PREKEN OVER ROMEINEN
Serie
van negen preken over Paulus’ brief aan de kerk te Rome. Ze gaan over de
volgende gedeelten uit Romeinen:
|
|
1
De eerste van de negen heeft als tekst
Romeinen 1:16. Voor de orde van eredienst worden hier enkele suggesties
vermeld. De psalmen en gezangen zijn uit het Gereformeerd Kerkboek.
SCHRIFTLEZING: Romeinen 1:1-16; 15:14-33;
16:17-20
Aanvangslied: Psalm 65:1
Na de Tien Woorden: Psalm 65:2
Na Schriftlezing: Psalm 67:1,2
Na de preek: Psalm 27:1,2
Slotzang: Gezang 108
Geliefde
gemeente van onze Heer Jezus Christus,
Wat
zou dat erg zijn: een dominee die zich schaamt voor de blijde boodschap die hij
geroepen is te verkondigen. Of stel u voor dat de hele gemeente te bang zou zijn
om haar licht te laten schijnen en daarom wat ze gelooft aangaande Gods
verlossingswerk voor zichzelf zou houden. Weet u waarom dat vooral zo erg zou
zijn? Omdat, zoals we dat lezen in het tweede deel van vers 16, "het is
Gods reddende kracht voor allen die geloven, voor Joden in de eerste plaats,
maar ook voor andere volken", voor allerlei mensen dus. Nu, stel u voor
dat we uit bangheid aan die reddende kracht van God beperkingen zouden gaan
stellen, dat we uit bangheid of uit schaamte aan andere mensen die reddende
kracht zouden onthouden, die voor onszelf zouden houden.
Toch moet er voor de apostel Paulus wel aanleiding zijn
geweest om met zoveel nadruk in onze tekst te zeggen, dat hij zich het
evangelie niet schaamt, dat hij er niet voor terugschrikt om de blijde
boodschap overal en aan iedereen te laten horen.
En
dus verkondig ik u vanmorgen DE REDDENDE KRACHT VAN GOD VOOR ALLEN DIE GELOVEN,
WAAR MEN ZICH DAN OOK NIET VOOR HOEFT TE SCHAMEN.
In
verband daarmee letten we op drie dingen:
1. WAAROM PAULUS NOG NIET NAAR ROME GEKOMEN
WAS
2. WAT HIJ VAN PLAN IS IN ROME TE GAAN DOEN
3. WAARHEEN HIJ WIL GAAN NA ZIJN VERBLIJF IN
ROME
1.
Bij zijn uitleggen waarom hij nog niet eerder naar Rome gekomen was zegt Paulus
met nadruk dat hij zich voor het evangelie niet schaamt. Dat is dus niet de
reden dat hij nog geen bezoek aan Rome gebracht heeft.
Je krijgt hieruit de indruk dat er waren die dat wel
suggereerden. Er kon ook best reden voor geweest zijn. De aanwezigheid van
Joden werd in Rome niet erg op prijs gesteld. Nog maar acht jaren voordat de
apostel deze brief schreef had keizer Claudius alle Joden uit Rome verbannen.
Hoewel na zijn dood, inmiddels nu drie jaar geleden, dat weer ingetrokken was,
dat betekent niet dat er in Rome geen discriminatie tegen Joden meer was.
Daar komt bij dat tegenstanders van Paulus allerlei
laster verspreidden over hem. Zo blijkt uit deze brief dat ze ook de gelovigen
in Rome probeerden te beïnvloeden (zie 3:8, 6:1, 16:17). Men kan ook nog wel
gesuggereerd hebben dat de apostel Rome vermeed vanwege het immorele leven
daar, dat hij die stad vol rovers en praktiserende homoseksuelen en doodslagers
te barbaars vond om zich daarmee te besmetten of misschien wel zijn leven te
riskeren.
Wat Paulus' tegenstanders ook beweerd mogen hebben, de
apostel noemt het niet met zoveel woorden, maar hij vertelt heel eenvoudig de
werkelijke reden voor het uitstel van zijn bezoek. In 1:13 schrijft hij:
"U moest eens weten, broeders en zusters, hoe vaak ik me heb voorgenomen
naar u toe te komen”. “Maar ik was tot nu toe steeds verhinderd "; en dan
verder in vers15, dat hij toch ook graag
aan hen in Rome het evangelie wil verkondigen.
Toch is hier wel iets opmerkelijks. Het lijkt er namelijk
op dat de apostel in hoofdstuk 15 een andere reden opgeeft waarom hij nog niet
naar Rome gekomen is. Want daar schrijft hij (in 15:20 en 22), dat het hem niet
gelukt was om hen te bezoeken, omdat hij er een eer in stelde het evangelie
niet op plaatsen te verkondigen waar Christus al bekend was. Daar lijkt de
reden dus te zijn, dat er al een gemeente was in Rome.
Dan vraag je je direct ook af: wanneer werd die gemeente
in Rome dan gesticht, en door wie? En natuurlijk is er dan ook de vraag: wat
precies heeft Paulus verhinderd om ook in Rome het evangelie te verkondigen?
Enerzijds is hij bereid om ook aan de gelovigen daar het evangelie te brengen.
Maar anderzijds wilde hij het evangelie niet verkondigen waar Christus' naam al
bekend was.
Om uit te vinden hoe dat zit moeten we even aandacht
geven aan Paulus' zendingsreizen, die velen van ons wel zullen hebben geleerd,
op school of op catechisatie. Paulus' 1e zendingsreis is beschreven in
Handelingen 13 en 14 en was vrij kort, en over gaan naar Rome wordt daar niet
gesproken. Bij zijn 2e zendingsreis wordt ons echter verteld, in Handelingen
16:6,7, dat de Heilige Geest Paulus verhinderde in Westelijke richting te
reizen, naar een havenstad vanwaar hij naar Rome had kunnen gaan; maar dat hij
en zijn reisgenoten in plaats daarvan naar Macedonië en Griekenland werden
gestuurd. Via Tessalonica, Berea en Athene ging Paulus naar Korinte om daar een
schip te vinden, waarschijnlijk om nu de reis naar Rome te gaan maken. Maar wat
gebeurde er, zo lezen we in Handelingen 18. Hij ontmoet daar een Joods
echtpaar, Aquila en Priscilla, die zojuist uit Italië zijn aangekomen; en die
vertellen hem dat keizer Claudius alle Joden bevolen heeft Rome te verlaten.
Kijk, die verbanning van de Joden uit Rome was dus een reden voor Paulus om in
Korinte te blijven; en anderhalf jaar later ging hij vandaar via Efeze en Syrië
terug naar Jeruzalem.
Dan volgt Paulus' 3e zendingsreis, waarbij hij eerst meer
dan 2 jaar in Efeze preekte, en daarna, zoals we lezen in Handelingen 19:21,
"vatte Paulus het plan op om eerst nog naar Macedonië en Achaje (dat is
Griekenland) te reizen en vervolgens naar Jeruzalem te gaan. Hij verklaarde:
‘Als ik daar ben geweest, moet ik ook een bezoek aan Rome brengen'".
Gedurende die reis bezocht Paulus ook Korinte weer, vanwaar hij deze brief aan
de Romeinen geschreven heeft (in het jaar 57), ongeveer 3 jaar nadat Rome weer
open was voor Joden.
Nu, weet u wat uit dit alles blijkt? Hieruit blijkt, dat
er geen reden meer was voor een zendingsreis naar Rome. Immers, op een of
andere manier was de naam van Christus al bekend geworden in Rome. Inmiddels
bevonden zich daar zowel joodse alsook oorspronkelijk heidense Christenen. Uit
hoofdstuk 16 blijkt dat die daar samenkwamen als huisgemeenten (zie hoofdstuk
16:5,10,11,14,15).
Nu kan het dus duidelijk zijn waarom Paulus niet eerder
naar Rome is gegaan. Eerst liet de Heilige Geest hem zijn zendingswerk in het
Oostelijke deel van het Romeinse rijk af maken; en terwijl Paulus daar nog mee
bezig was zorgde de Heilige Geest buiten Paulus om er zelf al voor dat Paulus
later in Rome een uitvalsbasis zou aantreffen vanwaar hij zijn zendingswerk zou
kunnen uitstrekken naar het Westen, met Spanje te beginnen.
Het was dus inderdaad niet zo dat de apostel zich het
evangelie schamen zou, en dat hij bang was geworden. Nee, het was de Heilige Geest,
die zelf de Goddelijke kracht van het evangelie is, die Paulus verhinderde als
eerste in Rome het evangelie te brengen. De Heilige Geest was zelf al begonnen
de kerk in Rome te vergaderen door daar gelovigen bij elkaar te brengen, nadat
de verbanning van de Joden door keizer Claudius was ongedaan gemaakt.
Gemeente, ziet u in dit alles de kracht van het evangelie
aan het werk, hoe de Zoon van God zijn gemeente vergadert door zijn Woord en
Geest, over de hele wereld? De apostel Paulus moest heel eenvoudig er op letten
hoe de Heilige Geest aan het werk was, en zichzelf onderwerpen aan de leiding
van de Heilige Geest. Nu, datzelfde geldt ook voor ons, in onze tijd. Aan de
ene kant, laten we ons toch nooit voor het evangelie schamen, en ons nooit door
vrees laten leiden. En aan de andere kant, laten we ook niet zelf bepalen hoe
het evangelie gepredikt en de kerk vergaderd moet worden, naar onze eigen
maatstaven.
Wat een troost en wat een bemoediging: de Heilige Geest
zelf zorgt er voor, want Hij zelf is de reddende kracht van God in het
Evangelie dat we mogen verkondigen. En dat is de Heilige Geest voor ieder die
gelooft.
2.
We gaan nu in de tweede plaats zien wat Paulus van plan is in Rome te gaan doen
wanneer het tenslotte zo ver is dat hij de gelovigen daar bezoeken gaat; en ook
hoe de apostel op die manier het laat zien dat hij zich niet voor het evangelie
schaamt.
Dan moeten we wel weten in wat voor situatie de gelovigen
in Rome zich bevonden. De meesten waren joodse immigranten die nog maar pas,
gedurende de laatste 2 of 3 jaren nadat de keizer daarvoor weer toestemming
gegeven had, zich in Rome gevestigd hadden. Datzelfde geldt natuurlijk ook van
de leden van de synagoge; maar onder de Christenen waren er ook een aantal
oorspronkelijk heidenen die in de Heer Jezus waren gaan geloven.
Het was dus nog maar sinds kort dat daar Christenen
waren; uit hoofdstuk 1:8 blijkt dat het nog nieuws was: in de hele wereld werd
van hun geloof gesproken (cf. 1 Tessalonicenzen 1:8). Paulus is er heel
dankbaar voor dat er nu ook gelovigen in Rome zijn; we lezen in 1:8-11 dat hij
God daarvoor dankt, voor hen blijft bidden, en er ook om bidt dat God hem
eindelijk de gelegenheid zal geven om hen op te zoeken. En waarom verlangt
Paulus daar naar? Dat zegt hij in vers 11: "om u te laten delen in een
geestelijke gave, om u te sterken". Kennelijk hadden ze daar behoefte aan,
versterkt te worden, en dus kan de vraag gesteld worden: was er dan een
bepaalde zwakheid bij hen?
Nu blijkt inderdaad uit deze brief dat er zwakheden
waren. Uit Paulus' uiteenzetting dat we alleen voor God rechtvaardig zijn door
het geloof, en ook uit het feit dat hij de leer van de rechtvaardigmaking door
het geloof moest verdedigen tegenover mensen die van hem lasterden dat zijn
leer het wel makkelijk maakte om maar in zonden te blijven leven (zie 3:8,
6:1,15), daaruit blijkt dat de gelovigen in Rome niet alert genoeg waren om die
kwaadsprekers te doorzien en af te wijzen. Aan het eind van zijn brief, in
16:17vv, moet de apostel hen nog weer vermanen hun ogen daarvoor open te hebben
en die lui te vermijden.
Verder kunnen we uit hoofdstuk 8, waar Paulus spreekt
over het lijden van de hele schepping, afleiden dat ze hun eigen lijden daarmee
niet in verband zagen. Ze waren kennelijk zo met zichzelf begaan, dat ze
daardoor geen oog hadden voor wat Gods verlossingswerk betekent voor Zijn
schepping.
Ook blijkt uit hoofdstuk 12 dat er wel het een en ander
ontbrak in de gemeenschap der heiligen, hun samen leven als leden van het ene
lichaam van Christus. Er was het gevaar van een zeker individualisme, en van
een zekere onverschilligheid ten aanzien van toch door God zelf gewilde
organisatievormen in deze wereld, bijvoorbeeld hoe de kerk moet worden
geïnstitueerd (hoofdstuk 12), en het instituut van de overheid (hoofdstuk 13).
Hun individualisme (het ieder zo'n beetje zijn eigen gang gaan) bleek ook in
hoe makkelijk ze elkaar veroordeelden in plaats van elkaar te aanvaarden. Bijna
twee hoofdstukken zijn dan ook daaraan gewijd, de hoofdstukken 14 en 15.
Het lijkt er zelfs op dat de gelovigen uit de Joden en
zij die eerst heidenen geweest waren zelfs niet samen vergaderden. Het is niet
eens te merken of er eigenlijk al wel een geïnstitueerde kerk was in Rome. Dat
zie je bijvoorbeeld aan de manier waarop Paulus deze brief aan hen adresseert
in 1:7: "Aan allen in Rome, geliefden van God, geroepen om zijn heiligen
te zijn". Want gewoonlijk formuleerde hij het anders, zo bijvoorbeeld:
"aan de gemeente van God in Korinte", of, "aan alle heiligen in
Filippi, die één zijn in Christus Jezus, en aan hun opzieners en
dienaren", of, "aan de gemeente in Tessalonica". *)
Dit is in elk geval zeker, dat ze nog niet als
geïnstitueerde plaatselijke gemeente van God de synagoge van de Joden met het
Evangelie van Jezus Christus benaderd hadden. Dat blijkt namelijk uit
Handelingen 28 (verzen 17-22), waar we lezen dat Paulus (twee jaar na het
schrijven van deze brief) zelf in Rome aankomt. Al drie dagen nadat hij door
zijn medegelovigen in Rome verwelkomd is, zo lezen we daar, gebeurde het "dat
Paulus de voormannen van de Joden samen riep" en aan hen uitlegde dat hij
als een gevangene naar Rome gevoerd was "om de hoop van Israël".
Nadat ze een bepaalde dag met hem hadden afgesproken, zo
lezen we in Handelingen 28:23, kwamen ze weer bij hem, en probeerde hij
"hen op grond van de Wet van Mozes en de Profeten voor Jezus te winnen”,
van de vroege morgen tot de avond toe, met tenslotte dit resultaat, dat
“sommigen zich lieten overtuigen door zijn woorden, maar anderen ongelovig
bleven".
Dat Paulus toen de synagoge nog met het evangelie moest
confronteren betekent dat de Christenen in Rome zich kennelijk voor het
evangelie geschaamd hadden, of dat ze te bang waren geweest om de Joden van de
synagoge de blijde boodschap te laten horen. En toch, dat blijkt wel uit het
feit de leiders best bereid waren om met Paulus in discussie te gaan, de
synagoge had toen nog niet definitief de Heer Jezus verworpen; want Jezus was
nog niet eens echt aan hen verkondigd.
Kijk, ook dit verklaart dus waarom Paulus er zo de nadruk
op legt dat we ons niet voor het evangelie moeten schamen, omdat het immers de
reddende kracht van God is voor allen die geloven, voor Joden eerst, maar ook
voor andere volken. De Christenen in Rome moesten het nog leren om ook anderen
te benaderen, in dit geval ook om de mensen van de synagoge te tonen dat in
Christus de wet en de profeten vervuld zijn, en om verder ook hun medeburgers
en de overheid te confronteren met de proclamatie van Jezus' Koningschap.
Gemeente, realiseren we ons eigenlijk wel hoe krachtig de
boodschap van het evangelie is? De kracht van God zelf werkt er in, een
reddende kracht voor allen die geloven, wat hun etnische achtergrond ook mag
zijn.
3.
Dan zien we in de derde plaats waar Paulus, dank zij het feit dat hij zich niet
schaamt voor het evangelie, na zijn verblijf in Rome naar toe wil gaan. In
hoofdstuk 1:12 schreef hij dat hij er naar verlangde Rome te bezoeken, om door
elkaars geloof bemoedigd te worden. We hebben al gezien waarom de gelovigen in
Rome die bemoediging nodig hadden. Maar waarom heeft ook de apostel daaraan
behoefte? Nu, dat blijkt uit wat hij schrijft aan het eind van zijn brief, in
15:24vv. Uit die verzen blijkt namelijk dat hij niet Rome, maar Spanje en
daarmee West-Europa, beschouwt als zijn volgende zendingsveld.
Er is een keerpunt gekomen in Paulus' zendingswerk. Na
het Oostelijke deel van het Romeinse rijk wil hij nu reizen naar het Westelijke
deel daar van. Nu was het zo dat hij bij zijn werk in het Oosten voortdurend
gehinderd werd door ongelovige Joden. Die probeerden steeds maar hem verdacht
te maken bij de kerken en haar leden, niet alleen daar waar hij het evangelie
bracht, maar ook in Jeruzalem (zie 15:31). De grote vraag is nu: hoe zal dat
gaan nu hij zijn activiteiten op het Westen gaat richten? Daarvoor is nu heel
belangrijk, dat er in Rome een gemeente is die achter hem staat, één met hem in
het geloof, en hem dragend in hun voorbeden. Ziet u, ook daarom schrijft de
apostel deze brief aan de gelovigen in Rome, met al die vermaningen om toch
eensgezind te zijn, en met die ernstige waarschuwingen tegen de ideeën van
Joodse zogenaamde Christenen die ook hen bedreigen, zoals blijkt uit 16:17vv.
Maar tegelijk kan deze brief ook beschouwd worden als een
preekverslag, als een samenvatting van zijn prediking. Dit is namelijk de enige
brief van Paulus waarin hij ons een systematisch overzicht van zijn prediking
geeft. Zo heeft hij in het Oosten gepredikt; dit is wat hij ook in het Westen
wil gaan verkondigen. Deze brief is maar niet een stukje interessante theologie;
nee, het bevat de machtige evangelieboodschap waarin de gelovigen in Rome één
moeten zijn, waarmee ze de leden van de Joodse synagoge moeten confronteren, en
welk evangelie ze ook moeten brengen aan hun medeburgers in die zedeloze
heidense stad. En zo zullen ze dan vanzelf ook de kracht ontvangen om de
apostel Paulus te steunen in zijn zendingswerk in Spanje en West-Europa.
En kijk, gemeente, daar zit dan tegelijk ook de
toepassing al in voor ons vandaag hier in Nederland en West-Europa. Paulus moest,
2 of 3 jaar nadat hij deze brief geschreven had, zelf als een gevangene naar
Rome gebracht worden, onder andere om daar zowel de synagoge als ook allerlei
overheidspersonen met het evangelie van Christus in aanraking te brengen en ze
daarmee te confronteren. Alleen maar, dat had niet nodig moeten zijn! Dat
hadden die gelovigen zelf al moeten doen. Zien we het dus goed in, gemeente,
dat er nooit enige reden is om ons voor het evangelie te schamen, of bang te
zijn het door onze woorden en daden bekend te laten worden dat we Christenen
zijn? Het evangelie is toch immers een kracht van God, een reddende kracht, zo
krachtig dat ieder die gelooft er door wordt gered?
AMEN
*)
Alleen in zijn brieven aan de Efeziërs en aan de Kolossenzen ontbreekt in de adressering
het woord gemeente of de vermelding van ambtsdragers ook; maar daar kan het
verklaard worden uit het feit dat die brieven ook bestemd waren voor andere
gelovigen en gemeenten.
AMEN
2
De tweede van de negen heeft als tekst
Romeinen 2:1. Voor de orde van eredienst worden hier enkele suggesties vermeld.
De psalmen en gezangen zijn uit het Gereformeerd
Kerkboek.
SCHRIFTLEZING: Romeinen 1:14-2:6
Aanvangslied: Psalm 19:1,3
Na de Tien Woorden: Psalm 19:4,6
Na Schriftlezing: Psalm 36:1,2
Na de preek: Gezang 106
Slotzang: Psalm 96:5,7,8
Geliefde
gemeente van onze Heer Jezus Christus,
De
apostel Paulus is zijn brief aan de christenen in Rome begonnen met te
schrijven dat hij zich niet schaamt voor het evangelie. Hij legt daar vooral zo
de nadruk op om hen te laten weten dat het niet uit bangheid was dat hij nog
niet eerder naar Rome gekomen was. Misschien dachten sommigen dat hij bang was
er te komen vanwege het immorele leven in die stad, of ook vanwege de Jodenhaat
in die stad. Maar uit vers 15 is integendeel duidelijk genoeg dat Paulus heel
wel bereid was om ook in Rome het evangelie te verkondigen.
