.

Nu zou misschien iemand kunnen zeggen, ja, maar wacht eens even, dat klinkt nu wel allemaal heel mooi, maar hoe zit het dan met hun ongehoorzaamheid? Paulus praat hier net alsof dat er niet zo erg meer toe doet. Maar wat voor gemeenschappelijks hebben wij, mensen van een trouwe en ware kerk, met ongehoorzame vijanden van het Evangelie, en dus ook vijanden van ons die ons aan het Evangelie houden?

Maar het is op dat soort redeneringen dat Paulus als het Woord van God dan zegt: ik wil niet dat u eigenwijs bent, hoogmoedig met ijdel gepraat, alsof u als ingeënte takken beter zou zijn dan zij. Het heeft niets te maken met uw gehoorzaamheid vergeleken met hun ongehoorzaamheid: het is alleen maar een zaak van Gods goedheid, van Gods genade! Laten we maar goed luisteren naar wat staat in de verzen 30 en 31: “Zoals u God eens ongehoorzaam was (we zijn dus inderdaad niet beter dan zij!), maar door hun ongehoorzaamheid (dus niet door uw gehoorzaamheid!) Gods barmhartigheid hebt ondervonden, zo zijn zij ongehoorzaam om door de barmhartigheid die u ondervonden hebt, ook zelf barmhartigheid te ondervinden”.

Ziet u dat? Als we over de kerk praten is er geen enkele reden om naar onze eigen gehoorzaamheid te wijzen vergeleken met de ongehoorzaamheid van anderen. Ik wil niet dat u dat doet, zegt de apostel, ik wil niet dat u zo eigenwijs bent om dat te doet, want op die manier toont u alleen maar uw onkunde ten aanzien van de kerk. Wees niet onkundig en eigenwijs, maar toon u barmhartig en liefdevol, en bid en werk er voor dat door dezelfde genade die u betoond is zij ook genade mogen ontvangen.

Want, zo gaat de Schrift verder in vers 32, “want God heeft ieder mens uitgeleverd aan de ongehoorzaamheid, opdat hij voor ieder mens barmhartig kan zijn”. Nu moeten we dat goed verstaan. Het betekent niet dat dus alle individuele personen behouden worden, net zo als ze allemaal ongehoorzaam zijn geweest. Paulus spreekt hier niet over individuele personen, maar over de vergadering van de algemene, de katholieke of universele kerk, en over de vraag of van nu af aan de kerk beperkt is tot de heidense volken, of dat ook het volk Israël er bij hoort.

Niet eigenwijs zijn betekent dan ook dat we Israël er niet buiten sluiten, want het is juist zo dat de gelovigen uit de heidens volken worden ingeënt in Israël. De algemene kerk is niet beperkt tot bepaalde groepen of volken, maar “zij is verbreid en verstrooid over heel de wereld”, en allen die door Gods genade en door het geloof zijn ingelijfd in Jezus Christus zijn ook kinderen van Abraham, leden van het Israël van God (Nederlandse Geloofsbelijdenis artikel 27; cf. hoofdstuk 9, in het bijzonder de verzen 6-8).

Broeders en zusters, geloven we dit ook echt? Belijden we zo ootmoedig ons geloof aangaande de ene katholieke of algemene kerk, ook vandaag in onze situatie? Praten we zo over de kerk, nederig, onder elkaar en met anderen? Er zijn eigenlijk maar twee mogelijkheden als we over de kerk praten. De ene is dat we het doen op een trotse manier. Maar dan zijn we eigenwijs, en laten we zien hoe weinig we er van af weten.

 

3. De andere mogelijkheid is, en daarover mag ik in de derde plaats tot u spreken: dat we Gòd loven en prijzen wanneer we praten over de kerk.

Eigenlijk kan ik daar niet zo veel over zeggen, omdat de kerk inderdaad een groot wonder is, een mysterie, en daarom moeten we maar niet meer over de kerk zeggen dan God zelf ons over haar heeft bekend gemaakt. Maar als we over de kerk spreken moeten we het doen met de grootste bewondering voor de onuitputtelijkheid van Gods rijkdom, wijsheid en kennis God. Dat voorkomt dan vanzelf wel dat we ons eigenwijs zouden betonen. Want dan zeggen we: HEER, hoe ondoorgrondelijk zijn uw oordelen en hoe onbegrijpelijk uw wegen, o God, in hoe U omgaat met uw kerk!

Dan leren we ook om niet te oordelen waar wij als mensen daartoe niet in staat en niet bevoegd zijn, en om ons te onthouden van het koesteren van menselijke ideeën en opinies aangaande de kerk van God. "Want wie kent de gedachten van de Heer, wie was ooit zijn raadsman?"