Het is wel goed dat we ons realiseren wat voor een stad
Rome in die tijd was, hoe die maatschappij er toen uitzag. Het was een heel
grote stad, met een bevolking van wel een miljoen mensen. Er waren allerlei
etnische groeperingen die van over de hele wereld daar binnen gekomen waren; en
zo waren er ook, voordat keizer Claudius de Joden uit Rome verbannen had, zo
ongeveer 30.000 tot 40.000 Joden in Rome woonachtig.
Je zou het leven in die grote stad best kunnen
vergelijken met dat in steden als New York of San Francisco, of dichterbij, als
in Rotterdam of Amsterdam. Je kwam er ook allerlei godsdiensten tegen, en,
helaas, het was in bepaalde wijken, maar daar niet alleen, ook een samenraapsel
van misdaad en immoraliteit. In de havenstad Korinte waar Paulus verbleef toen
hij deze brief schreef was het peil ook niet al te best, en het kan zeker
vergeleken worden met hoe het er in onze tijd in onze steden toegaat, zoals
Rotterdam en Dordrecht; trouwens, ook een dorp als bijvoorbeeld Sliedrecht is
er echt niet vrij van.
Daarom is het goed dat we ons realiseren dat als je in
een dergelijke omgeving leeft en je kinderen te midden daarvan moeten
opgroeien, het een mens bang kan maken, zodat je er toch maar liever niet
openlijk voor uitkomt dat je gelooft in de God van de Bijbel, en dat je je mond
houdt over de boodschap van het evangelie. Het is dan veel makkelijker om je
maar een beetje afzijdig te houden, en die boze wereld maar aan zichzelf over
te laten. Tenslotte is het toch zo, zoals Paulus het zegt in hoofdstuk 1:18,
dat de toorn van God zich vanuit de hemel openbaart over al het kwaad en
onrecht van hen die met hun onrechtvaardigheid de waarheid geweld aandoen.
Verdienen zulke steden het dus niet, als ze bijvoorbeeld door een aardbeving
worden verwoest: heidense of verheidenste steden als San Francisco, en Los
Angelos, en Kobe?
Maar nu moeten we niet over het hoofd zien hoe Paulus,
nadat hij die vreselijke tekening gegeven heeft van al die goddeloosheid, en de
oorzaken daarvan, in onze tekst, in 2:1, zo verder gaat dat hij tot de
lezers van zijn brief zegt: "Natuurlijk, u veroordeelt dit alles. Maar u
bent evenmin te verontschuldigen. Het oordeel dat u over anderen velt, velt u
over uzelf, want de dingen die u veroordeelt, doet u zelf ook ".
Nu, je vraagt je wel af als je dat hoort: hoe komt Paulus
er toch bij om dat te zeggen? U weet, de apostel schrijft dit wel in de eerste
plaats aan de Christenen in Rome, waarvan een deel geboren Joden waren; maar
het geldt natuurlijk ook ons, wij die vandaag zijn brief lezen. Laten we het
maar erkennen dat wij geneigd zijn om onze veroordeling uit te spreken over die
boze wereld om ons heen, en om maar een beetje, of liever zo ver mogelijk uit de
buurt te blijven van die mensen met hun wereldse vermaak en pleziertjes. En is
het niet waar, we moeten toch gewaarschuwd worden tegen de losse zeden van deze
wereld, hun misbruik van drugs en hun seksuele losbandigheid, en hun slechte
muziek en films en shows?
Ja ja, maar de vraag is wel hoe, en waarom!!
Er is uiteraard een goede Christelijke of Bijbelse reden
om onszelf rein te houden van de goddeloosheid en de slechtheid die Paulus in
Romeinen 1 beschreven heeft, en die we ook in de maatschappij van vandaag
overal om ons heen zien. We zijn inderdaad vreemdelingen in deze wereld. Hoewel
we in de wereld leven, we zijn niet van de wereld, we kunnen ons niet echt
in deze heidense of verheidenste wereld thuis voelen.
Nu was in Rome de situatie inderdaad zo dat de Joden,
zoals ze dat eigenlijk overal gewend waren, zich in de maatschappij apart
hielden. Ze woonden bijna allemaal rondom hun eigen synagoge, en in verband met
die synagoge organiseerden ze zowel hun godsdienstige alsook hun culturele
activiteiten. Het is vandaag op veel plaatsen nog zo.
Maar hoe was dit nu bij de Christenen in Rome? Een groot
deel van hen bestond uit Joden van geboorte, en dat waren bovendien ook nog
maar kort geleden binnengekomen immigranten. Kwamen zij ook nog wel eens uit
hun geïsoleerde positie om anderen in die stad te benaderen met het evangelie,
zodat die ook de boodschap van verlossing zouden leren kennen en geloven? Het
is immers ook om ze daartoe op te wekken en moed in te spreken dat de apostel
direct aan het begin van zijn brief er zo de nadruk op legt dat hij niet bang
is en zich het evangelie niet schaamt. En hoe komt dat dan, dat hij niet bang
is, en niet te verlegen? Is dat misschien omdat hij, als het er op aan komt,
zichzelf zo anders en beter beschouwde dan al die slechte mensen in
Rome, dat hij wist dat hij toch niet vaker met hen in contact zou komen dan
strikt noodzakelijk was? Was hij misschien daarom niet bang omdat hij
natuurlijk binnen de kring van zijn eigen mensen zou blijven? Met andere
woorden, en dat zijn de woorden in onze tekst, zou hij daarom niet bang zijn en
zich niet schamen voor het evangelie, omdat hij wist dat hij over die anderen
zijn veroordelend oordeel kon laten gaan? Paulus was toch immers zelf al
begonnen te zeggen, dat de toorn van God zich vanuit de hemel openbaart over al
hun kwaad en ongerechtigheid?
Ja, gemeente, is dat niet de eerste indruk die je krijgt
als je Paulus' beschrijving leest van de verschrikkelijke zonden die deze
maatschappij kenmerkten, dat de apostel daarmee zijn oordeel uitspreekt over
die zedeloze wereldse mensen met hun afschuwelijke zonden? Je hoeft alleen maar
te kijken naar dat zondenregister, over hun afgoderij en hun seksuele lusten,
hun zich uitleven in lesbianisme en homoseksualisme, die georganiseerde
beweging van gays in Rome, en de georganiseerde misdaad daar, heel hun
verwerpelijke manier van denken en doen.
Inderdaad, alles wat Paulus daarover schrijft in
hoofdstuk 1 lijkt genoeg materiaal te bevatten voor een lange serie preken
waarin over dergelijke zondige praktijken en afdwalingen in onze hedendaagse
maatschappij een oordeel kan worden uitgesproken. Dit hoofdstuk zou dus een goede mogelijkheid geven om ons
te waarschuwen, en in het bijzonder onze jeugd, om zich ver te houden van drugs
en allerlei films en zoveel meer wereldse dingen, en om maar zo ver mogelijk
uit de buurt te blijven van lui die zulke dingen doen.
Niet waar? Ja, alleen maar, waarom trekt Paulus die conclusie dan niet aan het einde van dat
afschuwelijke zondenregister in die heidense maatschappij zoals die welig
tierde in steden als Korinte en Rome, en niet minder vandaag in onze steden en
dorpen? O ja, er volgt inderdaad wel een ernstige waarschuwing na het laatste
vers van hoofdstuk 1; maar wat houdt die waarschuwing dan wel in?
Het is juist die ernstige waarschuwing die we lezen in
onze tekst, de waarschuwing dat niemand, wie het ook maar is, een Jood of een
Christen, of het nu een Christen is van Joodse of van heidense achtergrond, dat
ook niemand hier in de kerk of in welke andere kerk ook maar een oordeel mag
uitspreken over die anderen, omdat we, als we dat zouden doen, onszelf zouden
veroordelen.
Misschien is iemand geneigd te vragen: maar heeft Paulus
dan geen oordeel uitgesproken door de
manier waarop hij dat alles beschreven heeft in het 1e hoofdstuk ? Maar dan
moeten we er eens goed op letten waarom en met welk doel hij daarover op die
manier geschreven heeft.
In hoofdstuk 2:3 stelt Paulus aan zijn lezers de vraag:
"Denkt u soms dat u, die zelf doet wat u in anderen veroordeelt, de straf
van God kunt ontlopen?" Kijk, uit dit vers blijkt waar het Paulus in zijn
prediking om gaat. Paulus predikt maar niet Gods oordeel over de zonden; nee, maar hij verkondigt hoe we aan Gods
oordeel kunnen ontkomen! Met andere
woorden, Paulus is geen zedenprediker;
hij is een verkondiger van heil, van
verlossing; hij brengt de blijde boodschap van hoe we Gods oordeel kunnen
ontgaan!
Kijk, dat is dan ook de reden waarom Paulus die ernstige
waarschuwing geeft, aan ons die van nature helemaal niet anders zijn dan andere
mensen: dat we niet te verontschuldigen zijn als we anderen veroordelen. En dat
blijkt niet alleen uit wat we lezen na
onze tekst, maar ook uit het gedeelte er voor. Laten we maar weer even
teruggaan naar hoofdstuk 1:18, over de toorn van God.
Ook daar is duidelijk dat de apostel maar niet simpelweg
Gods toorn over al die goddeloosheid proclameert. De reden waarom Paulus hier
spreekt over Gods toorn is dat hij duidelijk wil maken waarom hij zich niet
schaamt het evangelie ook te verkondigen in die immorele stad Rome. Waarom dan
niet? Omdat het een reddende kracht van God is. Een kracht tot behoud! Behoud
waarvan? Behoud van die toorn van God die zich van de hemel openbaart!
Ziet u dat? Dit is dus zijn thema, zijn boodschap en zijn
onderwijs aan de Christenen in Rome aangaande hun roeping in die inderdaad
immorele stad Rome. Wanneer God zelf zijn toorn vanuit de hemel openbaart, in
Zijn daden van oordeel als bijvoorbeeld ziekten en overstromingen en
aardbevingen en groeiende onveiligheid, dan is het de roeping van de gelovigen
om alle zondaren die ze daarmee bereiken kunnen, wie het ook zijn, met de
blijde boodschap van het evangelie te laten zien en horen hoe we Gods oordeel
kunnen ontgaan, hoe we gered kunnen worden van de toorn van God. Ja, zo groot
is die kracht van God tot behoud; want Gods barmhartigheid overwint toch altijd
weer het oordeel (Jacobus 2:13).
En dus is het nu maar de vraag of de Christenen in Rome,
en wij hier in de kerk, inderdaad doen naar dit onderwijs van Paulus. Want, zo
lezen we in onze tekst, zo nee, dan zijn we niet te verontschuldigen. We hebben
dan geen excuus, zegt de apostel daar, omdat wie oordelen dezelfde dingen doen.
Nou wacht even! Is dat werkelijk zo? Bedoelt Paulus hier
echt te zeggen dat wij dan
afgodendienaars zijn, en seksmaniakken, of praktiserende homoseksuelen, of
moordenaars (ook schuldig aan Auszwitsch bijvoorbeeld), en haters van God, en
aan wat er nog meer vermeld staat in dat eerste hoofdstuk ? Ja, maar dat kan
toch niet!
O nee? Dan moeten we nog maar eens opnieuw kijken naar
hoofdstuk 1:18vv. Daar worden twee dingen genoemd die de toorn van God
opwekken. Het eerste is 'al het kwaad van hen die de waarheid geweld aandoen’,
een godsdienstige zonde zoals afgoderij. Het tweede is hun 'onrecht' bedrijven,
een ethische zonde: immorele handelingen. In de verzen 19-23 spreekt Paulus dan
eerst over de godsdienstige zonde van de mensen waarin ze afgoderij bedrijven.
Daar begint het mee. Maar de consequentie van het dienen van valse goden die
niet echt God zijn is, zo gaat de apostel verder in de verzen 24vv, dat God
“daarom hen in hun lage begeerten heeft uitgeleverd aan zedeloosheid, waarmee
ze hun lichaam onteren.
'Daarom', 'om die reden', Met andere woorden, de toorn
van God over hun godsdienstige of religieuze afval van God komt uit in
hun meer en meer immoreel handelen, waarin het kwaad als het ware zichzelf
straft en de hele maatschappij doet afglijden in de vernieling, zodat zelfs
hele landen en hele kerkgenootschappen er tenslotte aan kapot gaan.
Nu is het inderdaad waar dat alle mensen van nature slecht zijn; vanwege onze zondeval in Adam
geldt dat van iedereen. Maar hier heeft de apostel het over mensen die door hun
onrecht de waarheid geweld aandoen en onderdrukken. Hier gaat het dus over
mensen die gevangen zijn in een vicieuze cirkel waaruit geen ontsnappen
mogelijk lijkt te zijn. Hun godsdienstige of religieuze afval bestaat hierin,
dat ze hun oorspronkelijke kennis van de Schepper en van de beloofde Verlosser
hebben ingeruild voor religieuze leugens. Het is dan ook daarom dat God hen
heeft overgegeven in de macht van hun eigen slechte begeerten; en wat doen ze
nu? Door hun onrecht bedrijven drukken ze Gods openbaring van Zichzelf als de
Schepper en Verlosser nog weer verder weg uit hun leven en uit dat van de
maatschappij waartoe ze behoren.
Ziet u dat? Dit
is dus Gods oordeel over hun
godsdienstige afval en ongeloof, dat ze zich hebben laten vangen in die
vicieuze cirkel die onvermijdelijk leidt tot hun eeuwige dood en ondergang.
Tenminste, tenzij er een godsdienstige verandering komt, bekering en
vernieuwing die hierin bestaat dat ze weer in de ware God gaan geloven en zo
gered worden uit hun eeuwige ondergang en dood.
Begrijpt u nu, gemeente, waarom Paulus ons in hoofdstuk 1
dat beeld geschetst heeft van die in zonde verzonken maatschappij? Niet opdat
we die mensen zouden gaan veroordelen, om tegen elkaar te kunnen zeggen: wat
een slechte mensen toch. Nee, de apostel wil dat we zo onder de indruk komen
van de diepe en vreselijke ellende van de zonde en van Gods oordeel
daarover, dat we beseffen dat alleen God zelf hen redden kan, zoals Hij ook ons
heeft willen verlossen; en dat God ook wil dat ze net als wij de boodschap van
heil en verlossing te horen krijgen.
Dat is dus de reden dat Paulus zegt in onze tekst:
"Maar u bent evenmin te verontschuldigen. Het oordeel dat u over anderen
velt, velt u over uzelf, want de dingen die u veroordeelt doet u zelf
ook".
De apostel zegt dit in de eerste plaats aan het adres van
de gelovigen om hen te waarschuwen tegen die hoogmoedige houding van het
veroordelen van anderen. Maar tegelijk heeft hij ook allerlei nog fatsoenlijke
mensen in die goddeloze maatschappij op het oog. Ook daar zijn heus nog wel een
aantal mensen die niets hebben moeten van al die immorele dingen die daar
plaats vinden, en die daar tegen protesteren. Ook zulke mensen spreekt hij hier
aan. Paulus bedoelt allen die veroordelend op al dat slechts neerkijken en
daarover hun oordeel klaar hebben, of het gelovigen zijn of ongelovigen, of het
nu heidenen of Joden of Christenen zijn.
Wat dacht u, er zijn ook heidenen of ongelovigen die er
hoge ethische opvattingen op na houden, er zijn ook Joden en hier in Nederland
bijvoorbeeld ook Moslims die niets hebben moeten van de wetteloosheid in onze
geseculariseerde maatschappij. Een hoogstaand ethisch gedrag met een daarmee
gepaard gaande veroordeling van hen die zich immoreel gedragen kun je bij
allerlei mensen aantreffen. Maar wat is dan eigenlijk het verschil tussen hen,
en kerkmensen die hetzelfde doen?
In dit opzicht zijn ze gelijk, dat ze een afschuw hebben
en daarom zich afzijdig houden van allerlei veroordelenswaardige excessen van
ongerechtigheid, maar dat ze hun ogen dicht hebben voor de oorzaak daarvan, zoals we die lezen in hoofdstuk 1:28. Want dat is
tenslotte de oorzaak van al die ongerechtigheid, dat mensen "het beneden
hun waardigheid achtten God te erkennen" in de dingen van deze wereld, in
de wetenschap en in zaken doen, in het gezinsleven en in de politiek.
Ja, het is mogelijk dat ook gelovigen, zowel toen in Rome
alsook nu in de kerk hier, zich zo schamen voor de slechte en immorele omgeving
te midden waarvan we leven, dat we vergeten dat dezelfde vleselijke lusten,
zondige begeerten, ook in ons eigen hart leven. Maar waar we ons dan werkelijk
voor schamen is niet zozeer dat ook wij zulke zondige begeerten hebben, maar
dan schamen we ons voor het evangelie dat zowel ons als anderen kan redden van
de toorn van God die in dat alles zichtbaar is.
En nu kunnen we denk ik nog beter begrijpen wat de
apostel bedoelt in onze tekst als hij daar zegt dat wie zijn oordeel klaar
heeft over al die slechte mensen dezelfde dingen doet. Ja, het doet wel pijn om
dit te moeten horen. Fatsoenlijke ongelovigen, en fatsoenlijke Joden en
Moslims, en fatsoenlijke Christenen, is het werkelijk waar dat die allemaal
precies dezelfde dingen doen? Dezelfde dingen als bijvoorbeeld ook de Nazi's
deden in Auschwitz? Is dat echt zo?!
Ja, zegt onze tekst! Ja, ze doen allemaal dezelfde
dingen, zolang ze God niet erkennen als de enige Schepper en Verlosser van het
hele leven. En dat geldt ook van Christenen, als ze wel roemen in Jezus
Christus als hun enige Verlosser, maar tegelijk door het daartoe te
beperken en het voor zichzelf te houden in feite alle anderen veroordelen. Ze
zijn misschien heel fatsoenlijke mensen, en toch doen ze dezelfde dingen als ze
God niet erkennen zoals Hij werkelijk is, namelijk, zoals van Hem gezegd wordt
in hoofdstuk 2:4, dat Hij de God is wiens goedheid ons tot inkeer wil brengen.
Ja, dus ook ons!
Paulus schreef deze brief aan de gelovigen in Rome ook
met het oog op de voorbereidingen voor zijn zendingsreis naar Spanje en
West-Europa. Hij schreef het 1e hoofdstuk dus niet opdat die Christenen, en ook
wij vandaag, zouden zeggen: sjonge jonge, wat een boze wereld toch waar we
vandaag in leven, laten we ons er maar zo ver mogelijk uit terug trekken en er
zo weinig mogelijk mee te maken willen hebben.
O nee, de apostel schreef deze brief, ook het 1e
hoofdstuk daarvan, opdat we in
die wereld onze plaats innemen, en bereid zijn en ons klaar maken om in die
wereld er op uit te gaan, zonder ons voor het evangelie te schamen. Immers,
dank zij Jezus Christus en Zijn Heilige Geest is het een reddende kracht van
God voor allen die geloven; een reddende kracht voor drugverslaafden en
seksmaniakken, tot behoud voor leiders aan Aids en voor filmsterren, voor
professors en dominees en dronkaards, voor hoeren en moordenaars en
catechisanten, ja, zoals een dichter (Gerrit Achterberg) het eens zei: een
kracht tot behoud "voor dieven, hoeren, honden, moordenaars altemaal, ---
en mijzelve in het bizonder".
Want
ja, Gods barmhartigheid overwint het oordeel.
AMEN
3
De
derde van de negen heeft als tekst Romeinen 3:1-4a, 29-31. Voor de orde van
eredienst worden hier enkele suggesties vermeld. De psalmen en gezangen zijn
uit het Gereformeerd Kerkboek.
SCHRIFTLEZING: Romeinen 2:17-3:31
Aanvangslied: Psalm 86:5
Na de Tien Woorden: Psalm 86:4
Na Schriftlezing: Psalm 87:3, 4
Na de preek: Psalm 98:1, 2
Slotzang: Gezang 140
Geliefde
gemeente van onze Heer Jezus Christus,
Romeinen
3 is een bekend hoofdstuk. Het gaat in dit hoofdstuk immers over de
rechtvaardiging door het geloof alleen. Als we dat horen denken we gelijk aan
Maarten Luther, die ons voor God rechtvaardig zijn door het geloof alleen tot
het thema van de Kerkhervorming heeft gemaakt. Hij mocht geloven dat hij,
ondanks zijn zonden, door God om Christus' wil als rechtvaardig werd
aangemerkt. Het was deze geloofsovertuiging die hem de moed gaf om op de
Rijksdag te Worms tegen hen die hem dit geloof wilden laten afzweren te zeggen:
Hier sta ik; ik kan niet anders; God helpe mij. Hij was niet bang naar Worms te
gaan, zoals ook de apostel Paulus niet bang was om naar Rome te komen en ook
daar het evangelie te verkondigen. Geen van beiden schaamden ze zich voor de
boodschap van het evangelie.
De apostel Paulus legde er zo de nadruk op dat hij zich
niet schaamde voor het evangelie, omdat sommigen dachten dat hij niet naar Rome
durfde te komen vanwege het immorele leven in die grote stad, en de Jodenhaat
daar. Daar gaat het in het bijzonder over in de hoofdstukken 1 en 2. Maar uit
wat we vanmorgen gelezen hebben blijkt dat Paulus ook reden had om er de nadruk
op te leggen dat hij niet bang was om naar Rome te komen, vanwege
lasterpraatjes die er over hem in Rome verspreid waren. Paulus leerde namelijk,
zo blijkt uit vers 5, dat het onrecht dat wij doen, onze slechtheid dus,
bewijst dat God rechtvaardig is. Maar omdat hij dat leerde werd nu het praatje
over hem rondgestrooid, zo blijkt uit vers 8, dat hij daarmee het kwade
eigenlijk goed vond en promootte, omdat het goede er immers uit voorkomen zou.
Paulus verwerpt die praatjes als laster, maar de vraag
kan toch wel gesteld worden, of hij geen aanleiding voor die praatjes gegeven
heeft. Immers, in het vorige hoofdstuk, in 2:1, heeft Paulus de gelovigen in
Rome gewaarschuwd tegen hun veroordelen van de heidenen om hun immorele manier
van leven. Ook heeft de apostel daar gewaarschuwd tegen de eigengerechtigheid
van Joden die dachten dat zij beter waren omdat zij de wet bezaten. Nu, gaf
Paulus door zo te praten geen aanleiding dat sommigen die manier van leven dus
normaal zouden gaan vinden? Het ene zou dan al gauw tot het andere kunnen
leiden, met als consequentie dat al gauw ook de kerk door zulk immoreel gedrag
zou worden besmet.
Ja, en nu kon het gemakkelijk gebeuren dat vanwege die
suggestie dat Paulus daar aanleiding toe had gegeven, en ook vanwege de daarvan
te vrezen gevolgen, de christenen in Rome zich zo ver mogelijk van de andere
mensen in Rome, de heidenen daar, zouden afzonderen. En dat niet alleen, maar
dat ze ook zouden nalaten om de Joodse synagoge te benaderen met het evangelie
van behoud door Jezus Christus, omdat ze die als net zo gevaarlijk voor hun
kerkelijk leven zouden beschouwen als de heidenen.
Het was daarom echt wel nodig, vanwege dat gevaar van
zich in eigen kring terug te trekken, dat men tot een juiste beoordeling kwam
van de positie van de Joodse synagoge in Rome. Dat is dan ook wat de apostel
Paulus doet in de verzen 1-4a. En datzelfde geldt ook van de situatie van de
heidenen daar; en dat doet de apostel dan ook in de verzen 29-31.
Zo verkondig ik u dan nu DE ENE TROUWE GOD DIE
1. TROUW IS AAN DE JODEN AAN WIE ZIJN WOORDEN WAREN
TOEVERTROUWD (3:1-4A)
2. ALLEN RECHTVAARDIGT DIE IN ZIJN WOORD GELOVEN, ZOWEL
JODEN ALS HEIDENEN
1.
Het evangelie is een kracht tot behoud van Gods toorn over alle goddeloosheid,
niet alleen van de heidenen, maar van alle mensen; dus ook van hen die (zie
2:17vv) zichzelf Joden noemen, op de wet vertrouwen en daarin ook onderwezen
zijn.
Maar weet u, nu zouden de christenen aan wie Paulus deze
brief geschreven heeft daaruit de conclusie kunnen trekken dat God de Joden
verworpen had. Ja, en als dat zo zou zijn, dan moest het antwoord op die vraag
in hoofdstuk 3:1, “Wat hebben de Joden dan nog voor op anderen? Heeft het enig
nut dat men besneden is?”; het antwoord daarop moest dan luiden: niets! Dan
konden ze inderdaad de synagoge afschrijven als toch een verloren zaak, net als
ook die goddeloze heidense bevolking van de stad Rome.
Maar dat is niet Paulus’ antwoord op die vraag. O nee,
zijn antwoord op die vraag is totaal anders. Hij zegt in vers 2 dat het
voorrecht van de Joden en het nut van hun besnijdenis in ieder opzicht zeker
is. Hij noemt direct al het voornaamste (wat hij later in de hoofdstukken 9-11
meer in bijzonderheden zal uitwerken), dat het in de eerste plaats de Joden
zijn aan wie God zijn woord heeft toevertrouwd. Met andere woorden, zij hebben
Gods belofte van behoud van Gods toorn over de goddeloosheid van de mensen
ontvangen. Bovendien hebben ze die belofte niet alleen voor zichzelf gekregen,
maar ook voor de andere volken in deze wereld die in hun zegen zouden delen.
Zich niet schamen voor het evangelie van behoud betekent daarom ook dat dit
feit niet mag worden ontkend. Het woord van God, dat toch immers de blijde
boodschap van behoud bevat, is ook aan de Joden toevertrouwd, en dus ook aan
die synagoge in Rome.
Nu zou misschien iemand kunnen zeggen, maar wacht eens
even, zij zijn toch ontrouw geworden, en daar mogen, ja daar moeten we dan toch
uit concluderen dat God niet meer bij hen is, maar bij ons? Maar nee, de
apostel Paulus wil in de eerste plaats dat ze er rekening mee houden dat niet
alle Joden ontrouw zijn geworden! Vandaar dat Paulus, om een dergelijke houding
van het maar heel gemakkelijk afschrijven van een hele gemeenschap die toch ook
Gods beloften ontvangen heeft te voorkomen, schrijft in vers 3: maar wat
betekent dat als sommigen ontrouw geworden zijn? We moeten er wel op letten dat
Paulus schrijft ‘sommigen’. Niet allemaal dus. En wat Rome betreft, toen Paulus
dit schreef was de synagoge daar nog niet met de blijde boodschap van behoud
door Jezus Christus benaderd. Dat deed Paulus zelf, zie Handelingen 28. Die
synagoge mocht toch niet bij voorbaat ontrouw verklaard worden.
Maar, en dat in de tweede plaats, Paulus voegt daar in
vers 4 aan toe dat, ook al is ieder mens onbetrouwbaar, het feit blijft bestaan
dat God van zijn kant altijd betrouwbaar is. De ontrouw van sommigen doet
daarom nog niet de trouw van God te niet! God houdt altijd zijn Woord, Hij
blijft trouw aan zijn beloften, en daarom ook aan hen die zijn Woord en zijn
beloften ontvangen hebben. –
– Dit moeten we wel even op ons laten inwerken. Paulus
durft dit te zeggen op gevaar af dat sommige van zijn tegenstanders zullen
zeggen: zie je wel? Paulus is niet streng genoeg, hij verzwakt de normen, ja
hij gaat de zonde zelfs goed praten! Zo sticht hij alleen maar verwarring.
Eerst wilde hij al niet dat we de heidenen die toch zwelgen in allerlei
immoreel gedoe zouden veroordelen (zie 2:1); en nu gaat hij ook nog de Joden verdedigen
die hier nog in de synagoge samenkomen. Het lijkt er echt wel op dat het er bij
Paulus dus niet toe doet dat de heidenen in goddeloosheid leven, en dat de
Joden niet of nog niet gehoorzamen aan Gods normen voor de vergadering van de
kerk.
Ja, dat is inderdaad de conclusie die ze trokken, we
lezen dat in vers 8. Paulus neemt de zonde niet serieus als hij zegt dat
daardoor Gods rechtvaardigheid beter tot zijn recht komt. Je mag van Paulus dus
het kwade doen omdat er toch het goede uit voortkomt.
Ja gemeente, de apostel aanvaardt inderdaad het risico
dat sommigen zo over hem zullen lasteren. Maar direct nadat hij die laster
verworpen heeft laat hij ook duidelijk zien dat het ontvangen hebben van Gods
Woord en Gods beloften niet betekent dat je dan automatisch behouden wordt van
Gods toorn. En ik voeg er gelijk maar aan toe dat ook wij dat goed beseffen
moeten. Immers, ook ons geldt wat Paulus dan vraagt in vers 9: “Wat betekent
dit alles? Zijn we (niet zoals de NBV het heeft ‘als Joden’; maar zijn wij) nu bevoordeeld?” Zijn dus zowel de
Joden alsook wij Christenen nu bevoordeeld boven anderen omdat wij tot een
groep mensen mogen behoren die delen in Gods beloften? Natuurlijk niet,
gemeente! Immers, datzelfde Woord van God vertelt ons, in de boeken van Mozes,
de Wet, en ook in de Psalmen en de Profeten, in het hele Oude Testament dus,
dat voor God niemand rechtvaardig is op grond van iets in hem- of haarzelf, van
werken, of van afkomst, of van de kring waartoe je behoort. Kijk maar hoe
Paulus, na een hele reeks citaten uit het Oude Testament, het kernachtig
samenvat in vers 20: “want juist de wet leert ons de zonde kennen”!
Welke wet? Het hele Woord van God, dat zowel Joden als
Christenen leert dat we zozeer in de macht van de zonde zijn dat we, tenzij de
kracht van God tot behoud tussenbeide komt, verloren zijn onder de toorn van
God tegen de zonde. Maar dank zij God, dit is tegelijk ook de boodschap van de
Wet en de Profeten, van het Woord van God, dat bij God die kracht tot behoud
dan ook aanwezig is. En dit is dan ook inderdaad het voorrecht van de Jood, dat
dit Woord van God met die blijde boodschap er in aan hen was toevertrouwd. Tot
heil van de Joden, maar tegelijk ook tot heil van de andere volken.
Dit betekent dat nu ook de Christenen in Rome dit moeten
erkennen, en hun appel dat uit moet gaan naar de synagoge daarop moeten
baseren. Trouwens, niet alleen de Christenen in Rome, maar ook wij, Christenen
in Nederland. Natuurlijk moeten we niet makkelijk doen over zonde en ontrouw,
alsof het er eigenlijk niet zo erg toe doet. Maar waar en wanneer ook maar we
in aanraking komen met mensen en met geloofsgemeenschappen die het Woord van
God ontvangen hebben en die delen in Gods beloften, dan moeten we dat niet
ontkennen, maar daar juist van uitgaan en ze daar op aanspreken. Want hetzelfde
Woord van God dat ons onze zonden doet kennen bevat ook de belofte van Gods
kracht tot behoud van zijn toorn over de zonde.
Waarom moeten we dus hen die ook Gods Woord ontvangen
hebben blijven benaderen en aanspreken? (en daar horen ook de Joden dus nog
bij; die in Nederland wonen allereerst, maar verder ook daar buiten!). Waarom?
Omdat God trouw blijft aan hen die zijn Woord ontvangen hebben, zelfs als zij
ontrouw geworden zijn. Want Gods goedheid overwint altijd maar weer het oordeel
(cf. Jacobus 2:13); het blijft het overtreffen.
2.
Het is deze ene en getrouwe God die ik u verkondigen mag: de God die allen
rechtvaardigt die zijn Woord geloven, zowel Joden als heidenen.
In vers 19 heeft Paulus laten zien dat het Woord van God
dat in de tijd van het Oude Testament aan de Joodse kerk was toevertrouwd de
zonden en de strafwaardigheid van de hele wereld aanwijst. Alleen maar, dit is
niet de enige functie van Gods Woord. Het Oude Testament getuigt ook dat er een
weg van behoud is, behoud van de toorn van God en van zijn straf over de zonde.
Maar is die weg van behoud ook open? Laten we dan nu luisteren naar wat de
apostel zegt in de verzen 21 en 22: “Gods gerechtigheid, waarvan de Wet en de
Profeten al getuigen, wordt nu ook buiten de wet zichtbaar: God brengt
vrijspraak aan allen die in Jezus Christus geloven”.
Het Oude Testament heeft er dus al van getuigd, maar het
nieuwe is nu dit, dat de daarin beloofde Messias, de Christus, inmiddels
gekomen is. En Hij, zo gaat het verder in vers 25, “Hij is door God aangewezen
om door zijn dood het middel tot verzoening te zijn voor wie gelooft”. Paulus
laat dan verder zien hoe God in de tijd van het Oude Testament met Goddelijke
verdraagzaamheid de zonden die bedreven werden had laten gaan, en wel op twee
manieren.
De HEER deed het door bij voorbaat de zonden te vergeven
van hen die geloofden in de verzoening die de komende Christus te weeg zou
brengen. En wat de zonden van de heidenen betreft, die had God laten gaan
doordat Hij die volken alle eeuwen door in hun eigen wegen wandelen liet zonder
hen te vernietigen. Dat betekent dat zowel het vergeven van de zonden van hen
die geloofden, alsook het sparen van de andere volken ondanks hun zonden,
gebeurde vanwege de komende Christus. En dit ging zo door totdat de volheid van
de tijd aanbrak, toen Christus in Bethlehem geboren werd en daarna stierf aan
het kruis. Het was dus één en dezelfde God die zowel Israël als de andere
volken spaarde om Christus’ wil. Dat is dan ook de conclusie die Paulus trekt
in de verzen 29 en 30: “Is God soms alleen de God van de Joden en niet die van
de heidenen? Zeker, ook die van de heidenen!” Er is toch immers maar één God! –
– Dit is dus de boodschap die Paulus predikt, of hij nu
spreekt tot Joden of tot heidenen. Dit is dus ook de boodschap die de
Christenen in Rome moeten belijden en verkondigen. Deze boodschap moeten ze tot
de basis en de inhoud maken van hun appel op de synagoge, en ook van hun
spreken tot hun heidense medeburgers.
Als dan de Joodse synagoge zich inderdaad trouw zou tonen
aan het voornaamste artikel van hun geloofsbelijdenis, woorden geciteerd uit
Deuteronomium 6:4, “Luister, Israël: de HEER, onze God, de HEER is de enige!”;
nu, dan moest dat appel hen toch aanspreken. Immers, het bevat dezelfde
boodschap van behoud voor gelovigen in alle volken, en dezelfde belijdenis van
geloof in één en dezelfde God voor Israël en voor de andere volken, waar ook
het Oude Testament van spreekt.
Aan de andere kant, als de synagoge desondanks zou
blijven beweren dat wij door te geloven in behoud door Jezus Christus alleen de
wet buiten werking zouden stellen (een tegenwerping die volgens vers 31
inderdaad kon worden verwacht); en als ze daarom de Christenen zouden
beschuldigen van revolutie en scheurmaking, dan voorziet de apostel hen in het
volgende hoofdstuk van een keur van argumenten uit het Oude Testament om het
tegendeel aan te tonen. Kijk maar naar hoofdstuk 4, waar Paulus dat doet vanuit
de geschiedenis van Abraham.
Maar wat een voorrecht en wat een roeping voor die
Christenen in Rome, dat ze deze weg van behoud kunnen en mogen verkondigen in
die grote stad Rome. Ze hoeven echt niet bang te zijn en zich voor dit
evangelie te schamen, of ze nu praten met Joden of met anderen in Rome. Ze
hebben toch zeker het Woord voor de wereld, het geschenk uit de hemel voor deze
wereld. Maar dan moet natuurlijk wel duidelijk blijken dat ze zelf dat Woord
geloven, en wat het hun doet. Verder ook, stelt u voor dat ze de Joden en de
heidenen in Rome daarmee niet zouden aanspreken. Hoe zou Paulus hen dan ooit
gereed kunnen vinden om hem verder te helpen op zijn weg naar Spanje en
West-Europa? Zou het Evangelie, naar de mens gesproken, ons dan ooit hebben
kunnen bereiken?
En dus komt nu die vraag ook op ons af. Hoe zit dat bij
ons? Het Woord van God met de boodschap van het Oude Testament, en van de
vervulling daarvan in de komst van Christus in het Nieuwe, is nu aan ons
toevertrouwd. Maar ook dat wel met een bedoeling! Deze bedoeling, dat ook wij
een appel laten uitgaan tot allen die hetzelfde Woord met dezelfde beloften en
dezelfde sacramenten, ook het sacrament van het Heilig Avondmaal, van God
ontvangen hebben.
Zijn we in staat om dat te doen? En willen we het ook?
Kennen we het Woord van God inderdaad zo goed, dat we onszelf kennen als het
oordeel waardige zondaars, die dan ook alleen maar gered kunnen worden door
geloof in Jezus Christus? Kennen we het Woord van God zo goed dat we in het
licht daarvan ook anderen kunnen leren kennen, herkennen en ook erkennen die
net als wij Gods Woord en beloften en sacramenten ontvangen hebben?
Kennen we het Woord van God dat ons is toevertrouwd zo
goed, dat we ook in staat zijn om, daardoor geleerd, allen te herkennen en te
erkennen die dezelfde boodschap van het evangelie geloven? Want we mogen ons
niet schamen voor het evangelie, en ook ons handelen niet door vrees laten
bepalen; want het evangelie is Gods reddende kracht voor allen die geloven.
AMEN
4
De vierde van de negen heeft als tekst
Romeinen 6:3-4. Voor de orde van eredienst worden hier enkele suggesties
vermeld. De psalmen en gezangen zijn uit het Gereformeerd Kerkboek.
SCHRIFTLEZING: Handelingen
16:16-34
Aanvangslied: Psalm 105:1.5
Na de Tien Woorden: Psalm 105:21
Na Schriftlezing: Liedboek 20:1,2,4,5
Na de preek: Psalm 100:1,4
Slotzang: Psalm 87:2,3,5
Geliefde
gemeente van onze Heer Jezus Christus,
In
onze tekst stelt de apostel Paulus de vraag: "Weet u niet dat wij die in
Christus Jezus gedoopt zijn, zijn gedoopt in zijn dood?" En dan gaat de
apostel verder in vers 4 met te spreken over de betekenis en de bedoeling van
de doop.
Wanneer het gaat over de betekenis en de bedoeling van de
doop ligt het voor de hand dat we als een Gereformeerde kerk die aan onze naam
ook het woord vrijgemaakt toevoegt terugdenken aan het feit van de Vrijmaking
die in 1944 is begonnen. Want het ging in die vrijmaking indertijd in het
bijzonder over de doop en de betekenis en de bedoeling daarvan.
Vanmorgen mag ik u verkondigen: DE BETEKENIS EN HET DOEL
VAN DE DOOP
Gedoopt
zijn
1.
BETEKENT TE STERVEN EN BEGRAVEN TE WORDEN MET CHRISTUS
2.
BEDOELT MET CHRISTUS OP TE STAAN EN TE WANDELEN IN EEN NIEUW LEVEN
1.
Eerst dus over de betekenis van de doop.
In Handelingen 16 hebben we gelezen hoe Paulus en Silas door een rechtstreeks
ingrijpen van God uit de hemel, door middel namelijk van een aardbeving, uit de
gevangenis werden bevrijd.
Dat geldt van elke bevrijding van Gods kinderen. We mogen
daarin de hand van God zien en erkennen. Welnu, datzelfde geldt ook van de
vrijmaking van de kerk indertijd van een verkeerde leer aangaande de doop.
Van die vrijmaking was toen de bedoeling, en het is dat
toch ook vandaag nog zo, dat we als kerk door gaan met het vervullen van de
opdracht van onze Heer: "Ga dus op weg en maak alle volken tot mijn
leerlingen, door hen te dopen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige
Geest".
In het kort: preken en dopen, en zo Gods kerk vergaderen,
door het evangelie te verkondigen waarvan de apostel Paulus direct in het begin
van deze brief al gezegd heeft dat het is Gods reddende kracht.
Welnu, wat riep die gevangenbewaarder uit, toen als
gevolg van de aardbeving het er op leek dat alle gevangenen zomaar ontsnappen
zouden?
Hij riep, zo lezen we in Handelingen 16:30: "heren,
wat moet ik doen om gered te worden?" Die cipier voelde aan dat hij gered
moest worden. Maar waarvan moest hij dan gered of behouden worden? Dat blijkt
uit het voorgaande, uit wat we lezen in vers 27.
Toen hij uit zijn slaap was wakker geschud, en plotseling
zag dat al de deuren van de gevangenis wijd open stonden, schrok hij zich
ongelukkig. Hij was verantwoordelijk voor al die gevangenen, en als er maar
eentje ontsnappen zou, dan kon hij er op rekenen dat hij gemarteld en gedood
zou worden. En dus trok hij zijn zwaard om zelfmoord te plegen.
Liever pleegde hij zelfmoord dan zelf voor het gerecht
gesleept te worden en op een beschamende en vreselijke manier gestraft te
worden. Hij zag er geen heil meer in; hij wilde dan maar liever direct sterven
en begraven worden.
Ja, maar dat zou dan ook betekenen dat hij de eeuwige
dood ging sterven, en voor eeuwig begraven zou worden in de hel!