Dan gaan we dus ook niet wijzen naar onze eigen kerk en onze gehoorzaamheid en prestaties en organisaties, want: "wie heeft hem iets gegeven dat door hem moest worden terugbetaald?"

Dan belijden we nederig dat "alles is uit Hem ontstaan, alles is door hem geschapen, alles heeft in hem zijn doel.

En dan zeggen we: “Hem komt de eer toe tot in eeuwigheid!

 

AMEN

 

*) Dit is dan ook wat we bijvoorbeeld belijden in de artikelen 27 t/m 29 van de Nederlandse Geloofs­belijdenis: "Wij geloven en belijden één katholieke of algemene kerk, die een heilige vergadering is van de ware gelovigen"; ook belijden we daar dat Christus deze kerk vergadert "vanaf het begin van de wereld" "tot het einde toe", en dat er mensen in die kerk zijn die "toch niet bij de kerk horen" (die niet van de kerk zijn), en daarom afgesneden zullen worden, terwijl anderen "door de kracht van het geloof" in Christus aan haar toegevoegd worden, of het nu Joden zijn of heidenen. In deze belijdenis belijden we precies hetzelfde als wat we hier lezen in onze tekst: het geheim of mysterie van de kerk als het ware, echte Israël van God.

 

terug naar boven

 

9

 

De laatste van de negen heeft als tekst Romeinen 12:1-8. Voor de orde van eredienst worden hier enkele suggesties vermeld. De psalmen en gezangen zijn uit het Gereformeerd Kerkboek.

SCHRIFTLEZING en TEKST: Romeinen 12:1-8

Aanvangslied: Psalm 40:2

Na de Tien Woorden: Psalm 40:3

Na Tekst en Preek: Liedboek 360:1, 2, 3

Viering Heilig Avondmaal: Formulier en Apostolische Geloofsbelijdenis

Naar tafel: Psalm 123:1

Aan 1e tafel: Romeinen 12: 9-11 – Psalm 133:1

Aan 2e tafel: Romeinen 12:12-13 – Psalm 133:2

Aan 3e tafel: Romeinen 12:14-16 – Psalm 134:2

Slotzang: Psalm 138:1, 3

 

Geliefde gemeente van onze Heer Jezus Christus,

 

We worden in onze tekst opgeroepen onszelf als een levend offer in Gods dienst te stellen, want dat is de ware eredienst voor u. Eredienst houden betekent dus, zo zegt de Bijbel hier, dat we ons hele leven hier op aarde als een offer wijden aan God.

Waarom eigenlijk vermaant de apostel Paulus ons om dat te doen? En kan dat eigenlijk wel, ja mag dat, onszelf offeren? Is de zelfofferande van Christus voor onze zonden niet het enige offer dat God welgevallig is? Worden we juist daar niet aan herinnerd bij de viering van het Heilig Avondmaal? We gaan toch niet aan de Tafel van de HEER aan om onszelf daar te offeren? We zitten daar toch aan om het enige offer van Christus voor ons te gedenken, en deel te hebben aan de vruchten daarvan?

Het antwoord op de vraag waarom Paulus ons hiertoe oproept ligt in deze woorden in vers 1 van onze tekst: Paulus’ beroep op Gods barmhartigheid. Kennelijk baseert de apostel zijn oproep op wat hij in de voorgaande hoofdstukken geschreven heeft, en in het bijzonder op het einde van hoofdstuk 11.

Waarom moeten we ons zelf als een offer aan God aanbieden? Juist omdat Christus zichzelf eerst heeft geofferd voor ons, en ons zo weer in de rechte verhouding met God heeft gebracht; het is omdat we door het geloof in Christus= zelfofferande weer vrede met God hebben.

Het is dan ook uit dankbaarheid dat we ons zelf als een offer aan God moeten aanbieden; dankbaarheid omdat we mogen delen in Christus' gerechtigheid, en dus niet door onszelf, maar door Christus' bloed tot een aan God welgevallig offer gemaakt zijn. En nu worden we aan de Avondmaalstafel verzekerd van deze vrucht van Christus' offer voor ons met dit doel, dat wij nu in ons hele leven, elke dag opnieuw, in wat we ook maar doen en laten en in wat voor omstandigheden ook maar, onszelf als een offer van dankbaarheid geven aan de Heer.

Maar kunnen we onszelf inderdaad zo aan de Heer geven, als een Hem welgevallig offer? God heeft ons toch niet nodig als een gave die Hem gegeven wordt; het is toch net andersom, dat wij Gods gaven aan ons nodig hebben, dat de Heer zichzelf aan ons geeft? Want wat voor begerenswaardigs is er aan ons in Gods ogen, dat Hij ons als een gave zou willen ontvangen?