Op het nippertje heeft Paulus weten te verhinderen dat de
man zichzelf doodde door te roepen: man, stop dat, doe dat niet, we zijn
allemaal nog hier! Het was dus niet nodig dat die man zelfmoord pleegde. Nee!
Gelukkig niet!
Maar weet u wat ook niet nodig was? Het was ook niet
nodig dat die man de eeuwige dood zou sterven om voor altijd in de hel begraven
te zijn.
En weet u waarom
niet? Dat was niet nodig, en dat is voor niemand nodig, ook hier niet en
vandaag niet, omdat onze Heer Jezus dat al ondergaan heeft.
Hij is voor ons de eeuwige dood gestorven aan het kruis
van Golgotha, en Hij is in onze plaats neergedaald in de hel om daar de helse
smarten te ondergaan, de straf voor onze zonden, en daarna begraven te worden
in een graf.
Kijk, het is die belofte van God die aan alle mensen
verkondigd moet worden, omdat die belofte een kracht tot behoud is; alleen
daardoor kunnen we gered worden.
En het is dan ook die belofte die door Paulus en Silas
aan die gevangenbewaarder gepredikt werd; aan hem, en aan allen die tot zijn
huisgezin behoorden. Ze kregen als het ware catechisatie van Paulus en Silas,
en van wie konden ze beter catechisatie krijgen dan van deze trouwe dienaren
van de Heer?
De gevangenbewaarder toonde dan ook zijn dankbaarheid
door hun wonden te wassen, – ze waren immers gegeseld voordat ze in de cel
waren opgesloten – ; en daarna werden hij en zn
huisgenoten ook gedoopt.
Nu moeten we dat goed verstaan. Het was niet zo dat
Paulus en Silas na een uurtje catechisatie geven gelijk maar van de
veronderstelling uitgingen dat die mensen (en als ze eventueel kleine kinderen
hadden ook die kinderen) nu wel geloof bezaten en dus voor wedergeboren konden
worden gehouden, en daarom gedoopt konden worden.
Weet u, dat was die vreemde leer over de doop, waarvan we
indertijd vrijgemaakt mochten worden: de leer van de veronderstelde
wedergeboorte als grond voor de doop. Een leer trouwens die in een andere vorm,
in de vorm van verbondsautomatisme, nog steeds ons bedreigt.
Nee, de doop is niet een teken en zegel van een verondersteld
geloof, of van een veronderstelde wedergeboorte, waarbij we dus doen alsof dat
geloof er al is, en die wedergeboorte al heeft plaats gehad. Een soort
verbondsautomatisme dus, wat maakt dat je er gewoon van uit gaat dat het wel
goed zit met je, omdat je immers gedoopt bent of wordt.
O nee, de doop is niet een teken en zegel dat het met jou
wel goed zit. Het is een teken en zegel daarvan dat het alleen bij God goed
zit, omdat de doop een teken en zegel is van Gods belofte, van de belòfte dat
Christus voor ons gestorven en begraven is.
Toen Paulus en Silas de gevangenbewaarder en zijn
huisgenoten doopten, veronderstelden ze maar niet dat het wel goed met hen zat,
maar hadden ze hen hun geloof in Gods beloften horen belijden. En het was op
grond van Gods beloften dat ze gedoopt werden.
Maar als er nu ook eens kindertjes bij geweest waren, die
nog niet belijdenis van hun geloof konden doen? Dan werden ook aan hen Gods
belòften verzegeld in de doop. En als ze dan later opgegroeid zouden zijn, ja,
dan zou van hen gevraagd worden dat ook zij die beloften geloven zouden, en
belijdenis van hun geloof zouden doen.
En wat zouden ze dan belijden? Dan zouden ze belijden wat
eerder in de doop zichtbaar was gemaakt. Zoals je bij de doop met water
besprenkeld, of zelfs in het water volledig ondergedompeld bent, zo ben je als
het ware ondergedompeld in de dood en in het graf van Christus.
Ja, want zo zegt Paulus het in onze tekst tot mensen die
hun geloof in de Heer Jezus beleden hebben: "Weet u niet dat wij die in
Christus Jezus gedoopt zijn, zijn gedoopt in zijn dood? We zijn door de doop in
zijn dood met hem begraven". Want aan wie geloven worden deze belofte
vervuld.
Is dat niet geweldig? Het werd dan ook een groot feest in
dat huis, zo lezen we in Handelingen 16:34. Ze gingen naar boven, naar de
eerste of tweede verdieping waar de eetkamer was, en daar werd een maaltijd
aangericht, een feestmaal; want, zo staat er, "hij en al zijn huisgenoten
waren buitengewoon verheugd dat hij nu in God geloofde".
Eerst was hij wanhopig, hij zag er totaal geen heil meer
in, maar wilde dood en begraven worden. Maar nu is aan hem en aan al zijn
huisgenoten de vaste belofte van God verzegeld, dat Christus voor hem en de
zijnen gestorven en begraven is.
Ja, Gods belofte is aan hem en zijn gezin verzegeld, dat
Christus niet alleen de lichamelijke dood en begrafenis voor ons heeft
ondergaan, maar de eeuwige dood, en het voor altijd begraven worden in de hel.
Ook wij hebben allemaal die belofte gekregen; ook wij
mogen delen in Christus' dood en begrafenis; ook aan ons is die belofte in onze
doop afgebeeld en verzegeld. Je hoeft echt niet te twijfelen of die belofte ook
wel voor u of voor jou is; en voor wie ook maar als baby is gedoopt.
We moeten er dus niet van uitgaan dat het wel goed zit
met ons; maar ook hoeven we niet in onzekerheid
te gissen of het wel goed komt met ons. We mogen er van uitgaan dat God
goed is voor wat Hij belooft. Hij zal zijn waarheid nimmer krenken, maar eeuwig
zijn verbond gedenken.
En daarmee kom ik tot wat ik u in de tweede plaats zeggen
moet:
2.
Het doel van onze doop is, dat we nu ook met Christus opstaan om te wandelen in
een nieuw leven.
Laten we nu weer even letten op wat die gevangenbewaarder
deed nadat hij tot het geloof gekomen was. Dat lezen we in Handelingen 16:33:
"Hoewel het midden in de nacht was, nam hij hen mee en maakte hun wonden
schoon", en nadat hij en zijn huisgenoten gedoopt waren, zo gaat het
verder in vers 34, "bracht hij hen naar zijn woning boven de gevangenis en
zette hun daar een maaltijd voor. Hij en al zijn huisgenoten waren buitengewoon
verheugd dat hij nu in God geloofde".
Met andere woorden, het deed hem iets, het deed hem heel
veel zelfs: hij stond op en begon een nieuw leven.
Hij was een veranderd mens geworden. Door nu ook te leven
uit die belofte die in de doop was afgebeeld en verzegeld, door te leven uit
het met Christus gestorven en begraven zijn wat zijn oude natuur betrof,
daarmee stond hij nu ook op met Christus om te wandelen in een nieuw leven.
Zie? Dat was dan ook het doel van de doop, zo lezen we in
onze tekst, Rom.6:4. "We zijn door de doop in de dood met hem begraven om,
(daar komt dus het doel daarvan), om zoals Christus door de macht van de Vader
uit de dood is opgewekt, een nieuw leven te leiden".
Het was aan die gevangenbewaarder te merken dat hij was
bevrijd uit de banden van de dood. Hij verheugde zich, en vierde feest met hen
die hetzelfde geloofden.
Zo mogen ook wij ons samen verheugen vanwege onze
verlossing, en in lijn daarmee ook dankbaar zijn dat wij een vrijgemaakte kerk
mogen zijn.
Maar wel moeten we ons daarbij afvragen of we, zowel
persoonlijk alsook als kerken, zo met Christus een nieuw leven leiden, dat ook
anderen daarin de macht en majesteit van onze Vader kunnen opmerken.
Konden en kunnen anderen inderdaad zeggen: wat een voorbeeldig en blij kerkelijk
leven vind je daar, en wat gaan ze daar goed met elkaar om, en wat een
uitstraling van Gods liefde en majesteit gaat er van hen uit?
En verder, is het nu zo met ons dat we ook vandaag zo
onze doop verstaan, het doel van onze doop, dat we, merkbaar voor elkaar en
voor anderen, de majesteit van onze Vader vertonen door met Christus een nieuw
leven te leiden? Of is het zo dat we toch nog al te gemakkelijk er automatisch
van uitgaan, – of dat we althans die indruk op anderen maken of gemaakt hebben
– , dat wij als gedoopte Verbondskinderen er toch zeker recht op hebben dat we
bevrijd zijn van de banden van de dood en dus behouden worden?
We moeten, zichtbaar voor God en mensen, met Christus een
nieuw leven leiden, daarin rondwandelen (zoals het ook vertaald kan worden).
Dat moeten we ons maar heel concreet voorstellen.
Als je nieuwe kleren gekregen hebt, blijf je toch niet
altijd maar weer in je oude kleren rondlopen? Wat kan een moeder er plezier in
hebben als ze na de vakantie haar kinderen in mooie leuke kleren weer naar
school kan laten gaan. Ze vindt het best fijn als de mensen zouden zeggen: wat
kleedt die moeder haar kinderen leuk aan.
Nu, onze God heeft er ook plezier in dat wij zo rondwandelen
in een nieuw leven, bekleed met de rechtvaardigheid, zo zegt de Bijbel het, die
Christus ons door Zijn opstanding gegeven heeft. Zodat Hij zelf het kan zien,
en ook de mensen om ons heen.
Paulus zegt het ergens in deze brief letterlijk zo:
'trekt de Heer Jezus Christus aan'! Met Christus bekleed zijn is maar niet kerk
heten, maar echt kerk zijn. Het is maar niet een christen heten, maar een echte
christen zijn.
Met Christus bekleed zijn is zo in Hem opgenomen en zo
met Hem verenigd zijn, dat de Hem geschonken opstandingsheerlijkheid, Zijn
Paasglorie, ook onze Paasglorie is.
Kijk, dat is dus het doel van ons gedoopt zijn. Onze hele
manier van leven moet de glans van het nieuwe vertonen. Laten we ons dat maar weer
zo voorstellen dat we uit wandelen gaan met een nieuw pak of een nieuwe mantel
aan, en een paar glanzend nieuwe schoenen aan onze voeten. Dan voelen we ons
als het ware een nieuw mens. Dan durven we ons veel franker en vrijer onder de
mensen te vertonen dan met onze oude kleren aan, die uit de mode zijn, of zelfs
al kaal zijn of beginnen te rafelen.
Zoals we dan wel zeggen: we vertonen ons op ons Paasbest.
In advertenties van allerlei kledingzaken worden we daartoe ook aangemoedigd.
Die stellen het dan zo voor dat de mensen direct aan je zien: o wat ziet die er
goed gekleed uit, dat zal wel daar en daar gekocht zijn. De kleren maken de
man; maar de kleren tonen ook aan waar de man of vrouw ze gekocht heeft. Je
bent als het ware een wandelende advertentie van de kledingzaak waar het
vandaan komt. Je zou het zo kunnen zeggen, dat je in je wandel de glans en de
heerlijkheid van die kledingzaak vertoont.
Nu, dat is het doel van onze doop, en van ons door de
doop echt bij de kerk horen en in het verbond van God opgenomen zijn, dat we zo
met Christus' opstandingsheerlijkheid bekleed zijn, dat we in onze
levenswandel, in onze manier van leven, de heerlijkheid en de majesteit van
onze hemelse Vader vertonen.
Nu, dan moet alles wat met die heerlijkheid en majesteit
van God in strijd is, onze oude mens met zijn verkeerde praktijken, weggedaan
worden. Dat moet dan als het ware met Christus in het graf verdwijnen.
Niet voor niets zegt het Doopsformulier dan ook, dat wij
door God in de doop ook geroepen en verplicht worden tot een nieuwe
gehoorzaamheid.
Betekent dit dat wij door onze gehoorzaamheid dat nieuwe
leven zelf moeten verdienen? Alsof je wanneer je als kinderen van je ouders
nieuwe kleren gekregen hebt die achteraf zelf nog weer zou moeten verdienen?
Natuurlijk niet. Maar als je het fijn vindt dat je mooie nieuwe kleren van je
ouders gekregen hebt, dan laat je wel zien dat je van ze houdt.
Weet je waar die nieuwe gehoorzaamheid volgens het
doopsformulier dan ook in uit komt? Hierin, dat je de HEER aanhangt, vertrouwt,
en liefhebt met heel je hart, met heel je ziel, met heel je verstand en met al
je krachten. Het betekent ook dat je met de wereld breekt, je oude natuur
doodt, en dicht bij de HEER leeft.
En als je soms uit zwakheid weer in zonde valt; zeg maar,
als je met je mooie nieuwe kleren in de modder valt of ze aan prikkeldraad
kapot scheurt? Luister naar wat het doopsformulier zegt: dan moet je niet
wanhopen aan Gods genade, en het natuurlijk ook niet zo laten, maar er mee
terug gaan naar God, net zoals je als kind met je vuil geworden of gescheurde
kleren terug gaat naar je moeder.
En waarom? Dat zegt het doopsformulier ook: omdat de doop
een zegel en volkomen betrouwbaar getuigenis is dat je een eeuwig verbond met
God hebt.
Dat is dus de betekenis en het doel van onze doop. De
doop laat ons zien dat het absoluut zeker is: wanneer je Gods belofte gelooft
dat Christus voor je gestorven is, dan ben je met Hem gestorven, dan ben je als
het ware je vuile oude plunje kwijt. En de bedoeling daarvan is dan dat, zoals
Christus door de Vader uit de dood weer opgewekt is, zo ook wij een nieuw leven
gaan leiden, als het ware rond wandelend in nieuwe kleren waaraan de mensen de
majesteit van onze Vader kunnen zien.
Dank zij Pasen, de opstanding van Jezus, wandelen we dan
in ons Paasbest.
En daarom, zoals de gevangenbewaarder en zijn hele
huisgezin Paulus en Silas dienden door hun wonden te verbinden, en ook zich
verheugden en feest vierden, zo geldt ook ons:
Dient
God met vreugde, geeft Hem eer.
Komt,
jubelt voor zijn aangezicht
en
wandelt vrolijk in zijn licht.
AMEN
5
De vijfde van de negen heeft als tekst
Romeinen 9:3-8, 24. Voor de orde van eredienst worden hier enkele suggesties
vermeld. De psalmen en gezangen zijn uit het Gereformeerd Kerkboek.
SCHRIFTLEZING: Romeinen 9
Aanvangslied: Liedboek 444:1,2
Na de Tien Woorden: Liedboek 444:3
Na Schriftlezing: Psalm 118:8,10
Na de preek: Gezang 119:2,5
Slotzang: Psalm 117
Geliefde gemeente van onze
Heer Jezus Christus,
In
het Midden Oosten is de staat Israël met de Palestijnen nog altijd een haard
van onrust.
Eigenlijk
is Israël een haard vol onrust geweest in het grootste gedeelte van de
geschiedenis van het Midden Oosten. Het was dat ook in de tijd dat de apostel
Paulus zijn zendingsreizen maakte. In onze tijd is de staat Israël een
onafhankelijke staat, al moet het wel sterk rekening houden met de Verenigde
Staten. In Paulus' tijd was
Israël echter een volk en een land dat niet maar afhankelijk was van het
Romeinse Rijk, maar daaraan zelfs was onderworpen.
Meer
dan eens reisden Romeinse overheidsfiguren in gezelschap van militaire eenheden
naar het Midden Oosten als handhavers van de Romeinse vrede, de Pax Romana.
Tenslotte,
in het jaar 70, maakten ze een einde aan het bestaan van Israël als een volk in
het land Kanaän of, zoals het toen genoemd werd, Palestina. Dit heeft geduurd
tot in de 20e eeuw, tot het jaar 1948, toen veel Joden naar Palestina
emigreerden en samen met hen die er al woonden hun eigen staat Israël
oprichtten. Daar wonen ze nu al weer meer dan 60 jaren als Joodse natie in een
eigen land met een eigen regering.
De
Arabische staten in het Midden Oosten hebben altijd veel moeite gehad met het
bestaan van die nieuwe staat Israël in hun midden, in hun Midden Oosten. Maar
ook veel Christenen stellen de vraag wat nu de positie van Israël is, en komen
met verschillende antwoorden op die vraag.
Het
is dan ook begrijpelijk dat er daarom aandacht wordt geschonken aan de
hoofdstukken 9-11 van Paulus' brief aan de Romeinen. Terecht wordt aangevoeld
dat daar het antwoord te vinden is. Alle Christenen zijn het er natuurlijk over
eens dat het beslissende en definitieve antwoord aangaande Israëls positie niet
dat van Rome is, toen het Jeruzalem vernietigde en een einde maakte aan Israëls
volksbestaan door de Joden uit Palestina te verbannen. En zeker werd in onze
20e eeuw het definitieve antwoord niet gegeven door Adolf Hitler, wiens
zogenaamde 'Entlösung' of oplossing van het Joodse probleem bestond in de
overweldigende misdaad van de holocaust.
Nog al wat Christenen zijn er vast van
overtuigd dat het beslissende antwoord gelegen is in de vestiging van de staat
Israël in 1948, en dat dit antwoord definitief zal worden op de dag dat de
onafhankelijkheidsverklaring van Israël gevolgd zal worden door een bekering
van het volk van Israël tot Christus, wanneer ze Hem in massa zullen aanvaarden
als hun Messias en Verlosser.
Maar de vraag is nu of dit overeenkomt
met het antwoord zoals dat door de apostel Paulus gegeven is aan de Christenen in
Rome, toen ook zij met Israëls positie geconfronteerd werden.
We zullen alleen dan in staat zijn om
het antwoord in de hoofdstukken 9-11 te vinden, als we in gedachten houden dat
die hoofdstukken behoren tot de hele brief. Paulus schrijft hier maar niet een
op zichzelf staand opstel over de positie van Israël. Hij schreef dit in een
brief aan de Christenen in Rome om hun te leren wat hun plaats en
roeping in deze wereld is, en in het bijzonder hun roeping met betrekking tot
Israël, tot de Joden.
Uit Paulus' brief aan de Christenen te
Rome verkondig ik u HOE GOD WIL DAT WIJ
DE POSITIE VAN ISRAËL ZIEN TEMIDDEN VAN DE VOLKEN VAN DEZE WERELD.
Israël
is
1. VERBANNEN VAN CHRISTUS
ALS GODS BIJZONDERE VOLK
2.
HISTORISCH BEVOORRECHT TEMIDDEN VAN DE VOLKEN
3. GEZEGEND MET DE KERK DIE VERGADERD WORDT UIT ALLE
VOLKEN
1. Israëls positie is in de eerste
plaats dat het als volk, als een natie, zijn plaats inneemt apart van Christus,
zonder Christus, of zoals Paulus het zegt, verbannen van Christus. Israël was
al in die situatie terecht gekomen in Paulus' tijd, toen het nog bestond als
een nationale eenheid, voordat ze door de Romeinen in het jaar 70 over de hele
wereld verstrooid werden.
Het is met groot verdriet dat Paulus die
conclusie moest trekken, en hij wil dat de Christenen in Rome en ook wij
vandaag dat goed weten. Hij vraagt hun en ons te sympathiseren met het lot van
Israël, en hij doet dit in zo sterk mogelijke bewoordingen door te zeggen in
vers 3: “Omwille van mijn volksgenoten, de broeders en zusters met wie ik mijn
afkomst deel, zou ik bijna bidden zelf vervloekt te worden en van Christus
gescheiden te zijn”.
Hiermee zegt de apostel dat inderdaad
dit Israëls situatie is, dat ze van Christus verbannen zijn; en Paulus heeft
daar groot verdriet van. Maar wat was nu de reden dat Paulus hierover schrijven
gaat aan de Christenen in Rome?
De apostel was kennelijk bang dat die
Christenen in Rome zich niet genoeg bekommerden om het lot van Israël, dat er
iets ontbrak in hun verhouding tot de Joden.
In hoofdstuk 1 begon Paulus met te zeggen dat
hij er naar verlangde de Christenen in Rome te bezoeken, en hen te versterken.
Kennelijk waren er zwakheden die versterking nodig hadden. Nadat de apostel in
hoofdstuk 1 het immorele leven had geschilderd van de heidenen, waar ook veel
Christenen in Rome deel van hadden uitgemaakt, en nadat hij in hoofdstuk 2 had
laten zien dat het met de Joden daar niet veel beter gesteld was, waarschuwde
hij zijn lezers in hoofdstuk 3 dat dit niet betekent dat zij beter waren dan de
Joden en de heidenen, maar dat alle mensen in de macht van de zonde zijn en
daarom Gods straf verdienen.
Maar
dan, in hoofdstuk 3:21, verkondigt hij hun ook de enige manier om aan Gods
toorn te ontkomen: geloof in Jezus Christus, door welk geloof zij weer in vrede
met God leven (5:1).
Toch
acht de apostel het wel nodig om in wat volgt, in de hoofdstukken 6 en 7, hen
te vermanen dat ze natuurlijk niet door moeten gaan met in zonde te leven. Hij
laat hun zien, dat als ze om Christus’ wil lijden moeten, dat genade is (5:3);
maar ook moet hij hun er de ogen voor openen dat ze maar niet alleen met
zichzelf bezig moeten zijn, maar met het lijden van de hele schepping. Ze
moeten niet introvert, naar binnen gericht, maar extravert, naar buiten gericht
zijn, omdat de hele schepping delen moet in de verlossing door Christus (zo
hoofdstuk 8).
Ze
waren kennelijk nog al individualistisch; dat blijkt ook uit de laatste
hoofdstukken, 12-16. Er was verdeeldheid onder hen, ze eerden Gods instellingen
in de staat en in de kerk niet voldoende, en ook waren ze gewend hun eigen
persoonlijke meningen in de kerk aan anderen op te leggen.
Verder
legt Paulus er de hele brief door de nadruk op dat, hoewel er behoud is voor
allen die geloven, het wel eerst voor de Joden is.
Uit
het laatste hoofdstuk van het boek Handelingen weten we, dat toen Paulus enkele
jaren later zelf in Rome aankwam, hij eerst een appel deed op de synagoge om de
Joden tot geloof in Jezus Christus te bewegen. Kennelijk hadden de Christenen
die toch al ettelijke jaren in Rome woonden dat nog nooit gedaan.
Uit
dit alles mogen we concluderen dat, nu Paulus in de hoofdstukken 9-11 gaat
schrijven over de positie van Israël en de Joden, hij dat doet om de Christenen
hun roeping te laten zien, hun verantwoordelijkheid ten aanzien van Israël, en
ten aanzien van de in Rome woonachtige Joden. Het feit dat Israël Jezus als de
Messias verworpen heeft is geen reden om neer te kijken op de Joden, of om ze
maar links te laten liggen. Integendeel, Paulus roept de Christenen op verdriet
te hebben over het feit dat ze van Christus verbannen zijn, en om Israël nooit
te vergeten.
Wat
de apostel zelf betreft, Paulus had nog een extra reden om hartzeer te hebben
over Israëls situatie. Hij was zelf een Jood.
Hij
zegt hier dat ze naar het vlees zijn verwanten zijn. Dat is voor veel
Christenen zo niet, toen in Rome niet, en ook voor ons hier in Nederland niet.
Toch zijn er ook velen in ons land met wie we, als we de gezamenlijke
geschiedenis in rekening brengen, samen geleefd hebben in één kerkgemeenschap
en gezeten hebben aan dezelfde Avondmaalstafel. Zou dat feit ook ons iets te
zeggen hebben over onze plaats en roeping, in ons eigen land en onze eigen
woonplaats?
2. Maar om terug te keren tot Israëls situatie, in de
tweede plaats geven we nu aandacht aan de historisch gesproken bevoorrechte
positie van Israël temidden van de andere volken. Immers, in de verzen 4 en 5
wijst Paulus op de rol die Israël als volk gespeeld heeft in de geschiedenis
van het heil, haar heilshistorische
plaats in de geschiedenis van de volken.
Er
worden hier negen voorrechten vermeld. Om te beginnen, zij zijn Israëlieten,
het volk dus waaraan God zich in het bijzonder heeft bekend gemaakt, terwijl
Hij de andere volken op hun eigen wegen liet wandelen. Ten tweede, God heeft
hen als zijn kinderen aangenomen, hen geadopteerd als Zijn eerstgeborenen,
zoals het Oude Testament dat zegt. Ook heeft Hij hun zijn nabijheid geschonken,
waarmee bedoeld wordt het onder hen wonen van Gods heerlijkheid op de ark, in
de tabernakel, en later in de tempel.
Ook
heeft God hun zijn verbonden gegeven, namelijk het verbond dat God eerst heeft
opgericht met Abraham, daarna Zijn verbond met het hele volk, onder Mozes, en
ook Zijn verbond met David dat een Zoon van hem koning over alle volken worden
zou. Zij hebben, dat in de vijfde plaats, de wet ontvangen op Horeb of Sinaï,
en ten zesde de tempeldienst, met priesters en offers die heen wezen naar
Christus. Verder ontvingen zij ook de beloften, in het bijzonder de belofte van
leven in het beloofde land Kanaän opdat ze daar de Verlosser van de wereld
verwachten zouden.
In
de achtste plaats zijn zij het volk dat afstamt van de aartsvaders, de
patriarchen Abraham en Isaak en Jacob, met wie Israëls rol in de
heilsgeschiedenis begonnen is; en tenslotte, uit hen is Christus voortgekomen,
de beloofde Messias met wiens komst Israëls rol in de heilsgeschiedenis tot
vervulling gekomen is.
Wat
zien we hier uit? Gods heilsgeschiedenis
is tegelijk ook Israëls geschiedenis; maar het feit dat Israël de Messias die
het zelf heeft voortgebracht heeft verworpen doet die geschiedenis niet te
niet. Integendeel, ook dat hóórt bij die geschiedenis, omdat ook dat door
Israëls profeten voorzegd is.
Onder
de volken had Israël het voorrecht ingeschakeld te zijn in Gods plan van
verlossing, en dat hoort nog altijd tot Israëls geschiedenis. Niets kan daar
verandering in brengen, en dat mogen we dan ook niet vergeten. Deze
heilsgeschiedenis, waarin sinds het begin van de Nieuwtestamentische tijd de
Christelijke kerk optreedt, is immers nu ook onze geschiedenis.
Het
is nu zowel onze alsook Israëls geschiedenis. Die delen we samen, die delen we
daarom ook met het volk Israël zoals het vandaag te vinden is als een nationale
staat in het Midden Oosten, en ook met die Joden die nog altijd verspreid wonen
temidden van andere volken.
Het
is dan ook om die reden dat de Christenen in Rome maar niet moesten doen alsof
er geen Joden waren op wie ze, op grond van hun bevoorrechte geschiedenis, nog
een appel konden doen opdat ze alsnog Jezus als ook hun Messias zouden
ontvangen. En dat is ook waarom wij als Vrijgemaakt Gereformeerde Christenen
maar niet moeten doen alsof er hier in ons land geen Joden zouden zijn die wij
alsnog kunnen benaderen met de blijde boodschap van Jezus Christus. En
hetzelfde geldt natuurlijk ook voor de Evangelieverkondiging aan de Joden in de
staat Israël, en het steun bieden aan kleine Christelijke gemeenschappen daar.
Of
is het misschien zo dat wij géén
verdriet hebben en niet diep bedroefd zijn vanwege hun verbannen zijn van
Christus?
God
zij dank dat we weer als kerken, via de kerk te Ommen, zending onder de Joden
mogen bedrijven, net zo goed als we zending onder de heidenen hebben.
Natuurlijk
betekent dit ook veel voor contacten met anderen dan Israël en de Joden. Er
zijn ook mensen, zowel afzonderlijke personen alsook hele gemeenschappen, die
Christelijk genoemd worden en met wie we voor een groot gedeelte dezelfde kerk-
en heilsgeschiedenis delen. In het bijzonder denk ik hierbij aan hen die net
als wij hun oorsprong hebben in de grote Reformatie in de 16e eeuw; ook van hen
zijn de Kerkhervorming, en de Gereformeerde belijdenisgeschriften, en de
Gereformeerde eredienst en liturgie, en het Gereformeerde Kerkrecht.
Wat
voor belangrijke redenen om ook onze eigen roeping daarin te zien, en er wat
mee te doen. Of is het misschien zo dat we groot verdriet en droefheid hebben
over hen die zijn afgedwaald? Of, dat we niet branden van verlangen naar de
eenheid met hen met wie we zelfs één zijn in het geloof?
3.
Maar wat in het bijzonder de positie van Israël vandaag betreft, in de derde
plaats gaan we nu zien dat Israël gezegend wordt in de kerk zoals die vergaderd
wordt uit alle volken.
In
vers 5 noemde de apostel als laatste voorrecht van Israël, dat uit hen Christus
is voortgekomen. Maar Paulus heeft daar ook nog wat aan toegevoegd, (en hier
volg ik de NBG-vertaling 1951) namelijk dat Christus "boven allen is, God,
te prijzen tot in eeuwigheid!"
Het
is juist daarom dat Israël Hem verworpen heeft. Ze zouden Hem graag aanvaard
hebben als hun nationale leider en koning, maar niet als de Koning over allen,
niet als de Verlosser van al het geschapene, dus ook van de heidense volken. Ze
wilden niet hun eigen bevoorrechte positie als volk opgeven door te aanvaarden
dat de andere volken in gelijke mate zouden delen in hun zegeningen.
Ook
was het omdat Jezus zich zelf aan God gelijk maakte, aan de God van hún
zegeningen, de alleen door hen geprezen God, dat ze Hem hadden overgeleverd in
de handen van Pontius Pilatus om gekruisigd te worden. Het was hun totaal
ontgaan dat ze juist door dat te doen hun bevoorrechte positie als Gods eigen
volk in Gods eigen land verbeurd en verloren hadden. Veertig jaar later, in het
jaar 70, heeft God dit oordeel laten uitvoeren door andere Romeinse
machthebbers, toen Jeruzalem en de tempel werden verwoest en Israël over de
hele wereld verstrooid werd.
Alleen
maar, nu zou de vraag kunnen opkomen of Gods belofte aan Abraham dat in hem
alle geslachten op aarde gezegend zouden worden dan zou zijn vervallen. De
onder allerlei volken op aarde verstrooide Joden zijn veeleer tot een probleem
geworden, ja vaak als een vloek beschouwd in plaats van als een zegen ervaren.
En sinds ze in 1948 hun eigen nationale staat hebben gesticht, waarmee ze wat
in het jaar 70 gebeurd is trachtten ongedaan te maken, zijn ze zelfs de oorzaak
van grote spanningen in het Midden Oosten en zo voor de hele wereld geworden.
Het
lijkt inderdaad meer op een vloek dan op een zegen voor de wereld.
Maar
nee, zo antwoordt
de apostel in vers 6: Nee, “God heeft zijn belofte niet gebroken”, de belofte
dat in Abraham alle volken op aarde gezegend zullen worden, Israël inbegrepen.
Weet u waarom niet? Daarom niet, zo gaat de apostel verder in de verzen 6b en
7, omdat "niet alle Israëlieten werkelijk tot Israël behoren, niet alle
nakomelingen van Abraham zijn ook werkelijk zijn kinderen. Er staat immers
geschreven: 'Alleen de nakomelingen van Isaak zullen gelden als jouw
nageslacht'."
Zoals
we weten, Abraham had twee zonen, Ismaël en Isaak. Ismaël was geboren, toen
Abraham Gods belofte dat Sara een kind zou krijgen niet meer kon geloven, en
hij daarom bij Hagar, Sara's dienstmeisje, een kind verwekte. Maar de HEER
accepteerde Ismaël niet als de beloofde zoon, de zoon van de belofte. De HEER
vervulde zijn belofte in de geboorte van Isaak.
Dat
moeten we goed verstaan. Dit betekent niet dat Ismaël niet in Gods verbond was
opgenomen en niet deelde in Gods verbondsbeloften. Ook van hem gold wat Paulus
gezegd heeft over Israël; ook hij deelde in de besnijdenis, en het verbond, en
de beloften. Als Ismaël zou hebben vertrouwd op God, en Gods beloften aan
Abraham en zijn nageslacht had geloofd, dan zou hij ook met Abraham en Isaak
gezegend zijn geweest. Maar we weten dat Ismaël niet geloofde, dat hij Isaak
zelfs vervolgd heeft. Daarom werd hij weggestuurd, verbannen.
Maar
wat betekenen dan die woorden van de HEER tot Abraham: “Alleen de nakomelingen
van Isaak zullen gelden als jouw nageslacht "? Het betekent dat je de
vervulling van Gods beloften niet krijgt door het zelf te doen op je eigen
manier, door je eigen werken, maar alleen door eenvoudig God op Zijn Woord te
geloven, die zelf wat Hij beloofd heeft ook bewerkstelligt. Paulus zegt het zo
in vers 8: “ze zijn niet door hun natuurlijke afstamming kinderen van God, maar
gelden als nageslacht van Abraham op grond van Gods belofte".
Met
andere woorden, je kunt een bloedeigen kind van Abraham zijn via Ismaël, een
Arabier dus, of via Isaak, een rasechte Israëliet; maar om de vervulling van
Gods beloften te krijgen en een nakomeling van Abraham te zijn die
daadwerkelijk de beloofde zegen ook genieten zal, daarvoor is iets anders
nodig: geloof! Daarvoor is nodig geloof in Hem die eens uit Abrahams en Isaaks
geslacht geboren zou worden: Jezus Christus. Als je voor de vervulling van Gods
beloften vertrouwt op je afkomst en op je tot een bepaalde kring behoren, op je
bondeling zijn en je gedoopt zijn en dat je lid bent van de kerk, dan grijp je
er juist naast. Je moet vertrouwen op Hem die je in Zijn verbond heeft
opgenomen, de Gód van je doop!
En
dan trekt de apostel in vers 24 de conclusie uit dit alles. Wie zijn Abrahams
kinderen, niet vanwege afkomst, maar door het geloof alleen? Wie vormen dus het
ware, het echte Israël? Dat zijn, zegt Paulus in vers 24, zij die Hij geroepen
heeft: wij, “die niet alleen uit het Joodse volk afkomstig zijn, maar uit alle volken".
Het
is dus inderdaad niet zo alsof het Woord van God niet echt gemeend en dus
onbetrouwbaar zou zijn. Integendeel! De belofte dat in Abraham alle volken op
aarde gezegend worden wordt vervuld in het vergaderen van de Christelijke kerk
uit alle volken over de hele wereld. En in dat samenbrengen van allen die in
Christus als hun Verlosser geloven worden maar niet losse individuen gered.
Volken delen in Christus' verlossingswerk: Engeland en Rusland, Nederland en
Korea, en ook de Palestijnen, en zo voort, allemaal van oorsprong heidense
volken. Maar die niet alleen. Ook het Joodse volk; ook Israël hoort er bij.
En
wat is dus vandaag Israëls positie temidden van de andere volken? Als een
nationale staat heeft het dezelfde positie als bijvoorbeeld landen als Zweden
of Japan. Israël dankt haar huidige bestaan als een nationale staat onder
andere aan een ongelovige Zionistische beweging, en verder aan
internationale erkenning en verdragen.
Maar
die staat Israël is niet hetzelfde als het ware, het echte Israël. Immers,
zoals de apostel het zegt in vers 6b: "Niet alle Israëlieten behoren
werkelijk tot Israël!" Maar wel is
het zo dat in die Joden die Jezus met een waar geloof als hun Messias hebben
aangenomen en zo tot Zijn kerk vergaderd zijn en worden, dat in hen ook Israël
als volk gezegend is, samen met die andere volken.
Daarom
zegt Paulus in hoofdstuk 10:1: “Broeders en zusters, ik wens uit de grond van
mijn hart en bid tot God dat ze zullen worden gered ".
Gemeente,
leeft dit verlangen ook in ons hart? Bidden ook wij daarvoor tot God?
AMEN
6
De
zesde van de negen heeft als tekst Romeinen 11:1-10. Voor de orde van eredienst
worden hier enkele suggesties vermeld. De psalmen en gezangen zijn uit het Gereformeerd Kerkboek.
SCHRIFTLEZING: Romeinen 10
Aanvangslied: Psalm 81:1-5
Na de Tien Woorden: Psalm 81:6, 7
Na Schriftlezing: Psalm 81:8, 9, 10
Na de preek: Psalm 102:6, 7, 8, 10
Slotzang: Gezang 160
Geliefde
gemeente van onze Heer Jezus Christus,
In hoofdstuk 9 is Paulus begonnen
te spreken over Israëls positie temidden van de andere volken. Als we willen
weten wat Israëls positie is, ook in onze tijd, moeten ook wij hun behoud
begeren, en daarom bidden. Maar tegelijk moeten we dan ook onszelf afvragen wat
onze houding is ten aanzien van anderen die, net als Israël, het Woord van God
gehoord hebben en toch op een of andere manier zijn afgedwaald. We hebben in
onze tijd niet alleen met Joden te maken die van de HEER zijn afgedwaald, maar
ook met velen die nog Christenen en Christelijke denominaties worden genoemd.
Wat nu de
situatie in Paulus’ tijd betreft: veel Joden wilden toen niets van Jezus als de
Christus weten. Dat er door alleen maar in Hem te geloven ook behoud zou zijn
voor de heidenen, daar moesten ze niets van hebben. Het zou dan ook heus niet
zo vreemd geweest zijn als de Christenen in Rome daarom gezegd zouden hebben,
of in de praktijk zo zouden hebben gehandeld: nu, dat is dan toch hun eigen
schuld. Ze hebben toch ook de Bijbel, dan hoeven wij toch niet altijd weer een
appel op hen te doen en een gesprek met hen aan te gaan? Zou het juist niet
beter zijn als we ons maar helemaal van hen afzonderen? Ze zijn toch eigenlijk
niet meer als Gods verbondsvolk te beschouwen!
Ja gemeente,
die Christenen in Rome konden zomaar de conclusie gaan trekken dat God het volk
Israël verstoten had. Maar het is dan ook juist om die reden, en om ze hun
roeping ten aanzien van Israël en de Joden voor ogen te stellen, dat de apostel
zegt in onze tekst: "Dan is nu mijn vraag: heeft God zijn volk soms
verstoten?"
Uit Paulus'
antwoord op die vraag verkondig ik U, opdat ook wij onze roeping vandaag mogen
zien: GOD HEEFT ZIJN VOLK ISRAËL NIET VERSTOTEN
1. DE HISTORISCHE FEITEN TONEN DIT
(1-5a)
2. HET IS DOOR GENADE ALLEEN (5b-6)
3. ISRAËLS VAL BEVESTIGT DIT (7-10)
1. In de verzen 1-4 toont de
apostel aan uit de historische feiten dat God Israël niet verstoten heeft als
het volk waarmee Hij zijn Verbond heeft opgericht.
De apostel
toont dit aan uit de feiten. Het eerste dat Paulus aanvoert als
bewijs dat God zijn volk niet verstoten heeft is het eenvoudige feit, dat hij
zelf een Israëliet is, een nakomeling van Abraham, afkomstig uit de stam Benjamin.
Het loutere feit dat Paulus, die zelf een Jood is en
zelfs een vijand van Christus en zijn kerk is geweest, toch behouden is,
bewijst dat God zijn volk niet heeft verstoten.
Wel moeten we natuurlijk de feiten zien in het licht van
Gods Woord. Dat is dan ook wat Paulus doet. Want toen hij die vraag of God dan
zijn volk had verstoten stelde en beantwoordde maakte hij gebruik van woorden
uit het Oude Testament. Je vindt
ze daar drie keer, in de historische boeken, in de Psalmen, en in de Profeten.
In 1 Samuël 12:19 lezen we dat het volk Israël zijn zonde
belijdt dat ze gevraagd hebben om een koning zoals de andere volken die hebben.
Dan zegt Samuel tot hen (in vers 22 volgens de vertaling NBG-1951):”De HERE zal
zijn volk niet verstoten, om der wille van zijn grote Naam. De HERE heeft
immers verkozen U tot zijn volk te maken”.
Daaruit zien we dat de belofte dat God zijn volk niet
verstoten zal gebaseerd is op het feit dat Hij uit vrije wil hen gekozen heeft
om ze tot Zijn volk te maken. Niet wat ze zelf doen, zelfs niet hun berouw is
de grond daarvoor, maar alleen Gods verkiezing.
Diezelfde belofte wordt herhaald en beleden in Psalm
94:14, waar staat: “Nee, de HEER zal zijn volk niet verstoten, zijn liefste
bezit niet verlaten”.
En een derde keer wordt dit herhaald in Jeremia 31:37,
toen het er inderdaad wel op leek dat Israël door God verstoten werd in de
Babylonische ballingschap: “Dit zegt de HEER: Zoals de hoogte van de hemel niet
gemeten wordt, . . zo verwerp ik niet het nageslacht van Israël om alles wat
het heeft misdaan”. Met andere woorden, ik zal ze nooit allemaal verstoten.
Dit alles betekent dat, toen Panlus die vraag stelde en
beantwoordde door direct op de feiten te wijzen, hij dat deed in het licht van de Schriften. De apostel
maakt dit zo duidelijk mogelijk door in vers 2 het antwoord nog eens te
herhalen, maar dan met deze toevoeging: “God heeft Zijn volk, dat hij al van
tevoren uitgekozen heeft, niet verstoten “.