Laten we maar eerlijk zijn: wij hebben God toch niets aan te bieden! Onze zonden en ellende zijn zo groot, zo heeft Paulus zelf het gezegd in deze brief, in de hoofdstukken 1-3, dat niemand op aarde goed doet in Gods ogen: geen heiden, geen Jood, ook de mensen aan wie Paulus deze brief geschreven heeft niet, en wij net zo min.

Maar kijk, dat is dan ook de reden dat de apostel aan die oproep in vers 1 deze woorden heeft toegevoegd: "met een beroep op Gods barmhartigheid". Dat is de barmhartigheid van God waarover hij zo uitvoerig geschreven heeft in de voorgaande hoofdstukken; in het bijzonder die geweldige barmhartigheid van God die Hij betoont aan heidenen die het niet verdienen, en aan Joden die zich die barmhartigheid van God onwaardig gemaakt hebben, en die desondanks volgens de voorgaande hoofdstukken 9-11 over zowel Joden als heidenen wordt uitgestort.

Gemeente, kunnen wij inderdaad onszelf als levende offers aan God geven? Het antwoord is 'nee', als we ons zelf zouden geven zoals we van nature zijn; want van nature zijn we dood vanwege onze zonde. Maar het antwoord is 'ja', dat kunnen we doen, ons zelf aan de Heer geven, als we levend gemaakt zijn door Gods barmhartigheid, als we zijn verlost van onze zonden en ellende door het offer van Jezus Christus.

Dan voegen we ook niet iets toe aan het offer van Christus, alsof dat niet voldoende zou zijn; maar dan komt juist heel duidelijk uit hoe voldoende het offer van Christus is. Immers, de vrucht daarvan in ons leven is dat we nu de wil van God , zijn wet voor ons leven, 'onderkennen' of ervaren.  Je zou ook kunnen zeggen dat we er nu bevindelijke kennis van hebben dat Gods wet ons niet langer veroordeelt, maar ons verandert in mensen die dank zij Christus' offer voor onze zonden, meer en meer gaan doen wat goed en welgevallig en volkomen is in Gods ogen. In plaats van onszelf overtreders van Gods wil te betonen tonen we ons nu gehoorzaam daaraan. In plaats van onze overtredingen tonen we dan Christus' volkomen gehoorzaamheid.

We zijn dan niet maar uitwendig veranderd, maar tot in de wortel van ons bestaan, radicaal veranderd, en dat blijkt dan daaruit dat we niet meer gelijkvormig zijn aan deze wereld, maar hervormd, anders gevormd, vernieuwd zijn, door de vernieuwing van ons denken.

Als je je aanpast aan de invloeden van de mensen om je heen en toegeeft aan elke verleiding die op je af komt, omdat je nu eenmaal niet uit de toon wilt vallen, dan koester je gedachten die hoger zijn dan gepast zijn voor je, alsof je er boven staat en het je toch niets kan doen, in plaats dat je je door in Christus te geloven heel bescheiden opstelt, en nederig je zwakheden erkent. Als je trots meeloopt in de modeshow van deze wereld, dan laat je niet zien dat je samen met je medegelovigen in Christus één lichaam vormt, een lichaam dat gekleed gaat in de mantel van Zijn nederigheid.

Maar als je inderdaad door het geloof een lid bent van het lichaam van Christus, dan is de consequentie daarvan dat je samen met je medeleden ook deelt in de volheid van gaven die we in Christus ontvangen hebben: de zeven verschillende genadegaven die worden opgesomd in de verzen 6,7 en 8.

Om enkele daarvan in hedendaagse termen te noemen: wat fijn als er in de gemeente gaven zijn om ambtsdrager te zijn en te worden; wat fijn als er zijn die helpen waar hulp nodig is; als er voldoende zijn om onderwijs te geven aan wie Bijbelonderricht begeren. Want kijk, daaruit blijkt dan de mate van geloof die God u heeft toebedeeld.

We verdienen er niets mee; het zijn genadegaven van God als we die gaven hebben en gebruiken. Maar zo geven we ons zelf als levende offers aan God, wanneer we ook ons zelf en wat wij ontvangen hebben aan elkaar geven. Dan voegen we niet iets toe aan Christus' offer voor onze zonden, maar dan dienen we ons zelf en onze medeleden (en eventuele gastleden) met dat offer van Christus dat Hij heeft gebracht voor onze en voor hun zonden.

En dat mogen we nu ook zichtbaar maken in ons aangaan aan de tafel van onze Heer, waar we ons zelf presenteren als offers van dankbaarheid, vanwege het enige voldoende offer van Christus voor ons.

 

AMEN

 


terug naar boven