Het is dus
vanwege Gods verkiezing van zijn volk dat de historische feiten uitwijzen dal
God Zijn volk niet verstoten heeft. Er gaat van die historische feiten een
boodschap uit, omdat God zelf Zijn eeuwige Raadsplan in die feiten
verwerkelijkt; en we kunnen die boodschap dan ook echt en correct verstaan, als
we de feiten maar interpreteren in het licht van Gods Woord.
Dan moeten we
natuurlijk Gods Woord wel kennen. Vandaar dat Paulus in de verzen 2 en 3 zegt:
“Of weet u niet wat de Schrift over Elia zegt, hoe hij Israël bij God
aanklaagt? HEER, uw profeten hebben ze gedood, uw altaren verwoest. Ik ben als
enige overgebleven, en nu hebben ze het ook op mijn leven voorzien”.
Kennen we die
geschiedenis uit 1 Koningen 19? Ja toch! Elia had alle moed verloren en was de
woestijn ingevlucht waar hij de HEER vroeg hem weg te nemen omdat, zoals hij
het zag, hij de enige
overgebleven gelovige zou zijn. Volgens hem was het duidelijk dat het volk van
God volledig verloren was, dat God zijn volk had verstoten, en dat er voor hen
geen hoop meer was.
Ja gemeente,
dat is een gevaar om altijd voor op je hoede te zijn, dat we zo zouden gaan
redeneren. Stel je voor dat we gaan zeggen: wij zijn de enige trouwe gelovigen
die er nog zijn, al die anderen betekenen niets meer, we hoeven dus niet meer
met hen te rekenen en contact met hen te zoeken; we geloven niet dat er onder
hen nog gelovigen zijn die ook behoren tot het volk van God, zijn kerk in onze
tijd.
Men kan zo
redeneren in wanhoop, zoals dat bij Elia het geval was, maar het kan ook op een
hoogmoedige manier gezegd worden. Ook de Christenen in Rome waren niet immuun
voor een dergelijke manier van spreken, of althans van in de praktijk zo
handelen.
Maar hoe luidt
het antwoord van God aan hem?, zo gaat de apostel daarom verder in vers 4: “Ik
heb zevenduizend mensen voor mij zelf in leven gelaten; die hebben niet voor
Baäl geknield”.
Zevenduizend!
Zo lagen de feiten, maar Elia had deze feiten gewoon over het hoofd gezien en
er totaal geen rekening mee gehouden.
Je vraagt je
af hoe dat eigenlijk mogelijk was! Maar weet u hoe dat kwam? Het was eigenlijk
best begrijpelijk! Al wat Elia had gezien en had ervaren was dat het hele volk
van Israël de Baäls diende en hem vervolgde.
Ja, maar God
was er toch ook nog, God, die Zijn Woord gesproken had over de kerk die Hij
zich vergadert. Waar het dan ook om gaat is, dat de kerk niet iets is om op
zichzelf gezien en ervaren te worden (dan valt het juist vaak tegen!) maar dat
de kerk moet worden geloofd omdat ze inhoud is van Gods belofte.
Ik heb zevenduizend
mensen voor mij zelf in leven gelaten, zegt God. Hoort u dat, gemeente? De kerk
is niet onze kerk maar Gods kerk,
en daarom is niet de manier waarop wij haar leden tellen beslissend en
definitief, maar alleen de manier waarop God dat doet. En dan trekt de apostel
daaruit de conclusie in vers 5(a): “Zo
is ook nu een klein deel over dat God uit genade uitgekozen heeft”, de
zevenduizend, ook nu.
Daar hoort
bijvoorbeeld Paulus zelf bij. Maar daar horen ook bij die duizenden die tot het
geloof gekomen waren op de eerste Pinksterdag. Daar zijn ook de duizenden Joden
bij die gelovigen werden in de dagen en jaren die daarop volgden. Die
feitelijke situatie van duizenden Joodse gelovigen die door Gods Woord en Geest
vergaderd werden in de Christelijke kerk en dan ook terecht Christenen genoemd
werden; dat alles bewijst dat God Zijn volk Israël niet verstoten heeft als
volk van Zijn verbond. In het overblijfsel dat bezig is behouden te worden is
Gods verbondsvolk Israël bezig behouden te worden. We moeten dan ook niet
zeggen dat Israël als geheel, als volk, verloren is, en dat er alleen maar
individuele uitzonderingen zijn die behouden worden. Nee, maar als we het feit
dat er individuele Joden behouden worden bezien in het licht van de Schrift,
dan zien we dat, of het er nu veel of weinig zijn, in hen als een overblijfsel
heel Israël behouden wordt, en dat dus zo, in hen, al Gods profetieën en
beloften in het Oude Testament bezig zijn vervuld te worden.
Gemeente, moet
dit ons dan ook niet verlangend maken, en ijverig, in het proberen zoveel Joden
te bereiken met het Evangelie als ons mogelijk is? Trouwens, dat geldt niet
alleen ten aanzien van Joden, maar net zo goed ook voor het ons uitstrekken
naar andere Christenen, opdat die ook met ons de afval van het geloof mogen
bestrijden en hun vertrouwen in de HEER alleen stellen, en opdat in die weg ook
in hen hele gemeenschappen of volken behouden mogen worden.
Geloven we het
nog, gemeente, dat de HEER ook vandaag de 7000 bewaart voor zichzelf, zelfs ook
daar waar wij dat het minst verwachten, en hebben we dan ook oog voor zulke
feiten in het licht van de Bijbel?
2. Alleen maar, het is enkel door genade dat dit mogelijk
is. Daarop letten we in de tweede plaats. Want laten we maar eerlijk zijn: in
onze ogen is dit toch ongelooflijk! Is dat werkelijk mogelijk, als enkele
individuele personen uit andere gemeenschappen behouden worden, dat in hen als
een overblijfsel die hele gemeenschap of dat hele volk waartoe ze behoren
behouden wordt?
Nogmaals, dit zou inderdaad onmogelijk zijn en daarom
niet geloofd mogen worden, als het niet mogelijk was door Gods genade. Maar het
is inderdaad Gods genade die er de oorzaak van is dat God ook vandaag nog
Israël niet als zijn verbondsvolk heeft verstoten.
Want, zo zegt
Paulus in vers 5, "Zo is ook nu een klein deel over dat God uit genade uitgekozen
heeft”. Het was dan ook niet
omdat Elia en die andere zevenduizend gelovigen beter waren dan de rest van
Israël, zodat ze daarom hun knieën niet voor Baal gebogen hadden. Nee, het was
Gods genade waarin Hij in hen als een overblijfsel zijn verkiezing van Israël
als zijn volk verwerkelijkte.
Op dezelfde manier is het dan ook niet omdat wij,
Vrijgemaakt Gereformeerden, zo'n glorieuze geschiedenis hebben, en zo trouw
zijn, en er zo'n voorbeeldige Christelijke levensstijl op na houden (als dat zo
is tenminste! we mogen het hopen).
Nee, het is vanwege Gods genade als God de verkiezing van
zijn kerk ook wil verwerkelijken door ons die geloven in Jezus Christus als
onze enige Heiland en als het enige Hoofd van de kerk. Want, zo zegt de apostel
Paulus in vers 6, "wanneer ze uit genade zijn uitgekozen, dan is dat niet
omdat ze de wet naleven, want in dat geval zou de genade geen genade meer
zijn" .
En dat was nu juist de ellende met Israël, dat het zijn
identiteit als kerk, als Gods verbondsvolk, bij zichzelf zocht, in zijn als ras
afstammen van Abraham, en in zijn volbrengen van de wet die God aan Abrahams
volk gegeven had. En dat terwijl Israël gedurende alle eeuwen van zijn
volksbestaan in Kanaän alleen maar volk van God was geweest door genade. Ook in al die eeuwen was
Israël nooit door God verstoten, omdat God ook toen altijd voor zichzelf een
overblijfsel bewaard had; een overblijfsel van hen die hun behoud niet in hun
eigen werken zochten, maar door het geloof alleen.
Zo heeft de HEER ook vandaag in allerlei landen, in
Egypte en in Nederland, in Irak en Italië en in de Verenigde Staten en noem
maar op, een overblijfsel bewaard voor zichzelf. En het is in dat overblijfsel
dat die volken behouden worden.
Het is hier in Nederland dus niet vanwege onze werken van
Reformatie en Vrijmaking, of in Amerika niet vanwege een meer praktische en
daarom in de ogen van sommigen betere theologie. Immers, wat hebben
Vrijgemaakten of Puriteinen of Christelijke Gereformeerden of Presbyterianen,
om maar eens een paar namen te noemen, wat hebben ze om in te roemen? Wie ook
maar hun Christen zijn of hun kerk zijn zouden willen rechtvaardigen door
zichzelf of hun eigen kerk zuiver of waar te noemen met uitsluiting van anderen
die hun behoud alleen in Gods genade in Jezus Christus zoeken en vinden, die
zullen dat doende juist niet verkrijgen wat ze zoeken.
3.
Maar, gemeente, zelfs als wij of anderen falen, doordat we niet verkrijgen wat
we zoeken, in Nederland of in welk ander land ook, en dat geldt dus ook van de
staat Israël, dat betekent niet dat de HEER Zijn volk hier en elders niet
bewaren zou. Dat volgt ook niet uit Israëls val. Ik mag u dan ook in de derde
plaats verkondigen dat Israëls val zelfs een bevestiging is van het feit dat
God het niet als Zijn verbondsvolk verstoten heeft.
Want, zo concludeert de apostel op grond van het
voorgaande in vers 7, "Wat betekent dit alles? Wat Israël heeft
nagestreefd, heeft het niet bereikt". Maar dat betekent niet dat het dus
door God verstoten is. Immers, wat Israël zocht en niet verkreeg –
gerechtigheid, rechtvaardig zijn in Gods ogen, en zo het recht om Gods volk
genoemd te worden en kinderen van Abraham te heten – : “alleen zij die zijn
uitgekozen hebben het bereikt. De overigen werden onbuigzaam".
Eigenlijk zegt Paulus het nog iets anders. Letterlijk
vertaald staat er niet, zij die zijn uitgekozen hebben het bereikt, maar:
"de verkiezing heeft het verkregen". Met andere woorden, in plaats
van te verwijzen naar de uitverkorenen die het verkregen hebben, naar die
mensen dus, verwijst Paulus ons naar Gods daad van verkiezing, zoals die door
God gerealiseerd wordt in de vergadering van de uitverkorenen in zijn kerk. In
het overblijfsel dat de HEER voortgaat uit de Joden bijeen te brengen wordt het
volk van Israël door God bewaard als zijn volk, zijn Israël.
Zij zijn Israël!
En zij die niet geloven, zij die doorgaan met Christus te
verwerpen? Zij worden hier niet 'Israël' genoemd, maar 'de overigen' (Grieks:
hoi loipoi). Of hun getal nu veel groter is dan dat van de gelovigen of niet: zij
zijn ‘de overigen'.
Zij werden onbuigzaam, zij zijn verhard, zegt Paulus
hier, precies zoals dat over hen al is geprofeteerd in het Oude Testament. Ze
zijn als het ware vastgevroren in hun houding van ongeloof; en dat is de
situatie waarin het natuurlijke Israël zich nog altijd bevindt, als een oordeeI
van God over het feit dat ze zichzelf in die positie gebracht hebben.
En zo, gemeente, zo zijn dan ook de profetieën van het Oude Testament
vervuld in de situatie waarin de staat Israël zich vandaag in het Midden Oosten
bevindt. Ondanks de vredesbesprekingen (als die er al zijn) lijkt het er op dat
ook hun positie in de Arabische wereld nog altijd bevroren is.
Natuurlijk hebben we begrip voor de moeilijke situatie
waarin de staat Israël zich bevindt, gaat onze sympathie naar hen uit, en hopen
we dat vredesbesprekingen toch nog tot een positief resultaat zullen leiden,
tot erkenning van de staat Israël en vrede met haar. Maar hun positie ten
aanzien van Jezus Christus is bevroren en blijft, zoals Paulus het zegt, verhard,
zolang de staat Israël en de Joden onbuigzaam blijven. Het is die
onbuigzaamheid die maakt dat ze blijven beweren dat ze recht hebben op een
eigen land in het Midden Oosten, recht vanwege het feit dat het eeuwen geleden
Israëls beloofde land was, al beloofd aan Abraham. Want die belofte is niet
meer van toepassing op Israël als een nationale staat.
Het is inderdaad waar dat ook in Israëls positie als een
nationale staat de profetieën van het Oude Testament vervuld worden. Want door
rechten op hun land te laten gelden op grond van Zionistische principes falen
ze nog steeds in het verkrijgen van de gerechtigheid die God beloofd heeft voor
allen die geloven in Jezus Christus en leven uit Zijn genade alleen. Zo is ook
de huidige staat Israël in zijn verharde of vastgevroren positie een
bevestiging van de waarheid van Gods Woord.
Ze zijn het harde bewijs, het hard gewórden bewijs van
Gods verbondswraak, waaraan alleen zij ontsnappen en van gered worden die vrede
hebben met God door Jezus Christus, en die zo, als het overblijfsel van Israël,
door Gods genade vergaderd worden in zijn kerk.
Nog is er hoop voor Israël. Niet zo zeer voor Israël als
een nationale staat, maar voor Israël als volk van Gods verbond. Gods genade
geeft hoop, aan Joden en aan Nederlanders, aan Russen en Egyptenaren; ja, aan
allen die uit alle volken en naties vergaderd worden in Christus' kerk.
En zo is er dus ook hoop voor ons, broeders en zusters,
jong en oud!
AMEN
7
De zevende van de negen heeft als tekst
Romeinen 11:11-24. Voor de orde van eredienst worden hier enkele suggesties
vermeld. De psalmen en gezangen zijn uit het Gereformeerd Kerkboek.
SCHRIFTLEZING: Ezechiël 37:1-14
Aanvangslied: Psalm 100:1-4
Na de Tien Woorden: Psalm 80:1, 2
Na Schriftlezing: Psalm 80:8, 9, 10
Na de preek: Gezang 47:3, 4, 6
Slotzang: Liedboek 26:1-4
Geliefde
gemeente van onze Heer Jezus Christus,
U
hebt misschien ook wel eens gehoord van Joden die Jezus als de Messias hebben
aangenomen, maar die toch geen Christenen genoemd willen worden. Ze willen zich
dan ook niet aansluiten bij een Christelijke kerk. Ze noemen zichzelf graag
Messiaanse Joden, en ze geloven dat ze, nu ze Jezus hebben erkend als de
beloofde Messias, nog meer Joods zijn dan ooit tevoren.
Bij één van hen las ik eens de volgende uitspraak:
"Het is Gods bedoeling om dit volk in stand te houden voor de dag, wanneer
de volheid van het Messiaanse Koninkrijk tot stand komt, en allen die bij dit
volk horen de Messias zullen kennen".
Ze voelen zich wel geestelijk één met gelovigen uit de
andere volken. Toch willen ze binnen het lichaam van Christus een onderscheid handhaven
tussen twee groepen: aan de ene kant de Messiaanse Joden, en aan de andere kant
de Christenen uit de andere volken, uit de heidenen.
Nu is het wel de vraag of onze Heer, het Hoofd van de
kerk, ook twee zulke verschillende groepen binnen de ene algemene Christelijke
kerk erkent. Zou het echt waar zijn dat God nog enkele bijzondere beloften
heeft voor die ene groep van Messiaanse Joden? Bijvoorbeeld deze belofte, dat
zij als een politieke eenheid hersteld zullen worden in een Messiaans
Koninkrijk waarin alle Joden de Messias zullen kennen?
Als bewijs voor deze gedachte wordt vaak verwezen naar
Paulus' woorden in vers 25 van dit hoofdstuk. Daar zegt hij: "er is een
goddelijk geheim dat ik u niet wil onthouden . . . Slechts een deel van Israël
werd onbuigzaam, en dat alleen tot het moment dat alle heidenen zijn
toegetreden. Dan (of: zo, zie vertaling NBG 1951) zal heel Israël worden
gered".
Nu heb ik dat 25e vers nog niet bij onze tekst
van vandaag genomen. Immers, om goed te begrijpen wat Paulus daar bedoelt
moeten we eerst de daaraan voorafgaande verzen goed lezen.
Uit het begin van dit hoofdstuk, de verzen 1-10, blijkt
dat God Israël niet verstoten heeft, omdat het behouden is in het overblijfsel.
Paulus wees bijvoorbeeld naar zichzelf, en er waren ook een heleboel andere
Joden die bij de Christelijke kerk gekomen waren. De apostel vergeleek die
situatie met die in de tijd van Elia, onder koning Achab, toen de HEER voor
Zichzelf 7000 mensen bewaard had. Vandaar zijn conclusie in vers 5: "Zo is
ook nu (in Paulus’ tijd dus) een klein deel over dat God uit genade uitgekozen
heeft".
Nu zijn we inmiddels bijna 2000 jaar verder. Er is in de
afgelopen eeuwen heel wat gebeurd met de volken, en in het bijzonder met de
Joden die onder de andere volken verstrooid werden. Miljoenen van hen werden
vermoord, terwijl zij ieder jaar hun verlangen uitspraken om naar Jeruzalem
terug te keren. Toch heeft God de geschiedenis zo geleid dat veel Joden zich in
Palestina hebben gevestigd en daar de staat Israël gesticht hebben.
En nu is de vraag of de apostel Paulus, – naast wat hij
te zeggen heeft over de situatie van Israël in zijn dagen – , ook een boodschap
heeft aangaande de toekomst van Israël. Zou Paulus ook enig licht laten
schijnen over de positie van Israël in onze tijd, en wat we mogen verwachten
van de moderne staat Israël in verband met de kerk en het Koninkrijk van God?
Het is met het oog daarop dat ik u vandaag als het Woord
van God in onze tekst verkondig: GODS BEDOELING IN WAT HIJ DOET MET ISRAËL.
In
wat God doet met Israël
1.
WERKT HIJ AAN HET HEIL
VOOR
DE VOLKEN VAN DEZE WERELD (11:11-15)
2.
GEEFT HIJ EEN WAARSCHUWING
AAN
DE LEDEN VAN DE KERK (11:16-22)
3.
TOONT HIJ ZIJN MACHT
IN
HET HOUDEN VAN ZIJN VERBOND (11:23-24)
1.
In de eerste plaats werkt God, in wat Hij doet met Israël, aan het heil voor de
volken van deze wereld.
Om dat in te zien is het goed te weten, waarom Paulus
deze brief aan de Christenen te Rome schreef. Ik vat dat daarom eerst in het
kort samen.
De Christenen in Rome hadden tot dan toe de synagoge van
de Joden in Rome nog niet geconfronteerd met het Evangelie van Jezus Christus.
Toen Paulus later zelf in Rome aankwam, we lezen dat in Handelingen 28, was dit
daarom het eerste wat hij ging doen.
Als Paulus in onze tekst dan ook gaat spreken over wat
God ook in de toekomst nog met Israël voor heeft is dat maar niet een wel
interessante maar verder toch eigenlijk onbelangrijke kwestie. Nee, maar hij
wil aan die gelovigen daar laten zien wat hun roeping is. En dus, als ook wij
ons afvragen wat vandaag nog Gods eventuele bedoelingen met Israël zijn mogen
we alleen maar benieuwd zijn naar het antwoord op die vraag met het oog op onze
roeping, op onze taak ten opzichte van Israël.
Nu, in vers 11 stelt Paulus inderdaad die vraag naar Gods
bedoeling in alles wat met Israël is gebeurd. Was het alleen maar Gods
bedoeling om Israël verder te laten vallen, nu het Gods plan dat het de
Verlosser van de wereld moest voortbrengen volbracht heeft? Was Israëls
definitieve val de bedoeling, omdat het zijn taak uitgediend had? Als dat zo
zou zijn, dan zou dat betekenen dat God nu een totaal nieuw begin gaat maken
door in de plaats van Israël als Gods volk nu een Nieuwtestamentische
Christelijke kerk te stichten. Van die kerk worden dan ook nog wel enkele gelovig
geworden Joden lid, maar verder zou het toch eigenlijk iets totaal nieuws zijn,
een kerk die het oorspronkelijke volk van God, Israël, vervangen gaat. Dan zou
de zogenaamde vervangingstheorie dus gelijk hebben.
Maar dat is niet zo! "Dat in geen geval!', zegt de
apostel hier in vers 11. Wel geeft hij toe dat door Israëls val het heil nu tot
de heidenen gekomen is, maar dit was niet Gods enige doel. Daar zit nog een
andere bedoeling achter, deze bedoeling dat de heidenen ook daarom in het heil
mogen delen, om de Joden jaloers te maken: want "daarop moesten zij (de
Joden) afgunstig worden”.
Want hoe was de situatie voordat Israël apart was gezet
als het volk van God? Voordat de HEER Abraham uit Ur der Chaldeeën naar Kanaän
riep werd de kerk vergaderd uit alle volken. Pas toen die bijna allemaal de
HEER verworpen hadden riep God Abraham om voortaan via hem en het volk Israël
zijn kerk te vergaderen. Dit ging zo vele eeuwen door. Want God liet de andere
volken op hun eigen wegen wandelen. Totdat Christus geboren werd uit Abrahams
geslacht, uit Israël. En toen? Toen was de tijd gekomen dat alle volken opnieuw
zouden delen in het heil, gezegend in deze nakomeling van Abraham en Israël.
Alle volken delend in die zegen; dat betekent uiteraard ook Israël.
Eeuwen lang was Israël als het ware de nauwe
rivierbedding geweest waardoor het water van het heil stroomde. Maar nu, zo
zegt de apostel in vers 12, nu stroomt vanwege Israëls val het water van het
heil weer door de hele wereld. Zo is de hele wereld nu rijk geworden.
Ja, ook Israël. Want de wereld zou natuurlijk minder rijk
zijn als een deel van de wereld, Israël, daar niet in delen zou (vers 12). Aan
de andere kant zal de wereld zelfs nog rijker zijn als ook Israël behoort bij
al die volken waarnaar de blijde boodschap van heil en verlossing uitgaat.
En zo trekt de apostel dan in vers 13vv hieruit een
conclusie. Hij gaat daarmee nu in het bijzonder de Christenen in Rome
aanspreken. “Ik spreek nu tot degenen onder u die uit heidense volken komen” (vers
13). Ze weten hoe ijverig Paulus altijd geweest is als het ging om zending
onder de heidenen. Hij noemt dat zijn heerlijke, zijn prachtige bediening. Ja,
zo zegt hij hier dan ook, maar als ik het daartoe zou beperken, als het er me
alleen maar om te doen zou zijn zoveel mogelijk heidenen en heidense volken met
het Evangelie te bereiken, dan zou ik toch tekort schieten in mijn bediening.
Dan zou ik die juist minder schitterend maken. Maar het prachtige in mijn
bediening is juist (vers 14), "dat ik hoop afgunst bij mijn volksgenoten
op te wekken en een deel van hen te redden".
Gemeente, hieruit is dus wel heel duidelijk dat Israël is
inbegrepen bij de kerk die uit alle volken vergaderd wordt. Dat mogen de
Christenen in Rome niet vergeten, en dat mogen ook wij vandaag nooit vergeten.
Dat hoeft natuurlijk helemaal niet te betekenen dat Paulus een massale bekering
verwacht, en dus zeker niet een Christelijk-Messiaanse staat Israël zoals velen
daar in onze tijd van dromen. Paulus spreekt in vers 14 niet voor niets over
zijn hoop een deel van hen te redden.
Het aantal is niet beslissend, maar beslissend is dat de
kerk, die nu uit alle volken vergaderd wordt, de Joden niet gaat vergeten,
zoals dit zo gemakkelijk gebeuren kon in Rome in Paulus' dagen, maar ook vandaag
bij ons hier in Nederland. Of, geloven we misschien niet dat het mogelijk is
Joden voor Christus en zijn kerk te winnen? Het lijkt inderdaad ongelofelijk!
Het is waar, dat zou inderdaad een wonder zijn, zoiets
als het opnieuw tot leven brengen van de doden. Ja, zo'n groot wonder zou dat
inderdaad zijn, gemeente. En dat is nu precies wat de apostel zegt in vers 15:
“als God zich met de wereld heeft verzoend toen hij hen verwierp, wat zal hij
dan, wanneer hij hen opnieuw aanvaardt, anders teweegbrengen dan hun opstanding
uit de dood?"
Opstanding, leven uit de dood! Maar dat is precies waar
Ezechiël van heeft geprofeteerd in Ezechiël 37. Hij zag daar in een visioen een
dal vol dorre doodsbeenderen en skeletten, die weer opnieuw bedekt werden met
spieren en vlees en huid. Ezechiël moest daarover toen profeteren dat de HEER
er ook geest in brengen zou en ze zou doen herleven.
Kijk, gemeente, dat heeft onze Heer tot vervulling
gebracht en mogelijk gemaakt in zijn eigen opstanding uit de doden. In Jezus'
opstanding geloven, dat is maar niet een stukje dogmatiek, hoe belangrijk ook,
maar een levende werkelijkheid in je leven. Het betekent dat we dan ook geloven
dat God niet alleen oorspronkelijke heidenen, maar ook Joden tot Christus
bekeren kan, en weer inlijven in zijn kerk, ook vandaag, zowel in de staat
Israël als ook hier in Nederland. In alles wat God in het verleden met Israël
heeft gedaan is altijd dit Gods doel geweest, dat het heil zou uitgaan naar
alle volken over de hele wereld. Alle volken, en dus ook Israël daarbij
inbegrepen!
2.
Maar dat dit Gods doel met Israël altijd is geweest, en dat nog is, houdt ook
een ernstige waarschuwing in voor allen die behoren tot Christus' kerk.
In de verzen 16-22 vergelijkt Paulus de leden van de kerk
met takken aan een olijfboom. Die zijn allemaal afhankelijk van de wortel van
die boom. Met de wortel van de olijfboom wordt de patriarch Abraham bedoeld,
waaruit het volk Israël is voortgekomen. Maar wat is er gebeurd, zo lezen we
verder in vers 17? "Sommige takken van de edele olijfboom zijn
afgebroken", namelijk die Joden die Jezus verworpen hebben als de beloofde
Messias; "en u", gelovigen uit de heidenen, u, “loten van een wilde
olijfboom, bent tussen de overgebleven takken geënt en mag delen in de vruchtbaarheid
van de wortel ".
Met andere woorden, het feit dat Joden zijn afgesneden en
dat heidenen zijn toegevoegd tot de kerk van God betekent niet dat de
Christelijke kerk dus een nieuwe kerk zou zijn, waar alleen maar enkele
individuele Joden als een overblijfseltje van de oude kerk bij zouden mogen
horen.
Nee, zo is het niet! De apostel maakt het wel heel
duidelijk dat dit te geloven heel hoogmoedig zou zijn. Alsof het Joodse volk
een soort van tweederangs volk geworden zou zijn! Helaas, zo hebben zogenaamde
Christelijke volken, maar ook veel Christelijke kerken alle eeuwen door op het
Joodse volk neergekeken. Paulus, of liever de Heilige Geest die hem dit liet
schrijven heeft het al zien aankomen, en het begin daarvan was misschien al te
zien in Rome.
Zeker, alle volken moeten gewonnen worden voor Christus,
door zending en door evangelisatie. Maar wat is daarin de plaats van het Joodse
volk? Door in Rome geen contact op te nemen met de synagoge deed men toen, al
was het onbedoeld, toch in de praktijk alsof men een nieuwe kerk was. Enkele
Joden hadden zich daar ook bijgevoegd, en dat was natuurlijk prachtig; maar
daar bleef het bij, tot Paulus zelf in Rome aankwam.
Broeders en zusters, lopen wij niet hetzelfde gevaar,
zowel ten aanzien van het Joodse volk, hier en in Israël, als ook in onze
verhouding tot kerken waarmee we dezelfde historische afkomst delen?
De apostel laat het toch wel duidelijk zien dat als de
historische wortel dezelfde is, we nog altijd een zekere verantwoordelijkheid
hebben ten opzichte van hen die deze wortel met ons delen. Want, zo zegt hij in
vers 18, het is niet zo dat de kerk uit de heidenen de wortel draagt; Nee, het
is net andersom: de wortel draagt u, Christenen uit de andere volken.
En wat bedoelt Paulus hier met de wortel? Abraham!
Abraham is de wortel van de boom die Gods volk symboliseert, en de Joden zijn
de oorspronkelijke takken. Nu zijn er een aantal takken afgebroken, maar op de
wortel, en dus op de boom, zijn loten van een wilde olijfboom, van de heidense
volken dus, ingeënt, en nu groeien daar ook takken aan, de oorspronkelijk
heidense kerkleden.
Het lijkt
dus misschien wel een nieuwe boom, een nieuwe kerk, maar in werkelijkheid is
het nog altijd dezelfde boom die groeit uit dezelfde oude Abrahamwortel.
Het is wel een wonder; het is niet een natuurlijke groei.
Het is een wonder dat alleen maar mogelijk is 'door het geloof'. Er is dus geen
enkele reden om zichzelf in trots te verheffen boven het oude verbondsvolk,
want, zo zegt de apostel in vers 21, "als hij (God) de oorspronkelijke takken
al niet heeft gespaard, zou hij u dan wel sparen?"
Wat een ernstige waarschuwing, voor de gelovigen in Rome,
maar ook voor ons hier, in onze tijd. Het is een waarschuwing die ons echt op
het hart gebonden wordt, want het laat ons ook zien hoe streng God kan zijn.
Gods goedheid voor niet-Joden die Hij in zijn kerk vergadert terwijl veel Joden
in zijn strengheid zijn afgesneden moet ons niet doen denken dat wij iets op
hen voor hebben en dat God met hen niet meer te maken wil hebben. Wij mogen dan
ook niet doen alsof ze er eigenlijk niet meer zijn, al die mensen die buiten
onze gemeenschap staan.
Nee, we moeten acht geven op Gods goedheid voor ons dat
we tot zijn kerk mogen horen; maar tegelijk moeten we niet vergeten dat dit
alleen maar genade is; want als
we dat niet beseffen, worden ook wij afgebroken.
De apostel schudt de leden van de kerk in Rome zo wel
wakker; het is wel raak wat hij hier zegt. Maar voelen nu ook wij ons hierdoor
aangesproken? Ja, misschien doet het zelfs wel pijn. Dat is dan ook precies de
bedoeling van Gods Woord in onze tekst. Het moet ons gevoelig raken, omdat we
anders zelf zouden kunnen worden afgebroken vanwege onze zelfgenoegzaamheid.
3.
Dan, in de derde plaats, zien we dat het ook Gods bedoeling is om ons in het houden
van Zijn verbond met Israël Zijn macht te tonen. Onze Verbondsgod is een
almachtige God. Dat betekent niet dat God alles wat Hij kan doen ook werkelijk
zal doen. Daarom mogen we dan ook nooit zeggen dat het er dus echt niet toe
doet van welke kerk je lid bent omdat God immers de macht heeft om mensen uit
welke kerk ook maar te behouden, en de kerk daar zelfs niet eens voor nodig
heeft. Als we ons door een dergelijk geloof in Gods almacht zouden laten
motiveren in het praten en samenwerken met andere kerken en christenen, dat zou
absoluut verkeerd zijn!
Maar God toont zijn macht in de manier waarop Hij trouw
is aan zijn verbond en aan zijn verbondsvolk.
Dat lezen we in de verzen 23 en 24. Want hier zegt de
apostel dat God bij machte is om afgebroken takken van Israël opnieuw in de
olijfboom in te enten. Nu zou iemand kunnen zeggen: goed, God kan dat wel doen;
maar zal Hij het ook werkelijk doen? Is er enige reden om daarop te hopen, en
dus ook om er voor te bidden en te werken? Jazeker, zegt Paulus dan in vers 24:
“immers, als u die van nature een tak van de wilde olijfboom bent, tegen de
natuur in op de edele olijfboom bent geënt, hoeveel eerder zullen dan zij die
er van nature bij horen op die boom worden geënt”.
Op die boom, of zoals de NBG vertaling 1951 het heeft:
“op hun eigen olijf”!
Hoort u dat? “Op hun eigen olijf”! Dit betekent dat het
niet alleen in Paulus’ tijd, maar ook voor de toekomst geldt wat Paulus hier
zegt: als heidenen kunnen worden ingeënt in de boom waarvan Abraham de wortel
is, hoeveel te meer zullen de natuurlijke takken weer ingeënt kunnen worden in
hun eigen olijfboom. Met andere woorden, de Christelijke kerk waartoe wij door
Gods genade mogen behoren is
de olijfboom van de Joden: de kerk is
Israël. -
Paulus is in onze tekst begonnen met te laten zien dat
ook Israël behoort bij de volken van de wereld waaruit God nu zijn kerk
vergadert. Maar hier gaat hij zelfs nog verder. Niet alleen dat ook Israël
behoort bij die volken, nee, maar alle volken, voor zover zij vergaderd zijn in
de Christelijke kerk, zijn daarmee opgenomen in Israël!
God heeft de oevers van de nauwe bedding van Israël,
waardoor het water van het heil sinds Abraham en Jacob gevloeid heeft, verruimd
en die bedding wijder gemaakt om alle volken te omvatten. God heeft dus niet
met Israël gebroken en zijn vergaderen van de kerk door Israëls bedding
stopgezet om het ergens anders opnieuw te beginnen. Nee, de HEER heeft die oude
bedding verruimd opdat het water van het heil dat daardoorheen stroomde nu ook
mag uitstromen naar de andere volken.
God is geen nieuwe kanalen gaan graven, Hij is niet een
nieuwe kerk begonnen om de oude te vervangen, maar Hij heeft de oorspronkelijke
rivier wijder gemaakt. Vandaar dat Israël niet een afzonderlijke groep naast de
Christelijke kerk vormen moet, bijvoorbeeld als een groep Messiaanse Joden die
aparte beloften zouden hebben die vervuld gaan worden in een eigen nationale
staat Israël.
Nee, Israël is de kerk, en de kerk is Israël; en
daarbinnen is geen apartheid.
De Christelijke kerk staat daarom open voor Joden en
niet-Joden, maar moet dan ook de hand naar beiden uitsteken, naar niet-Joden en
naar Joden. En in haar zendingswerk onder de heidenen doet de kerk dat
zendingswerk met de speciale bedoeling om de Joden jaloers te maken, en trouwens
ook alle anderen met wie we historisch ons verbonden weten vanwege Gods
verbond.
Gemeente, kunnen Joden en Rooms-katholieken en mensen van
de Pinkstergemeente, kunnen Gereformeerde Bonders en leden van Evangelische
kerken, om maar enkele namen te noemen, inderdaad jaloers worden als ze ons,
Vrijgemaakt Gereformeerden, horen en
bezig zien?
AMEN
8
De achtste van de negen heeft als tekst
Romeinen 11:25-36. Voor de orde van eredienst worden hier enkele suggesties vermeld.
De psalmen en gezangen zijn uit het Gereformeerd
Kerkboek.
SCHRIFTLEZING: Jesaja 59:20-60:14
Aanvangslied: Psalm 25:7, 10
Na de Tien Woorden: Psalm 51:7
Na Schriftlezing: Liedboek 124:1-5
Na de preek: Psalm 89:3, 5
Slotzang: Psalm 66:1, 3
Geliefde
gemeente van onze Heer Jezus Christus,
In
onze tekst lezen we over een goddelijk geheim, letterlijk staat er een
mysterie, waarvan de apostel Paulus wil dat we goed begrijpen wat er mee
bedoeld wordt. Nu zijn er veel Christenen die denken dat dit mysterie bestaat
uit een toekomstige massale bekering van het Joodse volk. Die zou moeten plaats
vinden als het logische gevolg van dat andere mysterie dat inmiddels al
werkelijkheid is geworden, de stichting van de staat Israël alweer tientallen
jaren geleden.
Veel profetieën in het Oude Testament over onder meer het
herstel van Israël en Jeruzalem en de tempel die nog niet uitgekomen zijn
worden dan vervuld; immers, zo zeggen ze, Paulus zegt toch maar hier in
Romeinen 11, dat er een eind komt aan de gedeeltelijke verharding van Israël?
Nadat eerst de volheid van de heidenen is binnen gegaan zal daarna Israël nog
weer een kans krijgen en zal er inderdaad een zodanige massale nationale
opwekking plaats vinden dat, in overeenstemming met Paulus' woorden in vers 26,
"dan (of zo, zie vertaling NBG 1951) zal heel Israël gered worden".
En, zo gaat men verder, Paulus wijst toch ook zelf naar
zo'n nog niet vervulde profetie in het Oude Testament, naar Jesaja 59:20
bijvoorbeeld, waar staat: "Hij zal als bevrijder naar Sion komen"; en
Sion, dat is toch Jeruzalem, de hoofdstad van de staat Israël?
Daarom, dit moet wel het mysterie zijn, het geheim waar
Paulus het over heeft: de dag dat Israël als geheel bekeerd zal worden. Dan
komt Jezus, de Heer terug uit de hemel om in Jeruzalem te verschijnen. Daarom
moeten de Israëliërs er voor zorgen dat ook het Arabische deel van Jeruzalem in
hun handen blijft, bijvoorbeeld door er huizen voor Joodse settlers te bouwen;
en daar willen dan Christenen voor Israël graag aan mee betalen. Jezus zal
vervolgens vanuit Jeruzalem zijn regering over de volken gaan uitoefenen, eerst
in een 1000-jarig rijk, of direct al wanneer de nieuwe aarde komt waar
Openbaring 21 van spreekt.
Er wordt zelfs wel beweerd dat de kerk in haar
eigenwijsheid onkundig is van die speciale rol die God nog in petto heeft voor
Israël. Aan de andere kant, de vraag mag natuurlijk ook wel gesteld worden of
zij die zo redeneren misschien onkundig zijn van de betekenis van de kerk, en
dus zelf eigenwijs zijn. Want de Schrift waarschuwt ons hier toch wel heel
ernstig tegen eigenwijsheid, tegen onkundig zijn van het mysterie waar onze
tekst ons over inlicht.
Het is dan ook om die reden dat ik u vanuit onze tekst
verkondig HET GEHEIM OF MYSTERIE VAN ISRAËLS TOEKOMST
Om
dat mysterie te verstaan moeten wij, als we over Gods kerk spreken,
1.
NIET ONKUNDIG ZIJN (vers 25b-27)
2.
NIET EIGENWIJS ZIJN (vers 25a, 28-32)
3.
GOD LOVEN EN PRIJZEN (vers 33-38)
1.
De apostel Paulus wil niet dat de Christenen in Rome als ze over de kerk
praten, – en dat geldt natuurlijk ook voor ons – dat zouden doen in onkunde,
zonder te weten waar ze het eigenlijk over hebben. Vandaar dat hij hier
schrijft dat hij de broeders en zusters niet wil onthouden dat slechts een deel
van Israël onbuigzaam werd, en dat alleen tot het moment dat alle heidenen zijn
toegetreden, en zo (niet: dan) zal heel Israël gered worden".
Maar wat bedoelt Paulus hier nu mee? Hij heeft het over
een geheim, een mysterie, en zolang dat een geheim is blijf je er uiteraard
onkundig van. Toch wil Paulus dat juist niet, en dus kunnen we er zeker van
zijn dat hij het aan zijn lezers ook heeft uitgelegd. Hij moet daarmee al
begonnen zijn in de voorafgaande verzen.
Nu wordt in onze tekst als het eerste deel van het
mysterie vermeld “dat slechts een deel van Israël onbuigzaam werd”, en daarover
heeft hij al uitvoerig gesproken in het begin van dit hoofdstuk, in hoofdstuk
11:1-10. Daaruit blijkt dat het feit slechts een deel van Israël onbuigzaam
werd betekent, dat er een ‘overblijfsel’ van gelovige Joden is, en dat in dat
‘overblijfsel’ Israël als volk behouden is. Nu kon de vraag nog opkomen: gold
dat alleen in die tijd, van Joden die toen tot bekering kwamen, of ook voor de
toekomst? Nu, daarvan zegt de apostel in onze tekst: zo zal het blijven gaan.
Die onbuigzaamheid van een deel van Israël – maar dus ook het nog bij de kerk
gevoegd worden van Joden die gelovig worden, het ‘overblijfsel’ – , dat gaat
beide door “tot het moment dat alle heidenen
zijn toegetreden”.
Wat dat betekent is vermeld in de verzen 11-15, waar we
lezen dat het heil voor de heidenen nog zoveel rijker is, omdat ook Israël in
dat heil blijft delen. En ook al zouden het er maar enigen zijn, daarmee zal
dan toch hun volheid, Israël als volk, in dat heil delen. Dat is dan ook juist
het mooie in mijn zendingswerk, zegt Paulus daar.
Daaruit blijkt wel heel duidelijk dat niet pas ‘dan’, nadat
alle heidenen zijn toegetreden, Israël als geheel zal worden gered,
bijvoorbeeld in een massale volksbekering. Nee, het is zoals de apostel het heeft
uitgelegd in de voorafgaande verzen, het behoud van heel Israël is een eeuwen
durend proces dat gaande is in dezelfde tijd dat een deel van Israël onbuigzaam
blijft en alle heidenen toetreden.
Dat dit inderdaad precies Paulus’ bedoeling is blijkt ook
uit wat hij gezegd heeft over de olijfboom in de verzen 16-24. Immers, wanneer
hij het daar heeft over het weer terug enten van gelovig geworden Joden in hun
eigen olijfboom heeft hij het niet over iets dat pas in de verre toekomst
gebeuren zal. Nee, dan heeft hij het over Joden in zijn dagen, over wat dan al
aan het gebeuren is.
En wat alles beslist is Paulus’ zeggen dat ze dan worden
teruggeënt ‘in hun eigen olijfboom’. Het wordt niet weer hun eigen olijfboom, ergens in de verre
toekomst, of een andere olijfboom, een nieuwe, ergens ver weg in de toekomst.
Nee, zowel Joden als heidenen worden het hele Nieuwtestamentische tijdperk door
geënt in dezelfde olijfboom die nog steeds Israël heet.
En zo, gemeente, is het geheim, het mysterie, door Paulus
volledig verklaard, en daarom wil hij dan ook niet dat Christenen er onkundig
van zijn dat “zo” heel Israël gered zal worden.
Laat ik voor de duidelijkheid dit hoofdstuk nog even kort
samenvatten. Eerst zegt Paulus dat Israël is behouden in het kleine deel
dat God uit genade uitgekozen heeft: het uitverkoren overblijfsel. Dan
gaat hij verder met te zeggen dat Israël is inbegrepen bij alle volken
die vanaf nu alle eeuwen door behouden worden. En ten derde zegt hij
dat de heidenen in Israël worden ingeënt, en Israël dus blijft bestaan
gedurende de hele Nieuwtestamentische periode, waarin Joden en Christenen zowel
afgesneden alsook weer ingeënt kunnen worden in de olijfboom Israël.
In de olijfboom die Israël heet!! Israël!!
“EN ZO ZAL HEEL ISRAËL GERED WORDEN’. Niet dan of
daarna, maar ZO!
Heel Israël? Helemaal? Werkelijk? Ja. Want het
opmerkelijke is dat dit hele proces van het afbreken en weer inenten van takken
precies hetzelfde is als wat wij gewend zijn de vergadering van de Christelijke
kerk te noemen. En inderdaad, het Nieuwe Testament maakt dat op allerlei
plaatsen duidelijk. Wanneer Joden of heidenen door het geloof Jezus Christus
als hun Verlosser ontvangen, dan worden ze daarmee ingelijfd in Christus’ kerk,
als leden van zijn lichaam.
En dus is de conclusie onvermijdelijk: als Paulus hier
zegt dat “zo heel Israël gered zal worden”, dat is hetzelfde als zeggen dat zo
de hele kerk van Jezus Christus gered zal worden. Israël, of, de kerk, het zijn
twee woorden voor dezelfde zaak.*)
De gelovigen worden niet vergaderd in twee afzonderlijke
groepen, aan de ene kant de Christelijke kerk, en aan de andere kant Israël; we
geloven één algemene of universele, katholieke kerk, en het is dan ook die ene
kerk waarop alle beloften en dreigingen en profetieën van het Oude Testament
van toepassing zijn.
“Zoals ook geschreven staat”, zo voegt de apostel er aan
toe in vers 26, en dan citeert hij onder anderen uit Jesaja 59:20. We hebben
dat samen gelezen. In dat hoofdstuk heeft Jesaja eerst gesproken over Israëls
zich verharden in zonde (verzen 2vv). Maar in vers 20 zegt hij dan dat God als
bevrijder naar Sion komt. Uit wat daar verder op volgt blijkt dat Gods Verbond
na Pinksteren, wanneer de Geest wordt uitgestort, ook gelden gaat voor de
gelovigen en hun kinderen uit andere volken. Jesaja profeteert hier van de
komst van Jezus Christus en de uitstorting van de Heilige Geest. En dat wordt
in hoofdstuk 60 zo uitgewerkt, dat zo niet alleen Israël behouden zal worden,
maar ook de andere volken naar Jeruzalem zullen komen en behouden worden.
Deze profetie van Jesaja aangaande Israël en de volken is
vervuld in de vergadering van de Christelijke kerk. De Christelijke kerk is dat
Israël waarin nu ook de heidense volken vergaderd worden. En zo is uit de
manier waarop Paulus dit uitlegt duidelijk dat al de profetieën van het Oude
Testament over Israëls toekomst op de kerk van toepassing zijn. Want Israël is de kerk, en de kerk is Israël. Ze zijn identiek.
En nu wil de apostel niet dat we daarvan onkundig zijn.
Want onkunde ten aanzien van de kerk betekent tegelijk ook onkunde aangaande
Gods strengheid tegen de zonden van de kerk, en onkunde aangaande
Gods genade en goedheid voor zondaren die Jezus Christus met een
waar geloof als hun Verlosser ontvangen.
Onkunde aangaande de kerk, alleen maar praten over de
kerk zonder dat daarbij blijkt dat je vreest en siddert voor Gods strengheid
over je zonde, en zonder dat blijkt dat je ervaring of bevinding hebt van Gods
genade voor jezelf als een ellendige zondaar; allerlei gepraat over de kerk
zonder dat je ook Gods genade voor anderen erkent: Paulus moet er niets van
hebben! Want God wil daar niets van hebben! Dan zouden we alleen maar laten
zien hoe eigenwijs wij zijn! En hoe zou je dan ooit Heilig Avondmaal kunnen
vieren?
2.
Daarmee kom ik tot het tweede dat ik u verkondigen moet. Als we over Gods kerk
spreken moeten we niet eigenwijs of hoogmoedig zijn. In de verzen 28-32 scherpt
de apostel die waarschuwing dat we niet eigenwijs of hoogmoedig mogen zijn
verder aan.
De onmiddellijke aanleiding voor deze waarschuwing was
dat de Christenen in Rome gevaar liepen de Joodse synagoge in Rome links te
laten liggen. Ze organiseerden hun eigen kerkelijk leven, en dat was goed; maar
ze vergaten hun roeping ten aanzien van de Joden. Ze traden in de praktijk op
als een nieuwe kerk, alsof de HEER zijn kerkvergaderingswerk wat Israël betreft
had opgegeven.
Nu was het best verklaarbaar dat het zo was gegaan; die
Joden hadden immers Jezus de Heer niet aangenomen als de beloofde Messias, en
als je ze tegenkwam waren ze vaak ver van vriendelijk, en handelden ze zelfs
als vijanden van het Evangelie.
Nu ontkent Paulus dat niet, want in vers 28 zegt hij
bijvoorbeeld, “Ze zijn Gods vijanden geworden”, maar hij voegt er wel wat aan
toe, namelijk dat zij vijanden geworden zijn “opdat het evangelie aan u kon
worden verkondigd”. En juist daarom, zo gaat de apostel dan verder, juist
daarom mag u niet vergeten dat God Abraham verkozen heeft om vader van de kerk
te zijn, patriarch of aartsvader, en dat daarom ook Israël nog steeds door God
wordt liefgehad.
Want, zo gaat hij verder in vers 29, “de genade die God
schenkt neemt hij nooit terug, wanneer hij iemand roept maakt hij dat niet
ongedaan”. Kijk dus niet op ze neer, en verzuim niet voor hen te bidden en ze
ook aan te spreken.
Nu zou misschien iemand kunnen zeggen, ja, maar wacht
eens even, dat klinkt nu wel allemaal heel mooi, maar hoe zit het dan met hun
ongehoorzaamheid? Paulus praat hier net alsof dat er niet zo erg meer toe doet.
Maar wat voor gemeenschappelijks hebben wij, mensen van een trouwe en ware
kerk, met ongehoorzame vijanden van het Evangelie, en dus ook vijanden van ons
die ons aan het Evangelie houden?
Maar het is op dat soort redeneringen dat Paulus als het
Woord van God dan zegt: ik wil niet dat u eigenwijs bent, hoogmoedig met ijdel
gepraat, alsof u als ingeënte takken beter zou zijn dan zij. Het heeft niets te
maken met uw gehoorzaamheid vergeleken met hun ongehoorzaamheid: het is alleen
maar een zaak van Gods goedheid, van Gods genade! Laten we maar goed luisteren
naar wat staat in de verzen 30 en 31: “Zoals u God eens ongehoorzaam was (we
zijn dus inderdaad niet beter dan zij!), maar door hun ongehoorzaamheid (dus
niet door uw gehoorzaamheid!) Gods barmhartigheid hebt ondervonden, zo zijn zij
ongehoorzaam om door de barmhartigheid die u ondervonden hebt, ook zelf
barmhartigheid te ondervinden”.
Ziet u dat? Als we over de kerk praten is er geen enkele
reden om naar onze eigen gehoorzaamheid te wijzen vergeleken met de ongehoorzaamheid
van anderen. Ik wil niet dat u dat doet, zegt de apostel, ik wil niet dat u zo
eigenwijs bent om dat te doet, want op die manier toont u alleen maar uw
onkunde ten aanzien van de kerk. Wees niet onkundig en eigenwijs, maar toon u
barmhartig en liefdevol, en bid en werk er voor dat door dezelfde genade die u
betoond is zij ook genade mogen ontvangen.
Want, zo gaat de Schrift verder in vers 32, “want God
heeft ieder mens uitgeleverd aan de ongehoorzaamheid, opdat hij voor ieder mens
barmhartig kan zijn”. Nu moeten we dat goed verstaan. Het betekent niet dat dus
alle individuele personen behouden worden, net zo als ze allemaal ongehoorzaam
zijn geweest. Paulus spreekt hier niet over individuele personen, maar over de
vergadering van de algemene, de katholieke of universele kerk, en over de vraag
of van nu af aan de kerk beperkt is tot de heidense volken, of dat ook het volk
Israël er bij hoort.
Niet eigenwijs zijn betekent dan ook dat we Israël er
niet buiten sluiten, want het is juist zo dat de gelovigen uit de heidens
volken worden ingeënt in Israël. De algemene kerk is niet beperkt tot bepaalde
groepen of volken, maar “zij is verbreid en verstrooid over heel de wereld”, en
allen die door Gods genade en door het geloof zijn ingelijfd in Jezus Christus
zijn ook kinderen van Abraham, leden van het Israël van God (Nederlandse
Geloofsbelijdenis artikel 27; cf. hoofdstuk 9, in het bijzonder de verzen 6-8).
Broeders en zusters, geloven we dit ook echt? Belijden we
zo ootmoedig ons geloof aangaande de ene katholieke of algemene kerk, ook
vandaag in onze situatie? Praten we zo over de kerk, nederig, onder elkaar en
met anderen? Er zijn eigenlijk maar twee mogelijkheden als we over de kerk
praten. De ene is dat we het doen op een trotse manier. Maar dan zijn we eigenwijs,
en laten we zien hoe weinig we er van af weten.
3.
De andere mogelijkheid is, en daarover mag ik in de derde plaats tot u spreken:
dat we Gòd loven en prijzen wanneer we praten over de kerk.
Eigenlijk kan ik daar niet zo veel over zeggen, omdat de
kerk inderdaad een groot wonder is, een mysterie, en daarom moeten we maar niet
meer over de kerk zeggen dan God zelf ons over haar heeft bekend gemaakt. Maar
als we over de kerk spreken moeten we het doen met de grootste bewondering voor
de onuitputtelijkheid van Gods rijkdom, wijsheid en kennis God. Dat voorkomt
dan vanzelf wel dat we ons eigenwijs zouden betonen. Want dan zeggen we: HEER,
hoe ondoorgrondelijk zijn uw oordelen en hoe onbegrijpelijk uw wegen, o God, in
hoe U omgaat met uw kerk!
Dan leren we ook om niet te oordelen waar wij als mensen
daartoe niet in staat en niet bevoegd zijn, en om ons te onthouden van het
koesteren van menselijke ideeën en opinies aangaande de kerk van God.
"Want wie kent de gedachten van de Heer, wie was ooit zijn raadsman?"
Dan gaan we dus ook niet wijzen naar onze eigen kerk en
onze gehoorzaamheid en prestaties en organisaties, want: "wie heeft hem
iets gegeven dat door hem moest worden terugbetaald?"
Dan belijden we nederig dat "alles is uit Hem
ontstaan, alles is door hem geschapen, alles heeft in hem zijn doel.
En dan zeggen we: “Hem komt de eer toe tot in eeuwigheid!
AMEN
*)
Dit is dan ook wat we bijvoorbeeld belijden in de artikelen 27 t/m 29 van de
Nederlandse Geloofsbelijdenis: "Wij geloven en belijden één katholieke of
algemene kerk, die een heilige vergadering is van de ware gelovigen"; ook
belijden we daar dat Christus deze kerk vergadert "vanaf het begin van de
wereld" "tot het einde toe", en dat er mensen in die kerk zijn die "toch
niet bij de kerk horen" (die niet van de kerk zijn), en daarom
afgesneden zullen worden, terwijl anderen "door de kracht van het
geloof" in Christus aan haar toegevoegd worden, of het nu Joden zijn of
heidenen. In deze belijdenis belijden we precies hetzelfde als wat we hier
lezen in onze tekst: het geheim of mysterie van de kerk als het ware, echte
Israël van God.
9
De laatste van de negen heeft als tekst
Romeinen 12:1-8. Voor de orde van eredienst worden hier enkele suggesties
vermeld. De psalmen en gezangen zijn uit het Gereformeerd Kerkboek.
SCHRIFTLEZING en TEKST: Romeinen 12:1-8
Aanvangslied: Psalm 40:2
Na de Tien Woorden: Psalm 40:3
Na Tekst en Preek: Liedboek 360:1, 2, 3
Viering Heilig Avondmaal: Formulier en
Apostolische Geloofsbelijdenis
Naar tafel: Psalm 123:1
Aan 1e tafel: Romeinen 12: 9-11 –
Psalm 133:1
Aan 2e tafel: Romeinen 12:12-13 –
Psalm 133:2
Aan 3e tafel: Romeinen 12:14-16 –
Psalm 134:2
Slotzang: Psalm 138:1, 3
Geliefde
gemeente van onze Heer Jezus Christus,
We worden in onze tekst opgeroepen onszelf als een levend
offer in Gods dienst te stellen, want dat is de ware eredienst voor u.
Eredienst houden betekent dus, zo zegt de Bijbel hier, dat we ons hele leven
hier op aarde als een offer wijden aan God.
Waarom eigenlijk vermaant de apostel Paulus ons om dat te
doen? En kan dat eigenlijk wel, ja mag dat, onszelf offeren? Is de
zelfofferande van Christus voor onze zonden niet het enige offer dat God
welgevallig is? Worden we juist daar niet aan herinnerd bij de viering van het
Heilig Avondmaal? We gaan toch niet aan de Tafel van de HEER aan om onszelf
daar te offeren? We zitten daar toch aan om het enige offer van Christus voor
ons te gedenken, en deel te hebben aan de vruchten daarvan?
Het antwoord op de vraag waarom Paulus ons hiertoe
oproept ligt in deze woorden in vers 1 van onze tekst: Paulus’ beroep op Gods
barmhartigheid. Kennelijk baseert de apostel zijn oproep op wat hij in de
voorgaande hoofdstukken geschreven heeft, en in het bijzonder op het einde van
hoofdstuk 11.
Waarom moeten we ons zelf als een offer aan God
aanbieden? Juist omdat Christus zichzelf eerst heeft geofferd voor ons, en ons
zo weer in de rechte verhouding met God heeft gebracht; het is omdat we door
het geloof in Christus= zelfofferande weer vrede
met God hebben.
Het is dan ook uit dankbaarheid dat we ons zelf als een
offer aan God moeten aanbieden; dankbaarheid omdat we mogen delen in Christus'
gerechtigheid, en dus niet door onszelf, maar door Christus' bloed tot een aan
God welgevallig offer gemaakt zijn. En nu worden we aan de Avondmaalstafel
verzekerd van deze vrucht van Christus' offer voor ons met dit doel, dat wij nu
in ons hele leven, elke dag opnieuw, in wat we ook maar doen en laten en in wat
voor omstandigheden ook maar, onszelf als een offer van dankbaarheid geven aan
de Heer.
Maar kunnen we onszelf inderdaad zo aan de Heer geven,
als een Hem welgevallig offer? God heeft ons toch niet nodig als een gave die
Hem gegeven wordt; het is toch net andersom, dat wij Gods gaven aan ons nodig
hebben, dat de Heer zichzelf aan ons geeft? Want wat voor begerenswaardigs is
er aan ons in Gods ogen, dat Hij ons als een gave zou willen ontvangen?
Laten we maar eerlijk zijn: wij hebben God toch niets aan
te bieden! Onze zonden en ellende zijn zo groot, zo heeft Paulus zelf het
gezegd in deze brief, in de hoofdstukken 1-3, dat niemand op aarde goed doet in
Gods ogen: geen heiden, geen Jood, ook de mensen aan wie Paulus deze brief
geschreven heeft niet, en wij net zo min.
Maar kijk, dat is dan ook de reden dat de apostel aan die
oproep in vers 1 deze woorden heeft toegevoegd: "met een beroep op Gods
barmhartigheid". Dat is de barmhartigheid van God waarover hij zo
uitvoerig geschreven heeft in de voorgaande hoofdstukken; in het bijzonder die
geweldige barmhartigheid van God die Hij betoont aan heidenen die het niet
verdienen, en aan Joden die zich die barmhartigheid van God onwaardig gemaakt
hebben, en die desondanks volgens de voorgaande hoofdstukken 9-11 over zowel
Joden als heidenen wordt uitgestort.
Gemeente, kunnen wij inderdaad onszelf als levende offers
aan God geven? Het antwoord is 'nee', als we ons zelf zouden geven zoals we van
nature zijn; want van nature zijn we dood vanwege onze zonde. Maar het antwoord
is 'ja', dat kunnen we doen, ons zelf aan de Heer geven, als we levend gemaakt
zijn door Gods barmhartigheid, als we zijn verlost van onze zonden en ellende
door het offer van Jezus Christus.
Dan voegen we ook niet iets toe aan het offer van
Christus, alsof dat niet voldoende zou zijn; maar dan komt juist heel duidelijk
uit hoe voldoende het offer van Christus is. Immers, de vrucht daarvan in ons
leven is dat we nu de wil van God , zijn wet voor ons leven, 'onderkennen' of
ervaren. Je zou ook kunnen zeggen dat we
er nu bevindelijke kennis van hebben dat Gods wet ons niet langer veroordeelt,
maar ons verandert in mensen die dank zij Christus' offer voor onze zonden,
meer en meer gaan doen wat goed en welgevallig en volkomen is in Gods ogen. In
plaats van onszelf overtreders van Gods wil te betonen tonen we ons nu
gehoorzaam daaraan. In plaats van onze
overtredingen tonen we dan Christus'
volkomen gehoorzaamheid.
We zijn dan niet maar uitwendig veranderd, maar tot in de
wortel van ons bestaan, radicaal veranderd, en dat blijkt dan daaruit dat we
niet meer gelijkvormig zijn aan deze wereld, maar hervormd, anders gevormd,
vernieuwd zijn, door de vernieuwing van ons denken.
Als je je aanpast aan de invloeden van de mensen om je
heen en toegeeft aan elke verleiding die op je af komt, omdat je nu eenmaal
niet uit de toon wilt vallen, dan koester je gedachten die hoger zijn dan
gepast zijn voor je, alsof je er boven staat en het je toch niets kan doen, in
plaats dat je je door in Christus te geloven heel bescheiden opstelt, en
nederig je zwakheden erkent. Als je trots meeloopt in de modeshow van deze
wereld, dan laat je niet zien dat je samen met je medegelovigen in Christus één
lichaam vormt, een lichaam dat gekleed gaat in de mantel van Zijn nederigheid.
Maar als je inderdaad door het geloof een lid bent van
het lichaam van Christus, dan is de consequentie daarvan dat je samen met je
medeleden ook deelt in de volheid van gaven die we in Christus ontvangen
hebben: de zeven verschillende genadegaven die worden opgesomd in de verzen 6,7
en 8.
Om enkele daarvan in hedendaagse termen te noemen: wat
fijn als er in de gemeente gaven zijn om ambtsdrager te zijn en te worden; wat
fijn als er zijn die helpen waar hulp nodig is; als er voldoende zijn om
onderwijs te geven aan wie Bijbelonderricht begeren. Want kijk, daaruit blijkt
dan de mate van geloof die God u heeft toebedeeld.
We verdienen er niets mee; het zijn genadegaven van God
als we die gaven hebben en gebruiken. Maar zo geven we ons zelf als levende
offers aan God, wanneer we ook ons zelf en wat wij ontvangen hebben aan elkaar
geven. Dan voegen we niet iets toe aan Christus' offer voor onze zonden, maar
dan dienen we ons zelf en onze medeleden (en eventuele gastleden) met dat offer
van Christus dat Hij heeft gebracht voor onze en voor hun zonden.
En dat mogen we nu ook zichtbaar maken in ons aangaan aan
de tafel van onze Heer, waar we ons zelf presenteren als offers van
dankbaarheid, vanwege het enige voldoende offer van Christus voor ons.
AMEN